CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 22 maart 2018 ( 1 )

Zaak C‑390/17 P

Irit Azoulay,

Andrew Boreham,

Mirja Bouchard,

Darren Neville

tegen

Europees Parlement

„Hogere voorziening – Ambtenarenrecht – Beloning – Gezinstoelage – Schooltoelage – Weigering van vergoeding van de schoolkosten – Autonome uitlegging van het begrip schoolkosten – Artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren”

I. Inleiding

1.

Net als bepaalde lidstaten, die een gezinsbeleid voeren dat een financieel aspect omvat, betalen de instellingen van de Europese Unie gezinstoelagen aan hun personeel. Deze toelagen omvatten een kostwinnerstoelage, toegekend aan ambtenaren die een gezin onderhouden, vermeerderd met een toelage voor ieder ten laste zijnd kind en een schooltoelage ter dekking van de kosten die de ambtenaar maakt om zijn of haar kind naar school te laten gaan. In de onderhavige zaak gaat het om de voorwaarden waaronder men aanspraak kan maken op deze laatste toelage.

2.

De voorwaarden voor het ontvangen van een schooltoelage zijn gewijzigd bij de herziening van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie in 2004. Aangaande het lager en middelbaar onderwijs werd deze toelage voorheen aan de ambtenaar uitgekeerd ( 2 ) zonder ermee rekening te houden welke instelling het kind bezocht. Bij de herziening is de voorwaarde ingevoerd dat het moet gaan om een instelling waar schoolgeld moet worden betaald om aanspraak te kunnen maken op een toelage. ( 3 ) Het doel was om „de schooltoelage in de toekomst meer op de reële uitgaven [af te stemmen]”. ( 4 )

3.

Omdat voor de door de kinderen van rekwiranten bezochte instelling geen schoolgeld moest worden betaald, heeft het Parlement in 2015 geweigerd hun de gevraagde schooltoelage toe te kennen, terwijl deze in de voorgaande jaren wel was uitgekeerd. Rekwiranten zijn van mening dat zij nog steeds recht hebben op de toelage.

4.

Dit meningsverschil vindt zijn oorsprong in de bijzondere wijze waarop de betrokken onderwijsinstellingen rekwiranten om een financiële bijdrage verzochten. Deze instellingen worden namelijk door de plaatselijke autoriteiten gesubsidieerd, waardoor zij verplicht zijn om gratis toegang te verlenen tot het onderwijs, zoals bepaald in de Belgische grondwet. ( 5 ) De betrokken instellingen maken echter voor hun financiering ook gebruik van verenigingen zonder winstoogmerk, waarmee zij verbonden zijn en waaraan de ouders van leerlingen wordt gevraagd financieel bij te dragen. Rekwiranten wensen deze bijdrage vergoed te krijgen via de schooltoelage.

5.

Deze ambtenarenzaak is een van de eerste die aan het Hof wordt voorgelegd sinds de ontbinding van het Gerecht voor ambtenarenzaken en de terugkeer van de bevoegdheden daarvan naar het Gerecht. Het Hof wordt verzocht om vast te stellen of het Gerecht in de omstandigheden van de onderhavige zaak terecht heeft geoordeeld dat een dergelijke bijdrage niet kan worden vergoed door een schooltoelage.

II. Toepasselijke bepalingen

6.

Op de onderhavige zaak zijn de volgende bepalingen van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) ( 6 ) van toepassing.

7.

Overeenkomstig artikel 67, lid 1, onder c), van het Statuut, is de schooltoelage een van de gezinstoelagen waarop ambtenaren recht hebben in het kader van hun bezoldiging.

8.

Artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut preciseert de voorwaarden voor aanspraak op een schooltoelage:

„Onder de voorwaarden vastgelegd in de algemene uitvoeringsbepalingen, ontvangt de ambtenaar voor ieder te zijnen laste komend kind […] dat ten minste vijf jaar oud is en regelmatig volledig dagonderwijs volgt bij een instelling voor lager of middelbaar onderwijs waar schoolgeld moet worden betaald, of bij een instelling voor hoger onderwijs, een schooltoelage ten bedrage van de werkelijk door hem gedragen schoolkosten, tot ten hoogste 260,95 EUR[ ( 7 )] per maand. De voorwaarde dat schoolgeld moet worden betaald, geldt echter niet voor de vergoeding van de kosten van het vervoer van en naar de school.

[…]”

9.

