Zaak C‑99/17 P

Infineon Technologies AG

tegen

Europese Commissie

„Hogere voorziening – Mededingingsregelingen – Europese markt van smartcardchips – Netwerk van bilaterale contacten – Uitwisseling van commercieel gevoelige informatie – Betwisting van de echtheid van de bewijzen – Rechten van de verdediging – Mededingingsbeperking ‚naar strekking’ – Eén enkele voortdurende inbreuk – Rechterlijke toetsing – Toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht – Omvang – Berekening van het bedrag van de geldboete”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 26 september 2018

  1. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Rechterlijke toetsing – Volledige rechtsmacht van de Unierechter – Omvang

    (Art. 101, 261 en 263 VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 31)

  2. Mededinging – Administratieve procedure – Besluit van de Commissie waarbij een inbreuk wordt vastgesteld – Bewijs van de inbreuk en van de duur daarvan ten laste van de Commissie – Omvang van de bewijslast – Eén enkele voortdurende inbreuk – Rechterlijke toetsing – Toetsing van het besluit van de Commissie door het Gerecht slechts met betrekking tot bepaalde geconstateerde onrechtmatige contacten – Toelaatbaarheid

    (Art. 101, 261 en 263 VWEU)

  3. Mededinging – Administratieve procedure – Besluit van de Commissie waarbij een inbreuk wordt vastgesteld – Beginsel van vrije bewijswaardering – Omstandigheden die de geloofwaardigheid en de echtheid van het bewijs kunnen aantasten – Bewijslast die rust op de onderneming die wordt geraakt door het besluit van de Commissie waarbij een inbreuk wordt vastgesteld

    (Art. 101 VWEU)

  4. Mededinging – Administratieve procedure – Verplichtingen van de Commissie – Verplichting voor de Commissie om met gebruikmaking van haar eigen middelen bij te dragen tot de vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden – Beoordeling van de rechtmatigheid van een besluit waarbij een inbreuk wordt vastgesteld, wegens schending van de rechten van de verdediging van de betrokken onderneming – Beoordeling rekening houdend met de procedure in haar geheel

    (Art. 101 VWEU)

  5. Hogere voorziening – Middelen – Middel dat voor het eerst wordt aangevoerd in hogere voorziening – Niet-ontvankelijkheid

    (Art. 256, lid 1, tweede alinea, VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)

  6. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van de feiten – Niet-ontvankelijkheid – Toetsing door het Hof van de beoordeling van het bewijsmateriaal – Uitgesloten, behoudens het geval van een onjuiste opvatting – Middel inzake onjuiste opvatting van de bewijzen – Noodzaak om de onjuist opgevatte elementen precies aan te geven en om de analysefouten die tot deze onjuiste opvatting hebben geleid, te bewijzen

    (Art. 256 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)

  7. Mededingingsregelingen – Aantasting van de mededinging – Beoordelingscriteria – Onderscheid tussen inbreuken naar strekking en inbreuken naar gevolg – Inbreuk naar strekking – Voldoende nadelige beïnvloeding – Vaststelling toereikend – Beoordelingscriteria – Inhoud en doel van een mededingingsregeling en economische en juridische context waarin die zich ontwikkelt

    (Art. 101, lid 1, VWEU)

  8. Mededingingsregelingen – Verbod – Inbreuken – Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die één enkele inbreuk vormen – Toerekening van de aansprakelijkheid voor de gehele inbreuk aan een onderneming – Voorwaarden

    (Art. 101, lid 1, VWEU)

  9. Hogere voorziening – Bevoegdheid van het Hof – Toetsing van de beoordeling door de Commissie van de ernst van de inbreuk om het bedrag van de geldboete vast te stellen – Daarvan uitgesloten – Toetsing beperkt tot de controle of het Gerecht rekening heeft gehouden met de wezenlijke factoren voor de beoordeling van de ernst van de inbreuk en met alle tegen de opgelegde geldboete aangevoerde argumenten

    (Art. 101 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23)

