Zaak C‑592/17
Skatteministeriet
tegen
Baby Dan A/S
(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Vestre Landsret)
„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk douanetarief – Gecombineerde nomenclatuur – Tariefindeling – Tariefposten en postonderverdelingen 4421, 7326, 73181590, 73181900 en 94039010 – Artikel dat speciaal is ontworpen voor de bevestiging van veiligheidshekken ter bescherming van kinderen – Dumping – Geldigheid van verordening (EG) nr. 91/2009 – Invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen uit China – Antidumpingovereenkomst van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) – Verordening (EG) nr. 384/96 – Artikel 3, lid 2, en artikel 4, lid 1 – Omschrijving van bedrijfstak van de Gemeenschap”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Negende kamer) van 15 november 2018
Douane-unie – Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefposten – Artikel waarmee afneembare veiligheidshekken voor kinderen aan een muur of kozijn kunnen worden bevestigd – Indeling in postonderverdeling 73181590 van de gecombineerde nomenclatuur
(Verordening nr. 2658/87 van de Raad, bijlage I)
Internationale overeenkomsten – Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie – GATT 1994 – Onmogelijkheid om de WTO‑overeenkomsten in te roepen om de rechtmatigheid van een Uniehandeling te betwisten – Uitzonderingen – Uniehandeling die de uitvoering ervan beoogt te verzekeren of uitdrukkelijk en specifiek ernaar verwijst – Geen
(Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994, „antidumpingovereenkomst 1994”; verordeningen van de Raad nr. 384/96, zoals gewijzigd bij verordening nr. 461/2004, overweging 5, nr. 1515/2001, artikel 1, nr. 91/2009, nr. 924/2012 en 2016/278)
Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Schade – Begrip bedrijfstak van de Gemeenschap – Beoordelingsbevoegdheid van de Commissie – Omschrijving van bedrijfstak van de Gemeenschap – Beperking tot de producenten die de klacht hebben ondersteund waaruit het antidumpingonderzoek voortvloeide – Toelaatbaarheid
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 461/2004, art. 4, lid 1, en 5, lid 4)
De gecombineerde nomenclatuur, opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals achtereenvolgens gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1214/2007 van de Commissie van 20 september 2007 en verordening (EG) nr. 1031/2008 van de Commissie van 19 september 2008, moet aldus worden uitgelegd dat een artikel als in het hoofdgeding, waarmee afneembare veiligheidshekken voor kinderen aan een muur of kozijn kunnen worden bevestigd, geen onderdeel van deze hekken vormt en onder postonderverdeling 73181590 van de gecombineerde nomenclatuur moet worden ingedeeld.
In het arrest van 11 juni 2015, Baby Dan (C‑272/14, niet gepubliceerd, EU:C:2015:388, punten 29 tot en met 40), heeft het Hof overwogen dat het betrokken artikel op grond van zijn objectieve eigenschappen en kenmerken onder GN‑post 7318 kon worden ingedeeld, als „schroeven, bouten, moeren, kraagschroeven, [...] en dergelijke artikelen van gietijzer, van ijzer of van staal”. Geconstateerd moet worden dat het betrokken artikel reeds enkel wegens de indeling ervan in GN‑post 7318 een „deel voor algemeen gebruik” in de zin van aantekening 2, onder a), van afdeling XV van de GN vormt. Hieruit volgt dat door de indeling van het betrokken artikel in GN‑post 7318 overeenkomstig deze aantekening 2, onder a), is uitgesloten dat dit artikel wordt ingedeeld als „deel” van een ander product, in het onderhavige geval een veiligheidshek voor kinderen (zie naar analogie arrest van 12 december 2013, HARK, C‑450/12, EU:C:2013:824, punt 40).
Omdat het betrokken artikel een schroef of moer is die niet kan worden aangemerkt als „kraagschroeven of andere houtschroeven”, noch als „oogschroeven en schroefhaken”, noch als „zelftappende schroeven”, moet dit artikel worden ingedeeld onder één van de onder postonderverdeling 731815 van de GN vallende lagere onderverdelingen. Het betrokken artikel heeft een kop zonder „gleuf of kruisgleuf” en zonder „binnenzeskant” en het is ook geen „zeskantkop”. Daarom moet dit artikel onder postonderverdeling 73181590 van de GN, met het opschrift „andere”, worden ingedeeld.
(zie punten 47, 52, 53, 61, 62, dictum 1)
Uit het onderzoek van de vierde prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening (EG) nr. 91/2009 van de Raad van 26 januari 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
Ten eerste moet namelijk in herinnering worden gebracht dat de Raad, gelet op de bepalingen van de WTO-machtigingsverordening en in het bijzonder artikel 1 daarvan alsook op de aanbevelingen van het DSB, uitvoeringsverordening nr. 924/2012 heeft aangenomen, waarin de in het oorspronkelijke onderzoek geconstateerde schadeveroorzakende dumping wordt bevestigd en vanaf de datum waarop deze verordening in werking trad bepaalde antidumpingrechten werden gewijzigd. Aangezien de Unie, in het licht van uitvoeringsverordeningen nr. 924/2012 en 2016/278 die in vervolg op de litigieuze verordening werden vastgesteld, heeft uitgesloten om krachtens de litigieuze verordening betaalde antidumpingrechten terug te betalen, moet dan ook worden geoordeeld dat zij stellig geen uitvoering heeft willen geven aan enige in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting (zie naar analogie arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale, C‑351/04, EU:C:2007:547, punt 35).
Ten tweede wordt in de vijfde overweging van de basisverordening weliswaar vermeld dat het aanbeveling verdient om de regels van de antidumpingovereenkomst „voor zover mogelijk” in Unierecht om te zetten, maar die uitdrukking moet in die zin worden opgevat dat, ook al heeft de Uniewetgever bij de vaststelling van de basisverordening rekening willen houden met de regels van die overeenkomst, hij niet de wil heeft geuit om elk van die regels in die verordening om te zetten (arresten van 16 juli 2015, Commissie/Rusal Armenal, C‑21/14 P, EU:C:2015:494, punt 52, en 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punt 90).
(zie punten 69, 71, 72, dictum 2)
In artikel 4, lid 1, van de basisverordening wordt het begrip „bedrijfstak van de Gemeenschap” gedefinieerd als „alle producenten in de Gemeenschap van soortgelijke producten” of „diegenen van deze producenten wier gezamenlijke productie van de betrokken producten een groot deel van de totale communautaire productie van deze producten als omschreven in artikel 5, lid 4, uitmaakt”. Uit deze laatste bepaling blijkt met name dat geen onderzoek wordt geopend wanneer de producenten in de Gemeenschap die de klacht uitdrukkelijk steunen, minder dan 25 % van de totale productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap voor hun rekening nemen. Het Hof heeft dienaangaande reeds geoordeeld dat de grens van 25 % verwijst naar „de totale productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap” en verband houdt met het percentage dat de producenten in de Gemeenschap die de klacht steunen binnen die totale productie vertegenwoordigen. Door de verwijzing naar die grens wordt in artikel 4, lid 1, van de basisverordening dus enkel verduidelijkt dat wanneer de gezamenlijke productie van de producenten in de Gemeenschap die de klacht steunen geen 25 % van de totale communautaire productie van het soortgelijke product vertegenwoordigt, deze gezamenlijke productie hoe dan ook niet als voldoende representatief voor de communautaire productie kan worden beschouwd. Hieruit volgt dat de definitie van bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening kan worden beperkt tot enkel de producenten in de Gemeenschap die de klacht hebben ondersteund waaruit het antidumpingonderzoek voortvloeide.
(zie punten 78‑81)