CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

E. TANCHEV

van 19 juni 2018 ( 1 )

Zaak C‑191/17

Bundeskammer für Arbeiter und Angestellte

tegen

ING-DiBa Direktbank Austria Niederlassung der ING-DiBa AG

[verzoek van het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Betalingsdiensten – Richtlijn 2007/64/EG – Artikel 4, punt 14 – Begrip ‚betaalrekening’ – Onlinerekening voor direct sparen met onbeperkte toegang tot geldmiddelen maar die voor het uitvoeren van overschrijvingen een tussenrekening vereist”

I. Inleiding

1.

De kernvraag van het onderhavige door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij het Hof ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de vraag of een bepaald soort bankrekening die wordt aangeduid als een onlinerekening voor direct sparen, waarbij de klant onbeperkt toegang heeft tot de geldmiddelen op de rekening maar alle overschrijvingen van en naar deze rekening naar respectievelijk van de rekening van derden moeten worden uitgevoerd via een andere, als tussenrekening aangeduide rekening, valt onder het begrip „betaalrekening” als bedoeld in artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64/EG betreffende betalingsdiensten in de interne markt. ( 2 )

2.

In deze zaak heeft het Hof voor het eerst de gelegenheid het begrip „betaalrekening” in de zin van richtlijn 2007/64 uit te leggen. Deze uitlegging is in het hoofdgeding vereist om te kunnen bepalen of ten aanzien van de betrokken bankrekening moet zijn voldaan aan de in richtlijn 2007/64 neergelegde verplichtingen.

II. Toepasselijke bepalingen

A.   Unierecht

3.

In artikel 4 van richtlijn 2007/64, met als opschrift „Definities”, is bepaald:

„14.

‚betaalrekening’: op naam van een of meer betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt”.

B.   Oostenrijks recht

4.

Richtlijn 2007/64 is in Oostenrijks recht omgezet bij het Bundesgesetz über die Erbringung von Zahlungsdiensten (Zahlungsdienstegesetz – ZaDiG) (wet betreffende betalingsdiensten) van 2009 (BGB1. I, 66/2009; hierna: „wet betalingsdiensten”).

5.

In § 3 van de wet betalingsdiensten, met als opschrift „Definities”, staat te lezen:

„13.

‚betaalrekening’: op naam van een of meer betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt”.

III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag

6.

De Bundeskammer für Arbeiter und Angestellte (federale kamer voor arbeiders en andere werknemers; hierna: „verzoekster”) heeft krachtens het Oostenrijkse recht de bevoegdheid om in rechte op te treden ter bescherming van de belangen van consumenten.

7.

ING-DiBa Direktbank Austria Niederlassung der ING-DiBa AG (hierna: „verweerster”) is een bank die in heel Oostenrijk actief is.

8.

In haar relaties met consumenten maakt verweerster gebruik van een reeks algemene voorwaarden (Allgemeine Geschäftsbedingungen; hierna: „AGB”). Verweerster gebruikt de AGB met name in verband met een specifiek type rekening dat aan consumenten wordt aangeboden onder de benaming „Direkt-Sparen” („direct sparen”). In de verwijzingsbeslissing is in dit verband onder meer sprake van een onlinerekening voor direct sparen (hierna: „onlinerekening voor direct sparen”). ( 3 )

9.

Volgens de verwijzingsbeslissing is de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen een rekening waarop respectievelijk waarvan de consument via telebanking zelfstandig geld kan storten en opnemen. ( 4 ) De consument moet deze overboekingen echter altijd verrichten via een andere op zijn naam aangehouden rekening, die een tussenrekening wordt genoemd. De tussenrekening moet een in Oostenrijk geopende rekening-courant zijn, maar hoeft niet bij verweerster te worden aangehouden. De consument kan zonder enige beperking of melding – en dus zonder negatieve gevolgen voor de ontvangen rente – beslissen of, wanneer en voor welk bedrag hij tussen de onlinerekening voor direct sparen en de tussenrekening geld overboekt. Overboekingen kunnen weliswaar enkel plaatsvinden tussen de onlinerekening voor direct sparen en de tussenrekening, maar dat laat onverlet dat de consument te allen tijde – en zonder dat daarvoor de medewerking van de betalingsdienstaanbieder is vereist ( 5 ) – over het geld op de onlinerekening voor direct sparen kan beschikken.

10.

Verzoekster heeft tegen de verweerster een vordering ingesteld op grond dat tal van bedingen in de AGB die verweerster in haar overeenkomsten met betrekking tot de onlinerekening voor direct sparen gebruikt, in strijd zijn met de wet betalingsdiensten. Over deze vordering dient de verwijzende rechter thans in hogere voorziening uitspraak te doen.