  10. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Rechterlijke toetsing – Volledige rechtsmacht van de Unierechter – Omvang – Eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel – Geen toetsing van de evenredigheid van de opgelegde geldboete aan het aantal inbreukmakende contacten – Schending

    (Art. 261 en 263 VWEU; Handvest van de grondrechten, art. 47; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 31; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie, punt 23)

  11. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Ernst van de inbreuk – Ontbreken van een dwingende of uitputtende lijst van criteria – Beoordelingsmarge van de Commissie

    (Art. 101 VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 3; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie, punten 19 tot en met 23 en 25)

  1.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punten 47, 48)

  2.  Het Gerecht mag zich voor de bevestiging van de wettigheid van de vaststelling van de Commissie dat een onderneming aan één enkele voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht heeft deelgenomen, beperken tot de toetsing van de beoordelingen van de Commissie van niet alleen het eerste en het laatste heimelijke contact, maar ook één of twee contacten per jaar waarin de deelname heeft geduurd.

    In het kader van een inbreuk met een zekere duur heeft het feit dat zich in verschillende tijdvakken, met langere of kortere tussenpozen, manifestaties van het kartel voordoen, immers geen invloed op het bestaan van dit kartel, voor zover met de verschillende handelingen die deel uitmaken van de inbreuk, hetzelfde doel wordt nagestreefd en deze handelingen passen in het kader van één enkele en voortdurende inbreuk.

    Voorts is het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de onderdelen waaraan zij heeft deelgenomen, niet relevant voor de vaststelling dat zij een inbreuk heeft gepleegd, daar die elementen slechts in aanmerking dienen te worden genomen bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk en zo nodig bij de bepaling van het bedrag van de geldboete.

    (zie punten 51‑54)

  3.  In het Unierecht primeert het beginsel van de vrije beoordeling van het bewijs, waaruit ten eerste volgt dat wanneer bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen, de ontvankelijkheid ervan niet voor het Gerecht kan worden betwist en ten tweede dat het enige relevante criterium ter beoordeling van de bewijskracht van het rechtmatig aangevoerde bewijs de geloofwaardigheid ervan is.

    Wanneer de Commissie zich baseert op bewijzen die in beginsel volstaan om het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels aan te tonen, kan de enkele verwijzing door de betrokken onderneming naar het mogelijkerwijs voorvallen van een omstandigheid die de bewijskracht van deze bewijzen kan aantasten, niet ertoe leiden dat de Commissie het tegenbewijs moet leveren dat deze omstandigheid de bewijskracht van deze bewijzen niet kon aantasten. De betrokken onderneming moet integendeel rechtens genoegzaam bewijzen dat de door haar aangevoerde omstandigheid zich heeft voorgedaan en dat deze omstandigheid afbreuk doet aan de bewijskracht van de bewijzen waarop de Commissie zich baseert, tenzij zij een dergelijk bewijs niet kan leveren ten gevolge van het gedrag van de Commissie.

    Deze overwegingen kunnen worden getransponeerd naar de situatie waarin de betrokken onderneming niet de geloofwaardigheid van een bewijsstuk bestrijdt, maar de echtheid ervan betwist.

    (zie punten 65‑67)

  4.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punten 76‑79)

  5.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punten 97, 116)

  6.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punten 100, 103)

  7.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punten 138, 155, 156, 160)

  8.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punten 172, 173)

  9.  Enkel het Gerecht is bevoegd om na te gaan hoe de Commissie in elk afzonderlijk geval de ernst van de onrechtmatige gedragingen die schending van het mededingingsrecht opleveren, heeft beoordeeld. In hogere voorziening dient het Hof na te gaan of het Gerecht op een juridisch correcte wijze alle wezenlijke factoren in aanmerking heeft genomen om de ernst van een bepaalde gedraging aan artikel 101 VWEU en artikel 23 van verordening nr. 1/2003 te toetsen, en of het rechtens genoegzaam antwoord heeft gegeven op alle tot staving van het verzoek om opheffing of verlaging van de geldboete aangevoerde argumenten.

