Zaak C‑64/17
Saey Home & Garden NV/SA
tegen
Lusavouga-Máquinas e Acessórios Industriais SA
(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Tribunal da Relação do Porto)
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Artikel 25 – Bestaan van een forumkeuzebeding – Mondelinge overeenkomst zonder schriftelijke bevestiging – Beding in de algemene verkoopvoorwaarden vermeld op facturen – Artikel 7, punt 1, onder b) – Distributieovereenkomst tussen in twee verschillende lidstaten gevestigde vennootschappen betreffende de markt van een derde lidstaat – Artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje – Bepaling van het bevoegde gerecht – Plaats van uitvoering van de kenmerkende verbintenis van een dergelijke overeenkomst”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 8 maart 2018
Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken–Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken–Verordening nr. 1215/2012–Aanwijzing van de bevoegde rechter–Overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter–Instemming van de partijen–Vormvereisten–Schriftelijke vorm–Beding in algemene verkoopvoorwaarden die op door een van de contractanten uitgereikte facturen zijn vermeld–Formele vereisten niet vervuld
(Verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad, art. 25, lid 1)
Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken–Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken–Verordening nr. 1215/2012–Bijzondere bevoegdheden–Artikel 7, punt 1, onder b)–Distributieovereenkomst–Mogelijkheid om deze overeenkomst volgens de kenmerkende verbintenis ervan als een overeenkomst tot koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken of als een overeenkomst tot verrichting van diensten aan te merken–Beoordeling door de nationale rechterlijke instantie–Beoordelingscriteria
[Verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, punt 1, b)]
Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken–Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken–Verordening nr. 1215/2012–Bijzondere bevoegdheden–Artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje–Begrip „verrichting van diensten”–Exclusieve of quasi-exclusieve distributieovereenkomst–Daaronder begrepen
[Verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, punt 1, b), tweede streepje]
Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken–Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken–Verordening nr. 1215/2012–Bijzondere bevoegdheden–Bevoegdheid inzake verbintenissen uit overeenkomst–Gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is of moet worden uitgevoerd–Vordering tot schadevergoeding in verband met een distributieovereenkomst voor de verkoop van producten in een andere lidstaat dan de lidstaten waar de vestigingen van de contractanten zich bevinden–Gerecht van de lidstaat van de plaats waar de uit de overeenkomst voortvloeiende diensten hoofdzakelijk worden verricht of, bij gebreke daarvan, van de plaats waar de overeenkomst daadwerkelijk wordt uitgevoerd of, bij gebreke daarvan, van de woonplaats van de dienstverrichter
[Verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, punt 1, onder b), tweede streepje]
Artikel 25, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat, onder voorbehoud van door de verwijzende rechter te verrichten controles, een forumkeuzebeding als dat in het hoofdgeding, dat is vervat in algemene verkoopvoorwaarden die op door een van de contractanten uitgereikte facturen zijn vermeld, niet voldoet aan de vereisten van die bepaling.
(zie punt 32, dictum 1)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punten 34‑40)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punt 41)
Artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat het gerecht dat krachtens deze bepaling bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot schadevergoeding in verband met de beëindiging van een distributieovereenkomst, gesloten tussen twee in twee verschillende lidstaten gevestigde en werkzame vennootschappen, voor het verhandelen van producten op de markt van een derde lidstaat, op het grondgebied waarvan geen van deze vennootschappen een filiaal of vestiging heeft, het gerecht is van de lidstaat van de plaats waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht, zoals deze plaats blijkt uit de bepalingen van de overeenkomst, alsmede, bij gebreke van dergelijke bepalingen, uit de daadwerkelijke uitvoering van deze overeenkomst en, indien de plaats op die grondslag niet kan worden bepaald, de woonplaats van de dienstverrichter.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat, wanneer er meer dan één plaats van uitvoering van de kenmerkende verbintenis van een overeenkomst tot verrichting van diensten is, onder plaats van uitvoering van de overeenkomst in de zin van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 moet worden verstaan de plaats die de nauwste band tussen deze overeenkomst en het bevoegde gerecht verzekert, welke nauwste band in de regel aanwezig is op de plaats waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht (zie in die zin arrest van 11 maart 2010, Wood Floor Solutions Andreas Domberger, C‑19/09, EU:C:2010:137, punten 33 en 34).
Bijgevolg is het gerecht dat op grond van deze bepaling bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen uit een overeenkomst tot verrichting van diensten die in verschillende lidstaten worden verricht, het gerecht van de lidstaat van de plaats waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht, zoals die blijkt uit de bepalingen van de overeenkomst, alsmede, bij gebreke van dergelijke bepalingen, uit de daadwerkelijke uitvoering van de overeenkomst en, indien de plaats op die grondslag niet kan worden bepaald, de woonplaats van de dienstverrichter (zie in die zin arrest van 11 maart 2010, Wood Floor Solutions Andreas Domberger, C‑19/09, EU:C:2010:137, punt 43).
(zie punten 44, 45, 47, dictum 2)