ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
17 januari 2019 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Definitief karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen – Richtlijn 98/26/EG – Werkingssfeer – Begrip ‚overboekingsopdracht’ – Betalingsopdracht van de houder van een gewone rekening-courant aan een kredietinstelling die later insolvent is verklaard”
In zaak C‑639/17,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Augstākā tiesa (hoogste rechterlijke instantie, Letland) bij beslissing van 8 november 2017, ingekomen bij het Hof op 15 november 2017, in de procedure
SIA „KPMG Baltics”, handelend in de hoedanigheid van curator van het faillissement van AS „Latvijas Krājbanka”,
tegen
SIA „Ķipars AI”,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz (rapporteur), president van de Zevende kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, K. Jürimäe, C. Lycourgos, E. Juhász en C. Vajda, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
SIA „KPMG Baltics”, handelend in de hoedanigheid van curator van het faillissement van AS „Latvijas Krājbanka”, vertegenwoordigd door J. Ozoliņš, |
|
– |
de Letse regering, vertegenwoordigd door I. Kucina en E. Petrocka-Petrovska als gemachtigden, |
|
– |
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en O. Serdula als gemachtigden, |
|
– |
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Rocchitta, avvocato dello Stato, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Tserepa-Lacombe en I. Rubene als gemachtigden, |
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PB 1998, L 166, blz. 45), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 (PB 2009, L 146, blz. 37) (hierna: „richtlijn 98/26”). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SIA „KPMG Baltics”, die optreedt als curator van het faillissement van AS „Latvijas Krājbanka”, en SIA „Ķipars AI”, inzake de uitvoering van een betalingsopdracht die deze laatste aan Latvijas Krājbanka heeft gegeven. |
Toepasselijke bepalingen
|
3 |
De overwegingen 1 tot en met 4 van richtlijn 98/26 luiden als volgt:
|
|
4 |
Artikel 1 van deze richtlijn luidt: „De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op:
|
|
5 |
Artikel 2 van deze richtlijn luidt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[...]
[...]
|
|
6 |
Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt: „1. Overboekingsopdrachten en verrekening zijn juridisch afdwingbaar en kunnen aan derden worden tegengeworpen, zelfs in geval van een insolventieprocedure tegen een deelnemer, mits de overboekingsopdrachten in het systeem zijn ingevoerd vóór het tijdstip waarop een insolventieprocedure als omschreven in artikel 6, lid 1, is geopend. Dit is ook van toepassing bij een insolventieprocedure tegen een deelnemer (aan het betrokken systeem dan wel aan een interoperabel systeem) of tegen de systeemexploitant van een interoperabel systeem indien die geen deelnemer is. [...] 3. Het tijdstip van invoering van een overboekingsopdracht in een systeem wordt bepaald volgens de regels van dat systeem. Indien er in het nationale recht dat het systeem beheerst voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het tijdstip van invoering, moeten de regels van dat systeem in overeenstemming zijn met deze voorwaarden. [...]” |
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
7 |
Op 17 november 2011 gaf Ķipars AI, houder van een gewone rekening-courant bij de bank Latvijas Krājbanka, deze bank een opdracht om al het geld dat op deze rekening-courant stond over te schrijven naar een andere rekening, die zij bij een andere bank aanhield. Deze opdracht werd in het interne afwikkelingssysteem van Latvijas Krājbanka ingevoerd en het geld werd van de rekening-courant van Ķipars AI gedebiteerd en op een tussenrekening van Latvijas Krājbanka gezet om te worden overgemaakt. De betalingsopdracht werd echter niet volledig uitgevoerd, omdat de Finanšu un kapitāla tirgus komisija (commissie financiële en kapitaalmarkten, Letland) enkele uren later Latvijas Krājbanka het verbod oplegde transacties voor bedragen boven 100000 EUR te verrichten, en deze bank nadien insolvent werd verklaard. KPMG Baltics werd aangesteld als curator van het faillissement van Latvijas Krājbanka. |
|
8 |
Nadat zowel de rechter in eerste aanleg als de appelrechter de vordering van Ķipars AI tot uitvoering van de betalingsopdracht had toegewezen, stelde KPMG Baltics cassatieberoep in bij de verwijzende rechter. In deze laatste procedure beroept Ķipars AI zich met name op de bepalingen van richtlijn 98/26. Weliswaar is de verwijzende rechter in beginsel van oordeel dat deze richtlijn niet van toepassing is op de betrekkingen tussen particulieren en kredietinstellingen en, derhalve, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde betalingsopdracht, maar toch twijfelt hij op dit punt omdat hij meent dat het begrip „overboekingsopdracht” in de zin van deze richtlijn, gezien de aard van de overboeking van het geld, ook een dergelijke betalingsopdracht kan omvatten. |
|
9 |
In die omstandigheden heeft de Augstākā tiesa (hoogste rechterlijke instantie, Letland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