    (zie punt 192)

  10.  De Unierechter is op basis van de toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht die hem overeenkomstig artikel 261 VWEU bij artikel 31 van verordening nr. 1/2003 is verleend, bevoegd om, naast het eenvoudige wettigheidstoezicht op de sanctie, zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie en dus de opgelegde geldboete of dwangsom op te heffen, te verlagen of te verhogen.

    De uitoefening van deze toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht komt echter niet erop neer dat het Gerecht ambtshalve toezicht uitoefent. Bovendien wordt de procedure op tegenspraak gevoerd. Het staat in beginsel aan de verzoekende partij om middelen tegen het litigieuze besluit aan te voeren en bewijs ter onderbouwing van deze middelen te leveren.

    De Unierechter moet echter, teneinde te voldoen aan het vereiste dat de geldboete volledig wordt getoetst in de zin van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, bij de uitoefening van de in de artikelen 261 en 263 VWEU vastgestelde bevoegdheden elke grief, rechtens of feitelijk, onderzoeken waarmee wordt aangevoerd dat het bedrag van de geldboete niet passend is in het licht van de ernst en de duur van de inbreuk.

    In die omstandigheden kan het Gerecht niet, althans niet zonder de omvang van zijn toetsingsbevoegdheid met volledige rechtsmacht te miskennen, verzuimen te antwoorden op het argument dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door bij de vaststelling van het bedrag van de opgelegde geldboete geen rekening te houden met het beperkte aantal contacten waaraan de bestrafte onderneming heeft deelgenomen. Deze conclusie geldt temeer wanneer het Gerecht in het kader van het wettigheidstoezicht op de sanctie heeft volstaan met een bekrachtiging van vijf van de elf in het besluit van de Commissie geconstateerde contacten, waarbij het niet heeft geantwoord op de vraag of de Commissie ook het bewijs had geleverd dat de zes andere in dit besluit in aanmerking genomen contacten ook hadden plaatsgevonden.

    Ofschoon het Gerecht niet verplicht is om zich op het exacte aantal van de jegens de bestrafte onderneming in aanmerking genomen bilaterale contacten te baseren om de ernst van de inbreuk te beoordelen en het bedrag van de geldboete vast te stellen, kan dit immers niettemin een van de relevante factoren vormen.

    Wanneer het Gerecht de evenredigheid van de geldboete niet toetst aan het door deze rechterlijke instantie jegens de bestrafte onderneming in aanmerking genomen aantal contacten en niet motiveert waarom het een dergelijke toetsing achterwege heeft gelaten, is er sprake van een onjuiste rechtsopvatting.

    (zie punten 193‑195, 205‑208)

  11.  De ernst van een inbreuk op artikel 101 VWEU moet op individuele basis worden beoordeeld. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten moet rekening worden gehouden met de duur van de inbreuk en met alle factoren die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de ernst ervan, zoals het gedrag van elk van de ondernemingen, de rol die elk van hen heeft gespeeld om te komen tot de onderling afgestemde feitelijke gedragingen, de winst die zij uit deze gedragingen hebben kunnen behalen, hun omvang, de waarde van de betrokken goederen en het gevaar dat dergelijke inbreuken opleveren voor de Europese Unie.

    Tot die factoren behoren ook het aantal en de intensiteit van de mededingingsverstorende gedragingen.

    Niettemin is het zo dat er geen dwingende of uitputtende lijst is van verplicht in aanmerking te nemen criteria in het kader van de beoordeling van de ernst van de inbreuk.

    Bovendien staat het de Commissie vrij, bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk in de zin van artikel 23 van verordening nr. 1/2003 of bij de aanpassing van het basisbedrag op grond van verzachtende of verzwarende omstandigheden, het relatieve gewicht van de deelname van een onderneming aan een inbreuk en de bijzondere omstandigheden van de zaak in aanmerking te nemen.

    (zie punten 196‑199)