Op grond van artikel 110 van het Statuut heeft het Parlement op 18 mei 2004 algemene uitvoeringsbepalingen vastgesteld betreffende de toekenning van de schooltoelage zoals bepaald in artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut (hierna: „AUB”). ( 8 ) In artikel 1 van de AUB wordt onderscheid gemaakt tussen de schooltoelage A, die forfaitair is en wordt uitgekeerd voor kinderen tot vijf jaar of kinderen die nog niet deelnemen aan het primair onderwijs, en schooltoelage B. Ten aanzien van deze laatste toelage bepaalt artikel 3 van de AUB het volgende:

„Binnen de grens voorzien in artikel 3, lid 1, eerste en derde alinea, van bijlage VII bij het Statuut, is schooltoelage B bestemd voor:

a)

de kosten van inschrijving en het bezoek aan de onderwijsinstellingen

b)

de vervoerskosten

met uitsluiting van alle andere kosten, en met name:

verplichte kosten, zoals die voor de aankoop van boeken, schoolmateriaal, sportuitrusting, dekking van een schoolverzekering en ziektekosten, examenkosten, kosten voor gemeenschappelijke externe schoolactiviteiten (zoals excursies, bezoeken en schoolreizen, sportcursussen etc.), alsmede andere kosten in verband met het volgen van het schoolprogramma van de bezochte onderwijsinstelling,

kosten die zijn ontstaan door de deelneming van het kind aan skikampen, schoolkampen aan zee of lessen in de buitenlucht alsmede soortgelijke activiteiten.”

III. Voorgeschiedenis van het geding en procedure bij het Gerecht

10.

Rekwiranten zijn in België wonende tijdelijke functionarissen of ambtenaren van het Europees Parlement. Hun kinderen gaan naar scholen ( 9 ) die alle door de Franse Gemeenschap van België worden gesubsidieerd, echter niet kostendekkend. De twee betrokken instellingen beschikken ook over eigen middelen, die met name worden verstrekt door verenigingen zonder winstoogmerk (hierna: „verenigingen”). De ouders van leerlingen wordt gevraagd om een bijdrage aan deze verenigingen.

11.

Tot en met het schooljaar 2013/2014 heeft het Parlement de bijdragen die aan de verenigingen waren betaald door rekwiranten, van wie de kinderen deze instellingen al bezochten, tot het maximumbedrag als schoolkosten vergoed. Op 24 april 2015 heeft het Parlement de verzoeken om vergoeding van de door rekwiranten voor het schooljaar 2014/2015 aan de verenigingen betaalde bijdragen afgewezen, op grond dat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut (hierna: „besluiten tot afwijzing” of „afwijzingsbesluiten”). Volgens het Parlement waren de twee betrokken scholen geen instellingen waar schoolgeld moet worden betaald in de zin van die bepaling, daar de optionele bijdragen van rekwiranten aan de verenigingen buiten het kader van het verplichte gratis onderwijs vielen zoals voorzien in de Belgische wet.

12.

Hoewel de klachten van rekwiranten tegen deze besluiten eveneens zijn afgewezen, op 17 en 19 november 2015, heeft het Parlement besloten om hun bij wijze van coulance en uitzondering, de schooltoelage voor het jaar 2014/2015 toe te kennen, doch deze niet meer toe te kennen voor de komende schooljaren aan de betrokken instellingen.

13.

Op 17 februari 2016 hebben rekwiranten verzocht om nietigverklaring van de afwijzingsbesluiten van het Parlement, met uitzondering van de bij wijze van coulance en uitzondering toegekende schooltoelage voor het jaar 2014/2015, en om veroordeling van laatstgenoemde tot betaling van de schooltoelage voor het jaar 2015/2016. Ter onderbouwing van hun beroep hebben rekwiranten drie middelen aangevoerd, ontleend aan, ten eerste, overtreding van artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut en een duidelijke beoordelingsfout, ten tweede schending van het vertrouwensbeginsel en ten derde schending van het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van behoorlijk bestuur.

14.

In zijn arrest van 28 april 2017 (hierna: „bestreden arrest”) ( 10 ) heeft het Gerecht alle middelen verworpen en bijgevolg ook de vorderingen tot nietigverklaring van de afwijzingsbesluiten. Gelet op deze verwerping heeft het Gerecht geoordeeld dat het niet meer nodig was om uitspraak te doen over de conclusie strekkende tot veroordeling van het Parlement tot betaling van de schooltoelage voor het jaar 2015/2016.

IV. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

15.

Bij memorie van 28 juni 2017 hebben rekwiranten de onderhavige hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht.

16.

Rekwiranten verzoeken het Hof:

het bestreden arrest te vernietigen;

de vorderingen toe te wijzen die rekwiranten in het kader van het beroep in zaak T‑580/16 ( 11 ) in eerste aanleg hebben geformuleerd;

de verwerende partij te verwijzen in alle kosten.

17.

Het Parlement verzoekt het Hof:

de hogere voorziening ongegrond te verklaren;

rekwiranten te verwijzen in de kosten.

18.

De hogere voorziening is voor het Hof schriftelijk behandeld.

V. Juridische beoordeling

19.

Rekwiranten zijn van mening dat het bestreden arrest op verschillende punten blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, onder meer een onjuiste opvatting van de feiten en ontbrekende motivering. Meer in het bijzonder heeft het Gerecht, in de eerste plaats, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten onjuist opgevat door de verwerping van een autonome, uniforme uitlegging van het begrip schoolkosten in de rechtsorde van de Unie. ( 12 ) In de tweede plaats zou het Gerecht in het bestreden arrest feitelijk onjuiste vaststellingen hebben gedaan. ( 13 ) In de derde plaats zou het Gerecht blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de vaste rechtspraak inzake de regel van overeenstemming tussen klacht en beroep. ( 14 ) Tot slot zou het Gerecht bij het behandelen van het middel inzake de beginselen van gelijke behandeling en behoorlijk bestuur niet hebben voldaan aan zijn motiveringsplicht. ( 15 )

A.  Ontvankelijkheid

20.