11.

Verweerster betoogt dat de wet betalingsdiensten niet van toepassing is op de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen.

12.

De verwijzende rechter heeft erop gewezen dat de wet betalingsdiensten letterlijk de relevante definities van richtlijn 2007/64 overneemt. Indien de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen onder richtlijn 2007/64 valt, is dus ook de wet betalingsdiensten op die rekening van toepassing.

13.

De verwijzende rechter was onder meer van oordeel dat de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen niet reeds buiten de werkingssfeer van richtlijn 2007/64 valt omdat zij „spaarrekening” wordt genoemd, aangezien dit geenszins kan worden afgeleid uit artikel 3 van deze richtlijn betreffende aangelegenheden die buiten de werkingssfeer van die richtlijn vallen. Niettemin heeft de verwijzende rechter opgemerkt dat voor iedere transactie waarmee de rekeninghouder een schuld wenst te voldoen, een tussenstap is vereist waarbij het geld wordt overgeboekt van de onlinerekening voor direct sparen naar de tussenrekening. Pas nadat het geld op de tussenrekening is bijgeschreven, kan het worden overgeschreven naar een derde. De verwijzende rechter was van oordeel dat het niet duidelijk is of deze tussenstap, bij een juiste uitlegging van het begrip „betaalrekening” in de zin van artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64, rechtvaardigt dat de onlinerekening voor direct sparen wordt uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn.

14.

Daarop heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Dient artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64/EG betreffende betalingsdiensten in de interne markt (richtlijn betalingsdiensten) aldus te worden uitgelegd dat ook een onlinespaarrekening waarop respectievelijk waarvan de betrokken klant – dadelijk en zonder specifieke medewerking van de bank – via telebanking geld kan storten en opnemen vanaf een op zijn naam aangehouden tussenrekening, te weten een in Oostenrijk geopende rekening-courant, een ‚betaalrekening’ in de zin van die bepaling is en bijgevolg binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt?”

15.

Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoekster, verweerster, de Duitse regering en de Commissie. Overeenkomstig artikel 76, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof is geen pleitzitting gehouden.

IV. Opmerkingen van partijen

16.

Verzoekster en de Commissie zijn van mening dat de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen onder de definitie van een „betaalrekening” in de zin van artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64 valt, terwijl verweerster en de Duitse regering de tegenovergestelde mening zijn toegedaan.

17.

Verzoekster beroept zich onder meer op bepaalde andere definities in richtlijn 2007/64 om te stellen dat het begrip „betaalrekening” geen interactie tussen de rekeninghouder en derden vereist. Veeleer is volgens haar de belangrijkste voorwaarde voor de kwalificatie als „betaalrekening” dat de rekeninghouder op eigen initiatief en te allen tijde transacties kan verrichten zonder dat daarvoor de medewerking van de betalingsdienstaanbieder is vereist. Daarnaast voert verzoekster aan dat haar zienswijze wordt bevestigd door bepaalde antwoorden in het document van de Commissie met vragen en antwoorden over richtlijn 2007/64 (hierna: „richtsnoeren van de Commissie”) ( 6 ), en betwist zij de relevantie van de informatie in een eerder document met richtsnoeren over richtlijn 2007/64, dat was opgesteld door de European Banking Industry Payment Services Directive Expert Group (deskundigengroep van de Europese banksector inzake de betalingsdienstenrichtlijn) (hierna: „richtsnoeren van de deskundigengroep”) ( 7 ).

18.

Verweerster betoogt dat voor de kwalificatie van een rekening als „betaalrekening” de functionaliteit en de doelstellingen van die rekening in aanmerking moeten worden genomen, en dat het begrip „betaalrekening” de mogelijkheid impliceert om bij het verrichten van betalingstransacties rechtstreeks met derden te interageren. Op basis daarvan voert zij aan dat het zowel contractueel als technisch uitgesloten is dat de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen wordt gebruikt voor betalingstransacties met derden, zodat die rekening niet als een „betaalrekening” kan worden aangemerkt. In dit verband wijst verweerster erop dat de beslissende eigenschap van de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen erin bestaat dat alle overboekingen van en naar een dergelijke rekening moeten worden verricht via een tussenrekening, die een „betaalrekening” in de zin van richtlijn 2007/64 is.

19.

