Zaak C‑248/17 P
Bank Tejarat
tegen
Raad van de Europese Unie
„Hogere voorziening – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen ten aanzien van de Islamitische Republiek Iran – Bevriezing van tegoeden en financiële middelen – Nietigverklaring door het Gerecht van een plaatsing op de lijst – Nieuwe plaatsing op lijst – Plaatsing op de lijst om reden van financiële steun aan de Iraanse regering en betrokkenheid bij het aanschaffen van verboden goederen en technologie – Draagwijdte – Financiering van projecten in de aardolie‑ en aardgassector – Bewijsmiddelen die dateren van voor de eerste plaatsing op de lijst – Feiten die bekend waren vóór de eerste plaatsing op de lijst – Artikel 266 VWEU – Gezag van gewijsde – Draagwijdte – Effectieve rechterlijke bescherming”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 29 november 2018
Beroep tot nietigverklaring – Procesbelang – Belang dat moet worden beoordeeld op het tijdstip van instelling van het beroep – Beroep tegen een handeling tot invoering van beperkende maatregelen jegens de verzoeker – Intrekking van de bestreden handeling in de loop van het geding – Verklaring van afdoening zonder beslissing – Ontoelaatbaarheid – Behoud van het belang van de verzoeker bij erkenning van de onrechtmatigheid van de bestreden handeling
[Art. 263 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 56; verordening 2015/549 van de Raad; besluit (GBVB) 2015/556 van de Raad]
Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van de feiten en het bewijsmateriaal – Niet-ontvankelijkheid – Toetsing door het Hof van de beoordeling van de feiten en het bewijsmateriaal – Uitgesloten, behoudens het geval van een onjuiste opvatting – Middel inzake onjuiste opvatting van de feiten – Noodzaak om de onjuist opgevatte elementen precies aan te geven en om de analysefouten die tot deze onjuiste opvatting hebben geleid, te bewijzen
(Art. 256 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)
Europese Unie – Rechterlijk toezicht op de rechtmatigheid van de handelingen van de instellingen – Beperkende maatregelen tegen Iran – Maatregelen ter bestrijding van nucleaire proliferatie – Omvang van het toezicht
[Art. 275, tweede alinea, VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47; verordening 2015/549 van de Raad; besluit (GBVB) 2015/556 van de Raad]
Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen tegen Iran – Bevriezing van de tegoeden van personen, entiteiten of lichamen die zich bezighouden met of medewerking verlenen aan nucleaire proliferatie – Ondersteuning van proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran – Begrip – Materiële, logistieke of financiële steun – Kwantitatief of kwalitatief belang van de steun – Draagwijdte
[Besluit 2010/413/GBVB van de Raad, art. 20, lid 1, c), gewijzigd bij besluit 2012/635/GBVB; verordening nr. 267/2012 van de Raad, art. 23, lid 2, d), gewijzigd bij verordening nr. 1263/2012]
Beroep tot nietigverklaring – Arrest houdende nietigverklaring – Gevolgen – Nietigverklaring van handelingen houdende vaststelling van beperkende maatregelen tegen Iran – Vaststelling van een handeling houdende nieuwe plaatsing van verzoeker op de lijst op andere gronden dan die welke zijn opgenomen in de nietig verklaarde handelingen – Beoordelingsbevoegdheid van de instellingen – Omvang – Rechterlijke toetsing – Schending van het beginsel van gezag van gewijsde en van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming – Geen
[Art. 263, vierde alinea, VWEU, 266 VWEU en 275, tweede alinea, VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47; verordening 2015/549 van de Raad; besluit (GBVB) 2015/556 van de Raad]
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punten 28, 29)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punten 37, 44)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punten 38, 39, 60)
Het criterium bestaande in het verlenen van steun aan de Iraanse regering – dat is neergelegd in artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2012/635, en in artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1263/2012 – moet aldus worden begrepen dat het ziet op activiteiten van de betrokken persoon of entiteit die weliswaar als zodanig niet rechtstreeks of indirect verband houden met nucleaire proliferatie, maar deze kunnen bevorderen doordat daarbij aan de Iraanse regering middelen of faciliteiten van materiële, financiële of logistieke aard worden verstrekt die haar in staat stellen de proliferatie voort te zetten.