Ik wijs erop dat rekwiranten voor het Gerecht verzocht hebben om nietigverklaring van de besluiten tot afwijzing van hun aanvraag tot vergoeding van de schoolkosten voor het jaar 2014/2015. In de afwijzende besluiten op bezwaar, waarvan rekwiranten eveneens nietigverklaring hebben gevorderd met uitzondering van het hierna vermelde punt, heeft het Parlement hen echter bij wijze van coulance en uitzondering de schooltoelage ook voor dat jaar toegekend. Verzoekers hebben derhalve wel degelijk de gevorderde toelage ontvangen.

21.

Aangaande de schooljaren daarna heeft het Parlement – uitsluitend in de afwijzende besluiten op bezwaar – aangegeven dat de schooltoelage niet meer aan rekwiranten zou worden toegekend voor de komende schooljaren. ( 16 )

22.

Het Gerecht heeft geoordeeld dat de afwijzende besluiten op bezwaar geen autonoom karakter hadden en dat het dus slechts geroepen was te oordelen over de afwijzingsbesluiten zelf ( 17 ), die uitsluitend betrekking hadden op het schooljaar 2014/2015. Dit punt is door rekwiranten in hun hogere voorziening niet bestreden.

23.

Wat met name het schooljaar 2015/2016 betreft, hebben rekwiranten bovendien voor het Gerecht verzocht om veroordeling van het Parlement tot betaling van de schooltoelage voor dat jaar. Het Parlement heeft voor het Gerecht aangevoerd dat dat verzoek niet-ontvankelijk was, omdat de administratie de schooltoelage slechts voor één schooljaar toekent en omdat rekwiranten voorafgaand aan hun beroep de administratieve procedure hadden moeten volgen. ( 18 )

24.

Het Gerecht heeft geoordeeld dat, gelet op de afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van de afwijzingsbesluiten (betreffende het schooljaar 2014/2015), er geen uitspraak behoefde te worden gedaan over het verzoek aangaande het schooljaar 2015/2016. ( 19 ) Ook dit punt hebben rekwiranten niet bestreden in hun hogere voorziening.

25.

In deze omstandigheden, en indien het Hof het nodig acht om ambtshalve de met het procesbelang verband houdende voorwaarde van de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring voor het Gerecht te onderzoeken ( 20 ), ben ik van mening dat rekwiranten belang hebben om op te komen tegen de afwijzingsbesluiten voor het schooljaar 2014/2015, hetgeen voldoende is om de ontvankelijkheid van het beroep te rechtvaardigen. Het is juist dat zij voor dat jaar de schooltoelage hebben ontvangen. De vergoeding die rekwiranten feitelijk hebben ontvangen, werd hun echter toegekend uit hoofde van een uitzonderlijke maatregel die het Parlement bij wijze van coulance heeft vastgesteld ter compensatie van de te trage behandeling van hun verzoeken. ( 21 ) De afwijzingsbesluiten, die een definitieve standpuntbepaling van de administratie jegens hen bevatten, zijn evenwel niet ingetrokken, en bepalen hun rechten. Verzoekers hebben dus nog steeds een belang om op te komen tegen deze besluiten, die voor hen bezwarend zijn omdat hun het recht op schooltoelage wordt ontzegd.

26.

Het Parlement heeft de ontvankelijkheid van de hogere voorziening niet betwist en ik zie geen reden om ambtshalve de niet-ontvankelijkheid ervan aan te voeren.

B.  Eerste middel: onjuiste rechtsopvatting en onjuiste opvatting van de feiten bij de uitlegging van het begrip „schoolkosten”

1. Autonome uitlegging van het begrip „schoolkosten”

27.

Rekwiranten verwijten het Gerecht dat het geen autonome en uniforme uitlegging aan het begrip „schoolkosten” binnen de rechtsorde van de Unie heeft gegeven. Zij halen rechtspraak van het Hof aan op grond waarvan ambtenaren overeenkomstig artikel 1 bis van het Statuut recht hebben op gelijke behandeling bij de toepassing van het Statuut, hetgeen in de regel een autonome en uniforme uitlegging van het Statuut in de gehele Unie vergt. Bij deze uitlegging dient rekening te worden gehouden met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling. ( 22 )

28.

Wat met name de schoolkosten betreft, verwijzen rekwiranten naar het arrest Bovagnet/Commissie om te betogen dat, als het om vergoedingen gaat, dit begrip niet mag afhangen van op nationaal niveau bestaande benamingen of kwalificaties, maar uitsluitend van de aard en bestanddelen van de te vergoeden kosten. ( 23 ) Volgens rekwiranten heeft het Gerecht dit begrip echter uitgelegd in het licht van de Belgische wetgeving.

29.