|
Bevoegdheid van het Hof
|
10 |
KPMG Baltics en de Letse regering betwisten in wezen dat het Hof bevoegd is om op de prejudiciële vragen te antwoorden, omdat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde betalingsopdracht niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 98/26 valt en het hoofdgeding derhalve geen aanknopingspunt met het Unierecht heeft. |
|
11 |
In dit verband moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag juist wil vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde betalingsopdracht al dan niet onder het begrip „overboekingsopdracht” in de zin van richtlijn 98/26 en bijgevolg binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt. Het argument van KPMG Baltics en de Letse regering dat de betalingsopdracht niet binnen deze werkingssfeer valt, is dus onlosmakelijk verbonden met het antwoord dat op de eerste vraag ten gronde dient te worden gegeven en heeft derhalve geen gevolg voor de bevoegdheid van het Hof om daarop te antwoorden [zie naar analogie arresten van 10 september 2015, Wojciechowski, C‑408/14, EU:C:2015:591, punt 29, en 26 september 2018, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Schorsende werking van het hoger beroep), C‑180/17, EU:C:2018:775, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
12 |
Wat de tweede vraag betreft, moet worden opgemerkt dat deze louter is gesteld voor het geval dat de eerste vraag bevestigend zou worden beantwoord, dat wil zeggen voor het geval dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde betalingsopdracht binnen de werkingssfeer van richtlijn 98/26 zou vallen. In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de tweede vraag evenzeer onder de bevoegdheid van het Hof valt. |
|
13 |
Het Hof is derhalve bevoegd om de voorgelegde vragen te beantwoorden. |
Beantwoording van de prejudiciële vragen
|
14 |
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een betalingsopdracht zoals aan de orde in het hoofdgeding, waarbij de houder van een gewone rekening-courant een kredietinstelling verzoekt geld over te boeken naar een andere kredietinstelling, onder het begrip „overboekingsopdracht” in de zin van richtlijn 98/26 en bijgevolg binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt. |
|
15 |
Zoals blijkt uit de overwegingen 1 tot en met 4 van deze richtlijn, heeft deze als doel de systeemrisico’s van betalings- en effectenafwikkelingssystemen te verminderen en de stabiliteit hiervan te verzekeren door de verstoring van dergelijke systemen ingevolge een insolventieprocedure tegen een van de deelnemers eraan tot een minimum te beperken. |
|
16 |
Daartoe bepaalt deze richtlijn met name, in artikel 3, lid 1, dat overboekingsopdrachten juridisch afdwingbaar zijn en aan derden kunnen worden tegengeworpen, zelfs in geval van een insolventieprocedure tegen een deelnemer, mits de overboekingsopdrachten in het systeem zijn ingevoerd vóór het tijdstip waarop een insolventieprocedure is geopend. |
|
17 |
Met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde betalingsopdracht verzocht Ķipars AI, houder van een gewone rekening-courant bij Latvijas Krājbanka, deze bank al het geld dat op deze rekening-courant stond over te schrijven naar een rekening die zij bij een andere bank aanhield. Om vast te stellen of een dergelijke betalingsopdracht onder het begrip „overboekingsopdracht” in de zin van richtlijn 98/26 en bijgevolg binnen de werkingssfeer daarvan valt, moet worden uitgegaan van artikel 1 van deze richtlijn, dat betrekking heeft op de werkingssfeer ervan, en van de definities in artikel 2 van de richtlijn. |
|
18 |
Volgens artikel 1 van richtlijn 98/26 zijn de bepalingen van deze richtlijn van toepassing op alle systemen zoals gedefinieerd in artikel 2, onder a), deelnemers aan een dergelijk systeem en zakelijke zekerheden die gesteld worden in verband met deelneming aan een systeem of in verband met transacties van de centrale banken van de lidstaten of van de Europese Centrale Bank in het kader van hun functie van centrale banken. |
|
19 |
In artikel 2, onder a), van deze richtlijn wordt het begrip „systeem” in wezen gedefinieerd als een formele overeenkomst tussen ten minste drie deelnemers, met gemeenschappelijke regels en standaardprocedures voor de clearing of het uitvoeren van overboekingsopdrachten tussen de deelnemers. |
|
20 |
Uit artikel 2, onder a), b) en i), van richtlijn 98/26 blijkt dat het begrip „overboekingsopdracht” alleen in betalingsverplichtingen resulterende opdrachten betreft die worden gegeven door deelnemers aan een dergelijk systeem aan andere deelnemers aan het systeem die voor de uitvoering van deze opdrachten verantwoordelijk zijn. Dit begrip omvat daarentegen niet de in betalingsverplichtingen resulterende opdrachten die buiten een dergelijk systeem om door derden worden gegeven. |
|
21 |
Deze betekenis van het begrip „overboekingsopdracht” wordt bevestigd door artikel 3, lid 1, van deze richtlijn, waarin de bescherming voor overboekingsopdrachten waarin dit artikel voorziet, afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat zij „in het systeem zijn ingevoerd”. |
