Zaak C‑132/17
Peugeot Deutschland GmbH
tegen
Deutsche Umwelthilfe eV
(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Bundesgerichtshof)
„Prejudiciële verwijzing – Vrij verrichten van diensten – Richtlijn 2010/13/EU – Definities – Begrip ‚audiovisuele mediadienst’ – Werkingssfeer – Kanaal met reclamevideo’s voor nieuwe modellen personenauto’s dat beschikbaar is op YouTube”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Negende kamer) van 21 februari 2018
Vrij verrichten van diensten – Televisieomroepactiviteiten – Richtlijn 2010/13 – Werkingssfeer – Audiovisuele mediadienst – Begrip – Kanaal met reclamevideo’s voor nieuwe modellen personenauto’s dat beschikbaar is op YouTube – Een enkele reclamevideo – Daarvan uitgesloten
[Richtlijn 2010/13 van het Europees Parlement en de Raad, art. 1, lid 1, a), b) en h)]
Artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) moet aldus worden uitgelegd dat de definitie van „audiovisuele mediadienst” zich niet uitstrekt tot een videokanaal als het kanaal dat in het hoofdgeding aan de orde is, waarop internetgebruikers korte reclamevideo’s voor nieuwe modellen personenauto’s kunnen bekijken, noch tot een van die video’s op zichzelf beschouwd.
In dit verband bepaalt de definitie van „audiovisuele mediadienst” in artikel 1, lid 1, onder a), i), van die richtlijn in de eerste plaats met name dat het gaat om een dienst die valt onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, met als hoofddoel de levering aan het algemene publiek van programma’s ter informatie, vermaak of educatie.
Een kanaal met reclamevideo’s bij de internetdienst YouTube als het kanaal dat in het hoofdgeding aan de orde is, kan niet worden geacht de levering aan het algemene publiek van programma’s ter informatie, vermaak of educatie als hoofddoel te hebben.
Zonder dat hoeft te worden bepaald of een reclamevideo een programma vormt als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2010/13 en gedefinieerd in hetzelfde lid 1, onder b), moet immers worden vastgesteld dat een dergelijke video tot doel heeft het gepresenteerde product of de gepresenteerde dienst, uitsluitend voor commerciële doeleinden, te promoten.
In de tweede plaats bestaat de in artikel 1, lid 1, onder a), ii), van richtlijn 2010/13 bedoelde audiovisuele mediadienst in „audiovisuele commerciële communicatie”, die in dat lid 1, onder h), is gedefinieerd als „beelden, al dan niet met geluid, welke dienen om rechtstreeks of onrechtstreeks de goederen, de diensten of het imago van een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit verricht, te promoten. Dergelijke beelden vergezellen of maken deel uit van een programma, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding of ten behoeve van zelfpromotie. Vormen van audiovisuele commerciële communicatie zijn onder meer televisiereclame, sponsoring, telewinkelen en productplaatsing.”
Een video als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, kan niet worden geacht een programma te vergezellen of daarvan deel uit te maken, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding of ten behoeve van zelfpromotie.
(zie punten 19, 21, 22, 27, 28, 32 en dictum)