De argumenten van rekwiranten overtuigen mij niet. Evenals het Parlement ben ik van mening dat het Gerecht een autonome uitlegging van het begrip „schoolkosten” heeft gehanteerd, die rekening houdt met de doelstelling van de schooltoelage en die niet afhankelijk is van nationale kwalificaties.

30.

Zo definieert het Gerecht in punt 30 van het bestreden arrest de „schoolkosten” die voor vergoeding in de vorm van de schooltoelage in aanmerking komen als de kosten waardoor een leerling toegang tot de onderwijsinstelling krijgt (inschrijvingskosten) en de kosten om de lessen te kunnen volgen en zinvol deel te kunnen nemen aan de programma’s van die onderwijsinstelling (kosten van het schoolbezoek).

31.

Dit is dezelfde definitie als die welke het Gerecht voor ambtenarenzaken heeft gegeven in het arrest Bovagnet/Commissie ( 24 ), waar de feiten in een andere nationale context plaatsvonden, aangezien de betreffende onderwijsinstelling in Luxemburg was gevestigd.

32.

Bij het onderzoek of de door rekwiranten gemaakte kosten bestemd waren voor inschrijving en schoolbezoek in de zin van het arrest Bovagnet/Commissie ( 25 ), heeft het Gerecht in punten 31 en 32 van het bestreden arrest vastgesteld dat de inschrijving bij de betrokken instellingen en de deelname aan het daar aangeboden onderwijs niet afhingen van het betalen van een geldbedrag dat de kosten voor inschrijving en schoolbezoek dekt. Evenzo leidde het niet betalen van de door de verenigingen gevraagde bijdrage niet tot het weigeren van de inschrijving of het uitsluiten van de leerling. Met andere woorden: deze instellingen eisten niet dat er een geldbedrag wordt betaald om de kinderen in te schrijven en de lessen te laten volgen, en de ouders waren niet verplicht om kosten te betalen. Het Gerecht kwam op basis daarvan tot de conclusie dat de door rekwiranten gemaakte kosten niet konden worden aangemerkt als schoolkosten.

33.

Het Gerecht heeft de schoolkosten in de zin van artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut daarmee aldus uitgelegd dat de ambtenaar deze verplicht moet betalen om zijn kind bij een bepaalde instelling in te kunnen schrijven en het daar les te laten volgen.

34.

Deze voorwaarde is reeds gesteld in het arrest Bovagnet/Commissie. Voor vergoeding in aanmerking komende kosten werden daarin gedefinieerd als kosten die een voorwaarde vormen voor de inschrijving bij de school en het lesprogramma daarvan, dus voor het onderwijs, en waarvan betaling aldus verplicht is. ( 26 )

35.

Deze uitlegging beantwoordt aan de vereisten van het Statuut. Zoals het Parlement in herinnering brengt moeten de bepalingen van het Unierecht die aanspraak bieden op financiële prestaties immers strikt worden uitgelegd. ( 27 )

36.

Vergoeding van een door de ambtenaar facultatief en vrijwillig betaalde bijdrage voldoet niet aan dit vereiste van strikte uitlegging. Een dergelijke vergoeding zou bovendien indruisen tegen de wil van de wetgever, die bij de herziening van het Statuut in 2004 vergoeding van de kosten afhankelijk heeft gemaakt van de voorwaarde dat het kind een instelling bezoekt waar schoolgeld moet worden betaald ( 28 ) en de toekenning van forfaitaire schooltoelagen aan ambtenaren heeft afgeschaft ( 29 ). De schooltoelage kan op grond van het Statuut dus niet worden beschouwd als een aanvulling op de bezoldiging, die de ambtenaar vrij kan besteden, bijvoorbeeld door het betalen van vrijwillige bijdragen of het doen van giften.

37.

Het Gerecht heeft het begrip „schoolkosten” niet volgens het Belgische recht uitgelegd. Het Gerecht vermeldt ( 30 ) weliswaar een nationale circulaire van de Franse Gemeenschap van België getiteld „De kosteloosheid van de toegang tot het verplichte onderwijs” ( 31 ), maar het doet dit slechts als ondersteunende aanwijzing voor de vaststelling, die door rekwiranten niet wordt bestreden, dat de instellingen hen geen kosten oplegden voor de inschrijving of het schoolbezoek. Het Gerecht geeft namelijk aan dat deze circulaire, die van toepassing is op de betrokken instellingen, bepaalt dat een gesubsidieerde instelling de inschrijving niet afhankelijk kan stellen van de betaling van een geldbedrag, en dat het niet-betalen van de kosten die een instelling kan vragen ( 32 ) geen gevolgen mag hebben voor het bezoeken van de instelling door de betrokken leerling.

38.

Om vast te stellen of de gemaakte kosten, die rekwiranten vergoed willen krijgen, een voorwaarde vormen voor inschrijving van hun kinderen bij de betrokken instellingen, heeft het Gerecht dus verwezen naar het Belgische recht als relevante aanwijzing, niet als beslissend criterium. ( 33 ) Dit blijkt ook uit het gebruik van het bijwoord „overigens”. ( 34 )

39.

Rekwiranten zijn van mening dat de strikte uitlegging van het Gerecht vergoeding van de schoolkosten afhankelijk maakt van de verschillende onderwijssystemen van de lidstaten.

