Zaak C‑320/17

Marle Participations SARL

tegen

Ministre de l’Économie et des Finances

[verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk)]

„Prejudiciële verwijzing – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikelen 2, 9 en 168 – Economische activiteit – Rechtstreekse of indirecte inmenging van een holding in het beheer van haar dochterondernemingen – Verhuur van een gebouw door een holding aan haar dochteronderneming – Aftrek van de voorbelasting – Btw door een holding betaald over uitgaven die zijn gedaan ter verwerving van deelnemingen in andere ondernemingen”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 5 juli 2018

Harmonisatie van de belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Economische activiteit – Begrip – Verhuur van een gebouw door een holding aan haar dochteronderneming die een rechtstreekse of indirecte inmenging in het beheer van deze dochteronderneming vormt – Daaronder begrepen – Kosten door de holding gemaakte ter verwerving van een deelneming in de dochteronderneming – Recht op volledige aftrek – Holding die slechts aan het beheer van bepaalde dochterondernemingen van een concern deelneemt – Recht op evenredige aftrek – Bevoegdheid van de lidstaten om de verdeelcriteria vast te leggen – Grenzen

(Richtlijn 2006/112 van de Raad, art. 9, lid 1)

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat de verhuur van een gebouw door een holding aan haar dochteronderneming een „inmenging in het beheer” van deze onderneming vormt, die moet worden beschouwd als een economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, van deze richtlijn, op grond waarvan recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) over de door de holding gemaakte kosten ter verwerving van deelnemingen in deze dochteronderneming ontstaat, wanneer deze dienstverlening duurzaam van aard is, zij wordt verricht onder bezwarende titel en zij wordt belast, wat betekent dat deze verhuur niet is vrijgesteld, en er een rechtstreeks verband bestaat tussen de door de dienstverrichter verleende dienst en de van de begunstigde ontvangen tegenprestatie. De kosten in verband met de verwerving van deelnemingen in dochterondernemingen, gemaakt door een holding die aan het beheer van die dochterondernemingen deelneemt door aan hen een gebouw te verhuren en die uit dien hoofde een economische activiteit uitoefent, moeten worden geacht deel uit te maken van de algemene kosten van die holding, en de over die kosten voldane btw moet in beginsel volledig in aftrek kunnen worden gebracht.

Ingeval een holding kosten heeft gemaakt voor de verwerving van deelnemingen in dochterondernemingen en zij slechts aan het beheer van bepaalde van deze dochterondernemingen deelneemt en met betrekking tot de andere dochterondernemingen geen economische activiteiten verricht, kunnen deze kosten daarentegen slechts voor een deel worden geacht deel uit te maken van de algemene kosten van deze holding, zodat enkel de btw die is voldaan over kosten die inherent zijn aan de economische activiteit, in aftrek kan worden gebracht. Welk gedeelte van de totale kosten inherent is aan de economische activiteit, wordt bepaald aan de hand van verdeelcriteria die worden vastgelegd door de lidstaten, die bij de uitoefening van die bevoegdheid rekening moeten houden met het doel en de opzet van de btw-richtlijn en derhalve moeten voorzien in een berekeningsmethode die objectief weergeeft welk deel van de in een eerder stadium gemaakte kosten werkelijk toe te rekenen is aan de economische activiteit en welk deel aan de niet-economische activiteit. Het staat aan de nationale rechterlijke instantie om dit te verifiëren.

(zie punten 45, 46 en dictum)