Voorts heeft dat criterium, gelezen tegen de achtergrond van de doelstellingen die de Raad nastreeft, betrekking op de vormen van steun aan de Iraanse regering die door het kwantitatieve of kwalitatieve belang ervan bijdragen tot de voortzetting van de Iraanse nucleaire activiteiten.
De cruciale vraag is bijgevolg of de activiteit van de betrokken persoon of entiteit nucleaire proliferatie kan bevorderen, gelet op het kwantitatieve of kwalitatieve belang ervan, doordat daarbij middelen of faciliteiten van materiële, logistieke of financiële aard aan de Iraanse regering worden verstrekt die deze in staat stellen de proliferatie voort te zetten.
(zie punten 52, 54, 55)
De in artikel 266 VWEU neerlegde regel dat wanneer een handeling nietig of ongeldig wordt verklaard, de instellingen die deze handeling hebben vastgesteld, enkel gehouden zijn de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van dat arrest, impliceert dat deze instellingen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken bij de keuze van de middelen die moeten worden aangewend om de vastgestelde onrechtmatigheid te verhelpen, voor zover die middelen verenigbaar zijn met het dictum van het betrokken arrest en met de rechtsoverwegingen die er de noodzakelijke steun aan bieden.
Wat een arrest betreft waarbij de Unierechter handelingen die voorzien in de aanvankelijke plaatsing van rekwirant op een lijst van personen op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn, nietig heeft verklaard op grond dat de door de Raad verstrekte gegevens niet volstonden om de feitelijke grondslag van die handelingen te staven, kan de vraag of de Raad een nieuwe plaatsing op de lijst kan baseren op andere gronden dan die welke zijn opgenomen in de nietig verklaarde handelingen, waarbij moet worden nagegaan of het arrest houdende nietigverklaring beperkingen oplegt aan de mogelijkheid voor de Raad om handelingen tot nieuwe plaatsing op de lijst vast te stellen, worden beantwoord tegen de achtergrond van het beginsel van het gezag van gewijsde. Overeenkomstig dit beginsel hebben arresten houdende nietigverklaring die zijn uitgesproken door de rechterlijke instanties van de Unie absoluut gezag van gewijsde zodra zij definitief geworden zijn. Dit gezag strekt zich niet alleen uit tot het dictum van het arrest houdende nietigverklaring, maar ook tot de overwegingen die de noodzakelijke steun bieden aan het dictum en er daardoor onlosmakelijk mee verbonden zijn. Het gezag van gewijsde geldt echter alleen voor de punten, feitelijk en rechtens, die in een rechterlijke beslissing daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht. Uit de vaststelling dat de door de Raad verstrekte gegevens niet volstonden, die gezag van gewijsde heeft, kan niet worden afgeleid dat de Raad naderhand geen rekening mocht houden met andere bewijselementen die ertoe strekken aan te tonen dat de aangevoerde redenen juist zijn, of naderhand nooit meer zou kunnen aantonen dat rekwirant bijdraagt aan nucleaire proliferatie of andere personen of entiteiten hulp verleent bij het overtreden of ontwijken van de beperkende maatregelen jegens hen.
Voorts belet ook het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, dat een algemeen rechtsbeginsel is dat thans is neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de Raad niet een persoon of entiteit op basis van andere gronden dan die waarop de aanvankelijke plaatsing van deze persoon of entiteit op een lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden worden bevroren, was gebaseerd, opnieuw op een dergelijke lijst te plaatsen. Dit beginsel beoogt immers te waarborgen dat een bezwarende handeling bij de rechter kan worden aangevochten en het staat niet eraan in de weg dat een nieuwe bezwarende handeling wordt vastgesteld op andere gronden. Bijgevolg wordt bij de nietigverklaring van een besluit van een instelling van de Unie waartegen beroep is ingesteld, dit besluit geacht nooit te hebben bestaan, en kan die instelling overgaan tot een volledig heronderzoek en andere gronden aanvoeren dan die waarop zij het nietig verklaarde besluit had gebaseerd.
(zie punten 68‑71, 73, 79‑81)