Zaak C‑135/17
X GmbH
tegen
Finanzamt Stuttgart – Körperschaften
(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Bundesfinanzhof)
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 26 februari 2019
„Prejudiciële verwijzing – Vrij verkeer van kapitaal – Kapitaalverkeer tussen de lidstaten en derde landen – ,Standstillbepaling’ – Nationale wettelijke regeling van een lidstaat betreffende in een derde land gevestigde tussenvennootschappen – Wijziging van deze regeling, gevolgd door de herinvoering van de vorige regeling – Inkomsten van een in een derde land gevestigde vennootschap uit vorderingen op een in een lidstaat gevestigde vennootschap – Opneming van die inkomsten in de heffingsgrondslag van een belastingplichtige die zijn fiscale woonplaats in een lidstaat heeft – Beperking van het vrije verkeer van kapitaal – Rechtvaardiging”
Vrij verkeer van kapitaal en vrijheid van betalingsverkeer – Beperkingen van het kapitaalverkeer naar of uit derde landen – Op 31 december 1993 bestaande beperkingen van het kapitaalverkeer in verband met directe investeringen – Toelaatbaarheid – Beperking waarvan de omvang na deze datum is verruimd tot deelnemingen die geen verband houden met een directe investering – Geen invloed
(Art. 63, lid 1, VWEU en art. 64, lid 1, VWEU)
(zie punten 28, 30‑34, dictum 1)
Vrij verkeer van kapitaal en vrijheid van betalingsverkeer – Beperkingen van het kapitaalverkeer naar of uit derde landen – Op 31 december 1993 bestaande beperkingen van het kapitaalverkeer in verband met directe investeringen – Begrip „beperking die op 31 december 1993 bestaat” – Latere wijziging van de aan de beperking ten grondslag liggende nationale regeling, waarna de vorige regeling opnieuw is ingevoerd voordat deze wijziging in de praktijk is toegepast – Uitsluiting, behalve wanneer de toepasbaarheid van die wijziging is uitgesteld, zodat zij ni et van toepassing is geweest op het grensoverschrijdende kapitaalverkeer dat voor de intrekking ervan heeft plaatsgevonden – Toetsing door de verwijzende rechterlijke instantie
(Art. 63, lid 1, VWEU en art. 64, lid 1, VWEU)
(zie punten 39‑41, 46, 47, 51, dictum 2)
Vrij verkeer van kapitaal en vrijheid van betalingsverkeer – Beperkingen – Belastingwetgeving – Vennootschapsbelasting – Inkomsten van een in een derde land gevestigde vennootschap uit vorderingen op een in een lidstaat gevestigde vennootschap – Opneming van die inkomsten in de heffingsgrondslag van een belastingplichtige die zijn fiscale woonplaats in een lidstaat heeft –Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardiging – Bestrijding van belastingfraude en belastingontwijking – Voorwaarde – Geen verdragsrechtelijke verplichtingen tussen de lidstaat en het derde land om gegevens uit te wisselen
(Art. 63, lid 1, VWEU)
(zie punten 55, 58, 64, 68, 69, 75, 78, 87, 88, 90‑92, 95, 96, dictum 3)
Samenvatting
In het arrest X (Tussenvennootschappen die in een derde land zijn gevestigd) (C‑135/17) van 26 februari 2019 heeft de Grote kamer van het Hof geoordeeld dat artikel 63, lid 1, VWEU inzake het vrije verkeer van kapitaal niet in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke de inkomsten van een in een derde land gevestigde vennootschap die niet afkomstig zijn van een eigen activiteit van deze vennootschap, zoals „tusseninkomsten die kapitaalbeleggingen vormen” in de zin van deze regeling, pro rata van de aangehouden deelneming worden opgenomen in de belastinggrondslag van een in deze lidstaat ingezeten belastingplichtige, wanneer deze belastingplichtige een deelneming van minstens 1 % in die vennootschap heeft en deze inkomsten in dat derde land worden onderworpen aan een belasting die lager is dan de belasting in de betrokken lidstaat, tenzij een rechtskader bestaat dat met name voorziet in verplichtingen uit hoofde van een overeenkomst of verdrag die de belastingautoriteiten van die lidstaat in staat stellen om in voorkomend geval na te gaan of de informatie betreffende de betrokken vennootschap die is verstrekt om aan te tonen dat de deelneming van de belastingplichtige in deze vennootschap niet berust op een kunstmatige constructie, waarheidsgetrouw is.
Na te hebben opgemerkt dat die regeling uitsluitend van toepassing is op grensoverschrijdende situaties, heeft het Hof in de eerste plaats geoordeeld dat zij tot gevolg heeft dat investeerders die in de betrokken lidstaat onbeperkt belastingplichtig zijn, afzien van investeringen in vennootschappen die in bepaalde derde landen zijn gevestigd. Dientengevolge vormt zij een beperking van het vrije verkeer van kapitaal die in beginsel is verboden door artikel 63, lid 1, VWEU.