40.

Dit is onjuist. Niet de vergoeding van de schoolkosten kan variëren van de ene tot de andere lidstaat, of van de ene instelling tot de andere, maar het bestaan zelf en het bedrag van de te vergoeden schoolkosten.

41.

Wanneer een instelling de inschrijving en het schoolbezoek van een leerling afhankelijk maakt van het betalen van kosten, wordt de vergoeding daarvan dus, overeenkomstig het arrest Bovagnet/Commissie ( 35 ), bepaald door de aard en de bestanddelen van die kosten, onafhankelijk van nationale benamingen of classificaties. Wanneer daarentegen de instelling de inschrijving en het schoolbezoek van een leerling niet afhankelijk maakt van het betalen van kosten, ongeacht de reden daarvoor, kan de betrokken ambtenaar geen aanspraak maken op een schooltoelage.

42.

Rekwiranten zijn vervolgens van mening dat er bij een autonome uitlegging rekening moet worden gehouden met het feit dat de betrokken instellingen zonder de aan hen gevraagde bijdragen niet in staat zouden zijn om het specifieke onderwijs dat voor de rekwiranten de reden vormde om hun kinderen in die instellingen in te schrijven, te financieren. De bijdragen vormen derhalve door rekwiranten daadwerkelijk gedane uitgaven voor het onderwijs van hun kinderen.

43.

Door te oordelen dat de schoolkosten niet alle kosten dekken die daadwerkelijk voor het onderwijs worden gemaakt, maar uitsluitend de kosten die een instelling verplicht stelt als inschrijvings‑ en leskosten, heeft het Gerecht dit begrip echter in overeenstemming met de bewoordingen en de doelstelling van de toepasselijke bepalingen van het Statuut uitgelegd.

44.

Ten slotte zijn rekwiranten van mening dat het Gerecht het autonome en statutaire begrip „schoolkosten” aanzienlijk beperkt, door in punt 40 van het bestreden arrest de betaalde bijdragen gelijk te stellen met „andere kosten” in de zin van artikel 3 van de AUB. Volgens rekwiranten heeft het Gerecht geoordeeld dat de betaalde bijdragen in de categorie „andere kosten” vallen om de enkele reden dat deze geen verband houden met het officiële Belgische onderwijsprogramma.

45.

Dat is niet mijn lezing van het arrest van het Gerecht. Na om de hierboven uiteengezette redenen ( 36 ) tot de slotsom te zijn gekomen dat de betaalde bijdragen geen voor vergoeding in aanmerking komende schoolkosten zijn, heeft het Gerecht deze door uitsluiting ondergebracht in de restcategorie „andere kosten”, die niet voor vergoeding in aanmerking komen. De opsomming van de gevallen die onder deze categorie vallen is niet uitputtend, zodat het Gerecht deze terecht kon beschouwen als „andere kosten in verband met het volgen van het schoolprogramma van de bezochte onderwijsinstelling” ( 37 ).

46.

Deze grief moet dus worden afgewezen.

2. Onjuiste opvatting van de feiten

47.

Rekwiranten betogen dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat, door in punt 31 van het bestreden arrest te stellen dat de betaling van schoolkosten door de verenigingen niet in overeenstemming met het Belgische recht is.

48.

Van een dergelijke onjuiste opvatting is sprake wanneer, zonder gebruik te maken van nieuwe elementen, de beoordeling van de bestaande elementen kennelijk onjuist blijkt te zijn. ( 38 )

49.

In casu is niet gebleken van een dergelijke onjuiste opvatting van het nationale recht, aangezien rekwiranten niet hebben aangetoond dat de betrokken circulaire niet bindend was, en evenmin dat de beoordeling van het Gerecht kennelijk strijdig is met de inhoud ervan. In het bijzonder hebben zij niet aangetoond, tot staving van hun argument, dat de instellingen of de verenigingen betaling van kosten in verband met het specifieke leerplan van die instellingen mogen vorderen.

50.

Ook deze grief moet dus worden afgewezen.

51.

Bijgevolg is het eerste middel in zijn geheel ongegrond.

C.  Tweede middel: feitelijk onjuiste vaststellingen

52.

Rekwiranten zijn van mening dat de behandeling in het bestreden arrest van hun middel inzake schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen feitelijk onjuiste vaststellingen bevat. Volgens hen zou het Gerecht zich hebben uitgesproken over de vraag, of het door het Parlement opgestelde formulier, in te vullen door de betrokken instellingen, het bestaan van inschrijvingskosten aantoonde. Het Gerecht zou zich daarentegen niet hebben uitgesproken over het bestaan van een vaste praktijk van het Parlement, die bij rekwiranten een gewettigd vertrouwen had doen ontstaan.

53.

In de punten 44 en 45 van het bestreden arrest heeft het Gerecht echter wel degelijk antwoord gegeven op het middel van rekwiranten inzake schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen. Na te hebben herinnerd aan de drie voorwaarden om een beroep te kunnen doen op bescherming van gewettigd vertrouwen, heeft het Gerecht geoordeeld dat, zelfs indien de administratie nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen zou hebben gedaan, deze geen gewettigd vertrouwen voor rekwiranten hadden kunnen wekken aangezien zij niet in overeenstemming zouden zijn met de bepalingen van het Statuut.

