Zaak C‑637/17

Cogeco Communications Inc.

tegen

Sport TV Portugal SA e.a.

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Tribunal Judicial da Comarca de Lisboa)

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 28 maart 2019

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 102 VWEU – Gelijkwaardigheids‑ en doeltreffendheidsbeginsel – Richtlijn 2014/104/EU – Artikel 9, lid 1 – Artikel 10, leden 2 tot en met 4 – Artikelen 21 en 22 – Vorderingen tot schadevergoeding volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie – Doorwerking van nationale beslissingen – Verjaringstermijnen – Omzetting – Toepassing in de tijd”

  1. Mededinging – Unieregels – Toepassing door nationale rechterlijke instanties – Vordering tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door schending van de mededingingsregels – Richtlijn 2014/104 – Omzetting – Werkingssfeer ratione temporis

    (Richtlijn 2014/104 van het Europees Parlement en de Raad, art. 21 en 22)

    (zie punten 25‑30)

  2. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van het Hof – Identificatie van de relevante elementen van Unierecht – Herformulering van de vragen

    (Art. 267 VWEU)

    (zie punt 35)

  3. Machtspositie – Misbruik – Verbod – Rechtstreekse werking – Recht van particulieren om vergoeding van de geleden schade te vorderen – Wijze van uitoefening – Causaal verband – Toepassing van het nationale recht – Voorwaarden – Eerbiediging van het beginsel van de gelijkwaardigheid van de wijze van uitoefening van een door het Unierecht verleend recht en de wijze van uitoefening van een door de nationale rechtsorde verleend recht – Eerbiediging van het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht

    (Art. 102 VWEU)

    (zie punten 38‑44)

  4. Machtspositie – Misbruik – Verbod – Rechtstreekse werking – Recht van particulieren om vergoeding van de geleden schade te vorderen – Wijze van uitoefening – Verjaringstermijnen – Nationale regeling die voorziet in een verjaringstermijn van drie jaar zonder mogelijkheid om deze termijn te schorsen of te stuiten – Ontoelaatbaarheid

    (Art. 102 VWEU)

    (zie punten 45‑55)

  5. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van het Hof – Grenzen – Kennelijk irrelevante vragen en hypothetische vragen gesteld in een context waarin een nuttig antwoord is uitgesloten – Vragen zonder verband met het voorwerp van het hoofdgeding

    (Art. 267 VWEU)

    (zie punten 57‑60)

Samenvatting

In het arrest Cogeco Communications (C‑637/17) van 28 maart 2019 heeft het Hof zich uitgesproken over een verzoek om een prejudiciële beslissing over richtlijn 2014/104 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie ( 1 ), artikel 102 VWEU en het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel. Het hoofdgeding betreft een beroep dat strekt tot vergoeding van de schade die Cogeco Communications Inc. zou hebben geleden wegens mededingingsverstorende praktijken van Sport TV Portugal. Dat beroep is ingesteld op 27 februari 2015, nadat Sport TV Portugal door de Portugese mededingingsautoriteit een geldboete opgelegd had gekregen omdat zij tussen 2006 en 2011 misbruik had gemaakt van haar machtspositie op de markt voor premium sportkanalen.

Het op het hoofdgeding toepasselijke Portugese recht inzake niet-contractuele aansprakelijkheid kent evenwel een verjaringstermijn van drie jaar, die volgens Sport TV Portugal was beginnen te lopen zodra Cogeco Communications alle benodigde gegevens ter beschikking had om te kunnen bepalen of zij al dan niet recht had op schadevergoeding. Indien dat zo is, zou de schadevordering in casu zijn verjaard. Richtlijn 2014/104 bevat onder meer bepalingen betreffende de verjaring van schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht, maar deze richtlijn was ten tijde van de instelling van het beroep nog niet omgezet in Portugees recht. Aangezien de oplossing van het hoofdgeding dus afhing van de toepasselijkheid van richtlijn 2014/104, heeft de verwijzende rechter verzocht om een prejudiciële beslissing op dat punt.

Met betrekking tot de toepassing ratione temporis van richtlijn 2014/104 heeft het Hof geoordeeld dat wanneer lidstaten hebben besloten dat de bepalingen van hun interne rechtsorde waarmee de procedurele bepalingen van deze richtlijn worden omgezet, niet van toepassing zijn op beroepen tot schadevergoeding die vóór de inwerkingtreding van deze nationale bepalingen aanhangig zijn gemaakt, voor de beroepen die na 26 december 2014 maar vóór het verstrijken van de omzettingstermijn van deze richtlijn aanhangig zijn gemaakt, uitsluitend de nationale procedurele bepalingen gelden die al vóór de omzetting van deze richtlijn van kracht waren. Dit geldt des te meer voor de nationale bepalingen die de lidstaten overeenkomstig artikel 21 van richtlijn 2014/104 ter naleving van de materiële bepalingen van deze richtlijn hebben vastgesteld, aangezien aan deze nationale bepalingen, zoals uit de bewoordingen van artikel 22, lid 1, van deze richtlijn volgt, geen terugwerkende kracht mag worden verleend. In deze omstandigheden heeft het Hof vastgesteld dat richtlijn 2014/104 aldus moet worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op het hoofdgeding.

Bij gebreke van ratione temporis toepasselijke Unierechtelijke regelgeving voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht is het derhalve een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de regels vast te stellen voor de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de schade die uit misbruik van machtspositie voortvloeit, met inbegrip van de regels voor verjaringstermijnen, mits het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen. Deze beginselen moeten de doeltreffende toepassing van artikel 102 VWEU onverlet laten.

In dit verband moet rekening worden gehouden met het specifieke karakter van mededingingszaken en meer in het bijzonder met de omstandigheid dat de instelling van schadevorderingen wegens inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse vereist.

Toepassing gevend aan het doeltreffendheidsbeginsel, heeft het Hof zich op het standpunt gesteld dat indien de verjaringstermijn, die begint te lopen vóór de afronding van de procedures die worden afgesloten met een definitieve beslissing van de nationale mededingingsautoriteit of een beroepsinstantie, te kort is in vergelijking met de duur van deze procedures, en tijdens deze procedures niet kan worden geschorst of gestuit, niet valt uit te sluiten dat deze verjaringstermijn verstrijkt nog vóór deze procedures zijn voltooid. Een dergelijke termijn kan dus de uitoefening van het recht om schadevorderingen in te stellen op basis van een definitieve beslissing waarbij een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie wordt vastgesteld, in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat artikel 102 VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die in een dergelijke verjaringstermijn voorziet.


( 1 ) Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 (PB 2014, L 349, blz. 1; hierna: „richtlijn 2014/14”).