Ter ondersteuning van haar standpunt verwijst verweerster onder meer naar de richtsnoeren van de Commissie en van de deskundigengroep, naar twee andere maatregelen op het gebied van betalingsdiensten in de Europese Unie – richtlijn 2014/92/EU (de zogenoemde richtlijn betaalrekeningen) ( 8 ) en verordening (EU) nr. 260/2012 [de zogenoemde SEPA-verordening (Single Euro Payments Area, gemeenschappelijke eurobetalingsruimte)] ( 9 ) – en naar de benadering van verschillende lidstaten ter zake ( 10 ). Verweerster benadrukt tevens dat de kwalificatie van de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen als een „betaalrekening” aanzienlijke negatieve praktische gevolgen met zich mee zou brengen, zoals discriminatie tussen onlinespaarrekeningen en traditionele spaarrekeningen, die op grond van § 31, lid 1, van het Bankwesengesetz (wet betreffende het bankwezen) niet als zodanig worden aangemerkt ( 11 ), aanzienlijke overheadkosten voor banken zonder overeenkomstige voordelen voor cliënten, divergentie binnen de Uniewetgeving inzake betalingsdiensten en de uitholling van het onderscheid tussen depositorekeningen en rekeningen-courant dat bankactiviteiten structureert.

20.

De Duitse regering benadrukt dat er bepaalde soorten rekeningen zijn die niet onder richtlijn 2007/64 vallen. De Duitse regering stelt dan ook dat spaarrekeningen voornamelijk bedoeld zijn om te sparen en in het algemeen niet voor betalingstransacties worden gebruikt, zoals het geval is met de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen. De Duitse regering betoogt dat deze opvatting van het begrip „spaarrekening” verder wordt ondersteund door de bewoordingen van sommige bepalingen van richtlijn 2014/92 en wijst erop dat bepaalde antwoorden in de richtsnoeren van de Commissie onduidelijk zijn, waarbij zij aanstipt dat dit document hoe dan ook niet bindend is.

21.

De Commissie voert aan dat niets in de bewoordingen van richtlijn 2007/64 erop wijst dat de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen niet onder het begrip „betaalrekening” valt. De Commissie benadrukt tevens dat richtlijn 2007/64 tot doel heeft bescherming te bieden aan de gebruikers van betalingsdiensten. Zoals in overweging 46 en in de artikelen van titel IV van richtlijn 2007/64 wordt vermeld, gelden voor de onder die richtlijn vallende rekeningen namelijk bepaalde minimumvoorschriften voor de correcte verrichting en verwerking van betalingstransacties gebruik maken. De Commissie is van mening dat de consument een dergelijke bescherming wordt ontzegd indien het begrip „betaalrekening” in de zin van richtlijn 2007/64 restrictief wordt uitgelegd.

V. Beoordeling

22.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. ( 12 )

23.

Op basis daarvan ben ik tot de slotsom gekomen dat de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen niet kan worden geacht onder het begrip „betaalrekening” in de zin van artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64 te vallen.

24.

Ik ben geneigd het eens te zijn met de stelling dat het louter aanduiden van een rekening als bijvoorbeeld een „spaarrekening” op zichzelf niet beslissend is voor de vraag of een dergelijke rekening een „betaalrekening” in de zin van richtlijn 2007/64 vormt, maar dat veeleer de bijzondere kenmerken van de betrokken rekening, waaronder de functies en doelstellingen ervan, in aanmerking moeten worden genomen. Niettemin is voor de kwalificatie van een rekening als „betaalrekening” in de zin van richtlijn 2007/64 beslissend of een dergelijke rekening de rechtstreekse betrokkenheid bij betalingstransacties met derden impliceert. Daarom ben ik van mening dat de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen niet onder het begrip „betaalrekening” in de zin van richtlijn 2007/64 valt.

A.   Bewoordingen

25.

Zoals uit punt 3 van deze conclusie blijkt, wordt in artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64 een „betaalrekening” gedefinieerd als een „op naam van een of meer betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt”. Uit deze definitie blijkt niet welke typen van rekeningen kunnen worden geacht onder dit begrip te vallen, en wat de specifieke kenmerken van die rekeningen zijn.

26.

In feite is die definitie gebaseerd op termen die op hun beurt in andere punten van artikel 4 van richtlijn 2007/64 zijn gedefinieerd, te weten „betalingsdienstgebruiker” en „betalingstransactie”. De definitie van „betaalrekening” moet dan ook worden gelezen in het licht van de andere definities in die bepaling en van de artikelen 2 en 3 van die richtlijn, die betrekking hebben op de werkingssfeer ervan in het algemeen.

27.

Met name wordt in artikel 4, punt 10, van richtlijn 2007/64 de term „betalingsdienstgebruiker” gedefinieerd als een „natuurlijke of rechtspersoon die in de hoedanigheid van betaler, begunstigde of beide van een betalingsdienst gebruikmaakt”. ( 13 )

28.