54.

Het antwoord van het Gerecht op dit middel wordt overigens geschraagd door vaste rechtspraak. ( 39 )

55.

In dit verband wordt het aan de betrokken instellingen gezonden formulier, waarvan het Gerecht heeft aangegeven dat er niet uit kan worden afgeleid dat rekwiranten inschrijvingsgeld hadden betaald, in punt 46 van het bestreden arrest uitsluitend genoemd als antwoord op het argument van partijen dat het verzenden van dat formulier vergezeld was gegaan van toezeggingen die bij hen een gewettigd vertrouwen hebben gewekt.

56.

Het tweede middel is dus kennelijk ongegrond.

D.   Derde middel: onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de rechtspraak inzake de regel van overeenstemming tussen klacht en beroep

57.

Rekwiranten voeren aan dat het Gerecht, door in punt 47 van het bestreden arrest hun argument ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het niet in de klacht was aangevoerd, de rechtsspraak betreffende overeenstemming tussen klacht en beroep heeft miskend.

58.

Volgens rekwiranten heeft het Parlement pas in de afwijzende besluiten op bezwaar gesteld dat de schooltoelage jaarlijks wordt geëvalueerd. Zij halen rechtspraak aan waarin een uitzondering wordt bepaald op de regel van overeenstemming tussen klacht en beroep: wanneer de klager kennis neemt van de motivering van het voor hem bezwarende besluit door middel van het antwoord op zijn klacht, moet elk middel dat voor het eerst in het stadium van het verzoekschrift wordt aangevoerd en dat de gegrondheid van de motivering in het antwoord op de klacht beoogt te betwisten, ontvankelijk worden geacht. ( 40 ) Volgens rekwiranten konden zij dus op goede gronden voor het eerst in hun verzoekschrift aanvoeren dat het prerogatief van het Parlement om de schooltoelage jaarlijks te evalueren, strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel.

59.

Het Parlement brengt daartegen in, dat de afwijzende besluiten op bezwaar geen motivering bevatten die de motivering in de afwijzingsbesluiten substantieel wijzigt of aanvult.

60.

Wat dit betreft is het juist dat het Parlement voor het eerst in zijn antwoord op het bezwaar van rekwiranten heeft verklaard dat de schooltoelage jaarlijks wordt geëvalueerd. Deze verklaring dient echter ter ondersteuning van zijn argument dat het aan rekwiranten geen nauwkeurige en onvoorwaardelijke toezeggingen had gedaan betreffende het toekennen van de schooltoelage. Het Parlement heeft dus als antwoord op het middel ontleend aan schending van het gewettigd vertrouwen, dat door rekwiranten was aangevoerd in hun bezwaar, gesteld dat de schooltoelage jaarlijks wordt geëvalueerd. Dit argument vormt geen motivering van de afwijzingsbesluiten die pas in het stadium van het besluit op bezwaar is aangevoerd, maar een reden waarom er geen gewettigd vertrouwen kon ontstaan bij rekwiranten.

61.

Het arrest waarnaar rekwiranten verwijzen is bovendien gewezen in omstandigheden waarin de administratie in de afwijzing van het bezwaar was afgeweken van de motivering in haar oorspronkelijke besluit, en andere motieven had aangevoerd. ( 41 ) Hier is dat echter niet gebeurd. De grond voor afwijzing van het verzoek om vergoeding is dezelfde in de oorspronkelijke besluiten als in de besluiten op bezwaar: De betrokken instellingen kunnen niet worden aangemerkt als instellingen waarvoor schoolgeld moet worden betaald in de zin van het Statuut, en voldoen dus niet aan de voorwaarden om een schoolvergoeding toe te kunnen kennen aan rekwiranten.

62.

Hieruit volgt dat het Gerecht, door de argumentatie van rekwiranten betreffende het rechtszekerheidsbeginsel niet-ontvankelijk te verklaren omdat deze niet in het bezwaar was aangevoerd, de rechtspraak inzake de regel van overeenstemming tussen het administratieve bezwaar en het beroep niet heeft miskend.

63.

Bijgevolg is het derde middel ongegrond.

E.   Vierde middel: schending van de motiveringsplicht

64.

Rekwiranten stellen dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door in punt 56 van het bestreden arrest te verklaren dat het eerste onderdeel van hun derde middel, ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling, niet kon slagen.

65.

Rekwiranten hebben voor het Gerecht aangevoerd dat ambtenaren van een andere instelling van de Unie nog steeds de schoolkosten voor hun kinderen, die dezelfde instellingen bezochten, vergoed kregen. Rekwiranten waren van mening dat zij op grond van dezelfde voorschriften van het Statuut ongelijk werden behandeld.

66.