|
22 |
Bovendien en bovenal wordt deze betekenis bevestigd door het feit dat deze richtlijn, zoals blijkt uit punt 15 van dit arrest, een duidelijk vastgesteld en afgebakend doel nastreeft, namelijk de systeemrisico’s van betalings- en effectenafwikkelingssystemen te verminderen en de stabiliteit hiervan te verzekeren door de gevolgen van de insolventieprocedures voor deze systemen te beperken. Zolang een in financiële verplichtingen resulterende opdracht niet door een van de deelnemers aan een dergelijk systeem hierin is ingevoerd, vormt de niet-uitvoering van deze opdracht vanwege een insolventieprocedure namelijk geen systeemrisico en tast deze de stabiliteit van een dergelijk systeem niet aan. Om het doel van richtlijn 98/26 te bereiken, is het daarom niet nodig om de bescherming die deze richtlijn biedt voor overboekingsopdrachten die binnen dit systeem worden gegeven door deelnemers aan een dergelijk systeem, uit te breiden tot in financiële verplichtingen resulterende opdrachten die buiten een dergelijk systeem om door derden worden gegeven. |
|
23 |
Om vast te stellen of een betalingsopdracht zoals aan de orde in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van richtlijn 98/26 valt, moet dus worden gekeken of deze opdracht binnen het kader van een systeem als gedefinieerd in artikel 2, onder a), van deze richtlijn, is gegeven door een van de deelnemers aan dit systeem. |
|
24 |
Artikel 2, onder f), van richtlijn 98/26 bevat een uitputtende opsomming van de entiteiten die onder het begrip „deelnemer” vallen. Dit kunnen een „instelling”, een „centrale tegenpartij”, een „afwikkelende instantie”, een „clearing house” of een „systeemexploitant” zijn. Deze entiteiten zijn nauwkeurig omschreven in artikel 2, onder b) tot en met e) en p), van deze richtlijn. |
|
25 |
Uit de in deze laatste bepalingen opgenomen definities, die in punt 5 van dit arrest zijn genoemd, blijkt dat een houder van een gewone rekening-courant, zoals Ķipars AI, met geen van deze entiteiten overeenstemt. In het bijzonder valt een dergelijke rekening-couranthouder niet onder het begrip „instelling”, omdat dit volgens artikel 2, onder b), van de genoemde richtlijn louter ziet op entiteiten die verantwoordelijkheid kunnen dragen voor het nakomen van de financiële verplichtingen die ontstaan uit overboekingsopdrachten die binnen een systeem worden gegeven, waaronder met name kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. |
|
26 |
Weliswaar mag een lidstaat volgens artikel 2, onder f), derde alinea, van richtlijn 98/26 besluiten dat voor de toepassing van deze richtlijn een indirecte deelnemer als deelnemer wordt beschouwd wanneer dit op grond van het systeemrisico gerechtvaardigd is, maar uit de stukken waarover het Hof beschikt kan niet worden afgeleid dat de Republiek Letland van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. In elk geval blijkt uit de definitie van het begrip „indirecte deelnemer” in artikel 2, onder g), van deze richtlijn dat de entiteiten die onder dit begrip kunnen vallen, gelijk zijn aan die welke onder het in punt 24 van dit arrest genoemde begrip „deelnemer” vallen. Het verschil tussen een deelnemer en een indirecte deelnemer is dat de eerste rechtstreeks verbonden is aan het systeem terwijl de tweede dat slechts is via een contractuele relatie met een deelnemer. Aangezien een houder van een gewone rekening-courant, zoals Ķipars AI, met geen van deze entiteiten overeenstemt, kan deze niet worden beschouwd als een indirecte deelnemer in de zin van artikel 2, onder f), van deze richtlijn. |
|
27 |
Een betalingsopdracht die door een dergelijke houder van een gewone rekening-courant wordt gegeven, kan dus niet worden geacht te zijn gegeven door een deelnemer aan een systeem in de zin van artikel 2, onder a) en f), van richtlijn 98/26. Hieruit volgt dat, zoals overigens is aangevoerd door alle partijen die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, een dergelijke betalingsopdracht niet onder het begrip „overboekingsopdracht” in de zin van deze richtlijn en bijgevolg ook niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt. |
|
28 |
Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat een betalingsopdracht zoals aan de orde in het hoofdgeding, waarbij de houder van een gewone rekening-courant een kredietinstelling verzoekt geld over te boeken naar een andere kredietinstelling, niet onder het begrip „overboekingsopdracht” in de zin van richtlijn 98/26 en bijgevolg ook niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt. |
|
29 |
Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord. |
Kosten
|
30 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht: |
|
Een betalingsopdracht, zoals aan de orde in het hoofdgeding, waarbij de houder van een gewone rekening-courant een kredietinstelling verzoekt geld over te boeken naar een andere kredietinstelling, valt niet onder het begrip „overboekingsopdracht” in de zin van richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009, en bijgevolg ook niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn. |
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Lets.