Vervolgens heeft het Hof onderzocht of deze beperking kan worden gerechtvaardigd in het licht van artikel 65 VWEU, op grond waarvan een verschil in fiscale behandeling verenigbaar met het vrije verkeer kan worden geacht wanneer het situaties betreft die niet objectief vergelijkbaar zijn. Dienaangaande heeft het Hof opgemerkt dat de wettelijke regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, tot doel heeft de situatie van ingezeten vennootschappen die kapitaal hebben geïnvesteerd in een vennootschap in een derde land met een „laag” belastingniveau zo veel mogelijk op één lijn te brengen met de situatie van ingezeten vennootschappen die hun kapitaal hebben geïnvesteerd in een andere in de betrokken lidstaat ingezeten vennootschap, teneinde met name de mogelijke fiscale voordelen die eerstgenoemde vennootschappen zouden kunnen behalen uit de investering van hun kapitaal in een derde land zo veel mogelijk te neutraliseren. Het betrokken verschil in behandeling wordt dan ook niet gerechtvaardigd door een objectief verschil in situatie.
Onder deze omstandigheden heeft het Hof onderzocht of het verschil in fiscale behandeling kan worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang. Dienaangaande heeft het Hof opgemerkt dat de betrokken wettelijke regeling ertoe strekt belastingfraude en belastingontwijking te voorkomen, en geoordeeld dat zij geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling bepaalt immers dat de inkomsten van een vennootschap in een derde land met een „laag” belastingniveau worden opgenomen in de heffingsgrondslag van een in de lidstaat onbeperkt belastingplichtige vennootschap, en is aldus geschikt om de effecten van een eventueel kunstmatige overdracht van inkomsten naar een dergelijk derde land te neutraliseren.
Volgens het Hof gaat deze regeling echter in beginsel verder dan nodig is om haar doel te bereiken, doordat louter op grond van het feit dat aan alle voorwaarden ervan is voldaan wordt vermoed dat sprake is van kunstmatige gedragingen, zonder dat de betrokken belastingplichtige in de gelegenheid wordt gesteld dit vermoeden te weerleggen.
Het Hof heeft echter benadrukt dat de wettelijke regeling die aan de orde is in het hoofdgeding niet gericht is op de lidstaten, maar op derde landen, en erop gewezen dat het bestaan van de verplichting van de lidstaten om een belastingplichtige in staat te stellen elementen aan te dragen waaruit de eventuele commerciële redenen blijken waarom hij een deelneming heeft genomen in een in een derde land gevestigde vennootschap, moet worden beoordeeld op basis van de geldende bestuurlijke en regelgevende maatregelen aan de hand waarvan in voorkomend geval kan worden gecontroleerd of die elementen waarheidsgetrouw zijn. Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om na te gaan of er met name verdragsrechtelijke verplichtingen zijn aangegaan tussen de lidstaat en het betrokken derde land waarbij een rechtskader voor samenwerking en regelingen voor uitwisseling van gegevens tussen de betrokken nationale autoriteiten zijn ingevoerd die de belastingautoriteiten van de lidstaat daadwerkelijk in staat stellen om in voorkomend geval na te gaan of de informatie betreffende de in het derde land gevestigde vennootschap, die is verstrekt om aan te tonen dat de deelneming van de belastingplichtige in deze vennootschap niet berust op een kunstmatige constructie, waarheidsgetrouw is.
De verwijzende rechter had het Hof ook voorafgaande vragen voorgelegd over de werkingssfeer van de „standstillbepaling” in artikel 64, lid 1, VWEU, volgens welke een lidstaat in de betrekkingen met derde landen beperkingen kan toepassen inzake het kapitaalverkeer in verband met, onder meer, directe investeringen, zelfs al zijn zij in strijd met het in artikel 63, lid 1, VWEU neergelegde beginsel van vrij kapitaalverkeer, mits die beperkingen reeds bestonden op 31 december 1993. In het hoofdgeding was de aan de betrokken beperking ten grondslag liggende belastingregeling na 31 december 1993 ingrijpend gewijzigd door de vaststelling van een wet die in werking was getreden, maar – nog voordat hij in de praktijk was toegepast – was vervangen door een regeling die in wezen identiek was aan de regeling die op 31 december 1993 van toepassing was. Het Hof heeft geoordeeld dat in dat geval het verbod in artikel 63, lid 1, VWEU van toepassing is, tenzij de toepasbaarheid van deze wijziging uit hoofde van het nationale recht is uitgesteld, zodat zij, ondanks de inwerkingtreding ervan, niet van toepassing is geweest op het in artikel 64, lid 1, VWEU bedoelde grensoverschrijdende kapitaalverkeer, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.