Het Gerecht heeft, weliswaar kort, in twee fasen geantwoord op deze grief. Na te hebben herinnerd aan de grondslagen en de inhoud van het beginsel van gelijke behandeling, heeft het in punt 55 van het bestreden arrest onderstreept dat dit beginsel verenigbaar moet zijn met de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel. Bijgevolg en overeenkomstig vaste rechtspraak ( 42 ), kan een ambtenaar zich niet te eigen voordele beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren. Nadat het Gerecht ook had vastgesteld dat de vergoeding van kosten zoals die welke door rekwiranten waren gemaakt, niet in overeenstemming was met de bepalingen van het Statuut, heeft het hieruit afgeleid dat rekwiranten geen beroep konden doen op deze onrechtmatigheid die andere ambtenaren ten gunste zou komen.

67.

Het Gerecht kwam dan ook tot de conclusie dat de grief inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling faalt.

68.

Het lijkt me niet dat het Gerecht hiermee de motiveringsplicht, voortvloeiende uit artikel 36 en 53 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, heeft geschonden. Deze plicht houdt niet in dat alle door de procespartijen naar voren gebrachte argumenten op uitputtende wijze een voor een dienen te worden besproken. De motivering van het arrest dient belanghebbenden de gelegenheid te bieden om kennis te nemen van de gronden waarop het Gerecht geen gehoor heeft gegeven aan hun argumenten, en aan het Hof om over voldoende materiaal te beschikken voor het uitoefenen van zijn toetsing. ( 43 ) Dit is in casu het geval. De motivering van het Gerecht in de punten 55 en 56 van het bestreden arrest biedt de gelegenheid te begrijpen waarom het Gerecht heeft geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet ter zake dienend was en het niet nodig achtte om in te gaan op het geheel van de argumenten betreffende de eerbiediging van dit beginsel.

69.

Rekwiranten voeren vervolgens aan dat het Gerecht zich niet heeft uitgesproken over de vermeende schending van artikel 22 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, dat de Unie verplicht om de culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid te eerbiedigen. Mijns inziens hebben rekwiranten deze bepaling weliswaar vermeld in hun verzoekschrift aan het Gerecht in het kader van het tweede onderdeel van het derde middel, met betrekking tot schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, maar in te hypothetische en algemene bewoordingen om als klacht betreffende de schending ervan te kunnen worden beschouwd. Het Gerecht kan dus niet worden verweten dat het zich hierover niet heeft uitgesproken.

70.

Uit het voorgaande volgt, dat het vierde middel mijns inziens eveneens ongegrond moet worden verklaard, en dat derhalve de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.

VI. Kosten

71.

Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat van toepassing is op de procedure in hogere voorziening overeenkomstig artikel 184, lid 1, van dit Reglement, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.

72.

Aangezien het Parlement heeft geconcludeerd tot verwijzing van rekwiranten in de kosten en deze in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij te worden verwezen in hun eigen kosten en in die van het Parlement.

VI. Conclusie

73.

In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:

„1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Irit Azoulay, Andrew Boreham, Mirja Bouchard en Darren Neville worden verwezen in hun eigen kosten en in die van het Europees Parlement.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) De toelage werd als forfaitaire som uitgekeerd. De uitkering aan de rechthebbende ambtenaren is over 5 jaar geleidelijk afgeschaft [artikel 16 van bijlage XIII bij het Statuut van ambtenaren, zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB 2004, L 124, blz. 84)].

( 3 ) Artikel 3, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut van ambtenaren, zoals gewijzigd bij verordening nr. 723/2004. De voorwaarde dat het moet gaan om een school waar schoolgeld moet worden betaald, is echter niet van toepassing voor het bezoeken van instellingen voor hoger (of universitair) onderwijs. In die gevallen wordt de toelage uitgekeerd als maandelijkse forfaitaire vergoeding ter hoogte van het maximumbedrag.

( 4 ) Overweging 26 van verordening nr. 723/2004.

( 5 ) Artikel 24, lid 3, van de Belgische grondwet.

( 6 ) In de versie ervan die van toepassing is sinds 1 januari 2014.

( 7 ) Ten tijde van de feiten gold dit bedrag. Nu is het bedrag 273,60 EUR.

( 8 ) Tekst die gold op de datum van het bestreden arrest van het Gerecht. De thans geldende versie is vastgesteld op 18 november 2016. De bewoordingen van artikel 5, met als opschrift „Schoolkosten”, zijn die van het oude artikel 3.

( 9 ) Het gaat om het Athénée Ganenou te Brussel en de École internationale Le Verseau te Bierges, beiden in België. De eerste school is een confessionele school die naast het onderwijsprogramma van de Franse Gemeenschap van België een aantal uur per week besteed aan lessen Hebreeuws, geschiedenis van het jodendom, de bijbel en Engels, vanaf het basisonderwijs. De tweede school is een niet-confessionele school waar de lessen vanaf het kleuteronderwijs worden gegeven in het Frans en het Engels door leerkrachten wier moedertaal dat is.

( 10 ) Arrest van het Gerecht van 28 april 2017, Azoulay e.a./Parlement (T‑580/16, EU:T:2017:291).

( 11 ) Arrest van het Gerecht van 28 april 2017, Azoulay e.a./Parlement (T‑580/16, EU:T:2017:291).

( 12 ) Deze kritiek ziet op de punten 31‑36, 38 en 40 van het bestreden arrest.

( 13 ) Deze kritiek ziet op de punten 45 en 46 van het bestreden arrest.

( 14 ) Deze kritiek ziet op punt 47 van het bestreden arrest.

( 15 ) Deze kritiek ziet op de punten 55 en 56 van het bestreden arrest.

( 16 ) Zolang als de betrokken instellingen niet aan de voorwaarden voor toekenning van de schooltoelage voldoen.

( 17 ) Punt 12 van het bestreden arrest.

( 18 ) Punten 68‑74 van het verweerschrift van het Parlement voor het Gerecht.

( 19 ) Punt 65 van het bestreden arrest.

( 20 ) Zie voor de bevoegdheid van het Hof om ambtshalve voor het eerst in hogere voorziening de niet-ontvankelijkheid van het beroep voor het Gerecht aan te voeren, het arrest van het Hof van 23 april 2009, Sahlstedt e.a./Commissie (C‑362/06 P, EU:C:2009:243, punt 22).

( 21 ) Punten 66 en 67 van het verweerschrift van het Parlement voor het Gerecht.

( 22 ) Rekwiranten verwijzen in dit verband naar het arrest van het Hof van 15 oktober 2015, Axa Belgium (C‑494/14, EU:C:2015:692, punten 21 en 24).

( 23 ) Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 8 september 2011, Bovagnet/Commissie (F‑89/10, EU:F:2011:129, punt 22).

( 24 ) Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 8 september 2011, Bovagnet/Commissie (F‑89/10, EU:F:2011:129, punt 23).

( 25 ) Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 8 september 2011, Bovagnet/Commissie (F‑89/10, EU:F:2011:129, punt 23).

( 26 ) Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 8 september 2011, Bovagnet/Commissie (F‑89/10, EU:F:2011:129, punten 26 en 27).

( 27 ) Arresten van het Gerecht van 30 november 1994, Dornonville de la Cour/Commissie (T‑498/93, EU:T:1994:278, punt 38en aangehaalde rechtspraak), en het Gerecht voor ambtenarenzaken van 30 juni 2015, Petsch/Commissie (F‑124/14, EU:F:2015:69, punt 33).

( 28 ) Dit geldt voor instellingen van lager en middelbaar onderwijs.

( 29 ) Zie punt 2 van deze conclusie.

( 30 ) Zie de punten 31, 33 en 36 van het bestreden arrest, die rekwiranten uitdrukkelijk hebben bestreden.

( 31 ) Circulaire nr. 4516 van 29 augustus 2013.

( 32 ) Het gaat bijvoorbeeld om kosten voor het zwembad en voor culturele en sportactiviteiten.

( 33 ) Zie voor het begrip „lager onderwijs” het arrest van het Gerecht van 29 juni 2004, Hivonnet/Raad (T‑188/03, EU:T:2004:194, punt 28), en voor het begrip „schoolkosten” het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 8 september 2011, Bovagnet/Commissie (F‑89/10, EU:F:2011:129, punt 21).

( 34 ) „Was dit wel het geval, dan zou dit overigens niet in overeenstemming zijn […] zoals blijkt uit circulaire nr. 4516” (punt 31 van het bestreden arrest), „zoals circulaire nr. 4516 overigens bevestigt” (punt 36 van het bestreden arrest).

( 35 ) Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 8 september 2011, Bovagnet/Commissie (F‑89/10, EU:F:2011:129, punten 22 en 23).

( 36 ) Punten 32‑36 van deze conclusie.

( 37 ) Zie punt 40 van het bestreden arrest.

( 38 ) Arrest van het Hof van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punt 37).

( 39 ) Arresten van het Hof van 6 februari 1986, Vlachou/Rekenkamer (162/84, EU:C:1986:56, punt 6); van het Gerecht van 27 maart 1990, Chomel/Commissie (T‑123/89, EU:T:1990:24, punten 2530), en van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 7 juli 2015, Kur/Commissie (F‑53/14, EU:F:2015:81, punt 64).

( 40 ) Arrest van het Gerecht van 21 mei 2014, Mocová/Commissie (T‑347/12 P, EU:T:2014:268, punt 44).

( 41 ) Arrest van het Gerecht van 21 mei 2014, Mocová/Commissie (T‑347/12 P, EU:T:2014:268, punt 32).

( 42 ) Arresten van het Hof van 4 juli 1985, Williams/Rekenkamer (134/84, EU:C:1985:297, punt 14); van het Gerecht van 11 juli 2007, Centeno Mediavilla e.a./Commissie (T‑58/05, EU:T:2007:218, punt 155), en van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 21 januari 2014, Van Asbroeck/Parlement (F‑102/12, EU:F:2014:4, punt 38).

( 43 ) Zie met name de arresten van het Hof van 20 mei 2010, Gogos/Commissie (C‑583/08 P, EU:C:2010:287, punt 30), en van het Gerecht van 2 juli 2010, Kerstens/Commissie (T‑266/08 P, EU:T:2010:273, punt 73).