De in artikel 4, punt 10, van richtlijn 2007/64 neergelegde definitie van „betalingsdienstgebruiker” is dubbelzinnig omdat daarin is bepaald dat degene die van de betalingsdienst gebruikmaakt de betaler, de begunstigde of beide kan zijn. Deze bewoordingen kunnen namelijk op zichzelf beschouwd aldus worden opgevat dat de betaler (de verzender van de geldmiddelen) en de begunstigde (de ontvanger van de geldmiddelen) een en dezelfde persoon kunnen zijn, en dat iemand die transacties met zichzelf verricht, een „betalingsdienstgebruiker” kan zijn. ( 14 )

29.

In artikel 4, punt 5, van richtlijn 2007/64 wordt het begrip „betalingstransactie” gedefinieerd als „een door de betaler of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn”.

30.

Op zichzelf beschouwd is ook de definitie van het begrip „betalingstransactie” in artikel 4, punt 5, van richtlijn 2007/64 dubbelzinnig. Enerzijds zou deze definitie aldus kunnen worden begrepen dat er sprake moet zijn van twee personen, te weten een „betaler” en een „begunstigde”. Anders dan in artikel 14, punt 10, van richtlijn 2007/64 wordt in artikel 4, punt 5, van richtlijn 2007/64 namelijk niet uitdrukkelijk bepaald dat één persoon zowel betaler als begunstigde kan zijn. Anderzijds kan worden betoogd dat slechts sprake hoeft te zijn van een door de betaler of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij „geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen” ( 15 ), zonder dat nader wordt bepaald of een dergelijke overboeking kan plaatsvinden tussen twee rekeningen van een en dezelfde persoon, zoals bij de tussenstap die vereist is wanneer geldmiddelen worden overgeboekt tussen de onlinerekening voor direct sparen en de tussenrekening die in het hoofdgeding aan de orde zijn.

31.

Voorts is in artikel 2 van richtlijn 2007/64, met als opschrift „Toepassingsgebied”, bepaald dat deze richtlijn van toepassing is op „betalingsdiensten uitgevoerd in de [Unie]”. ( 16 ) Volgens artikel 4, punt 3, van richtlijn 2007/64 wordt „betalingsdienst” gedefinieerd als „elke bedrijfswerkzaamheid als vermeld in de bijlage”.

32.

In het bijzonder noemt punt 2 van die bijlage „[d]iensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten van een betaalrekening op te nemen”. ( 17 ) Aan de bewoordingen van deze bepaling lijkt de veronderstelling ten grondslag te liggen dat overdrachten rechtstreeks vanaf de betaalrekening worden uitgevoerd.

33.

Bovendien wordt in punt 3 van de bijlage bij richtlijn 2007/64 verwezen naar het volgende:

„Uitvoering van betalingstransacties, met inbegrip van geldovermakingen, op een betaalrekening bij de betalingsdienstaanbieder van de gebruiker of bij een andere betalingsdienstaanbieder:

uitvoering van automatische debiteringen, met inbegrip van eenmalige automatische debiteringen;

uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument;

uitvoering van overmakingen, met inbegrip van automatische betalingsopdrachten.” ( 18 )

34.

Op zichzelf beschouwd kan het gecursiveerde gedeelte van punt 3 van de bijlage aldus worden opgevat dat bij betalingstransacties niet noodzakelijk derden betrokken hoeven te zijn opdat sprake is van een „betaalrekening” in de zin van artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64. Op het betreffende gedeelte volgen evenwel drie zinsneden die worden voorafgegaan door een streepje en die elk inhouden dat in beginsel een rechtstreekse interactie met een derde is vereist voor de overmaking van geldmiddelen naar of vanaf de betaalrekening (bij automatische afschrijvingen is er sprake van „debiteringen van de betaalrekening van een betaler” ( 19 ), het gebruik van betaalkaarten of overmakingen zoals automatische betalingsopdrachten ( 20 )).

35.

Ik erken evenwel dat in artikel 3 van richtlijn 2007/64, met als opschrift „Vrijstellingen”, 15 categorieën van betalingstransacties en diensten worden vermeld waarop deze richtlijn niet van toepassing is, en dat de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen niet expliciet onder een van deze categorieën valt. Niettemin ben ik van mening dat in deze bepaling niet uitputtend wordt opgesomd welke rekeningen buiten de werkingssfeer van die richtlijn vallen. Deze zienswijze vindt steun in overweging 6 van richtlijn 2007/64, waarin het volgende staat te lezen: „Het is echter niet aangewezen dat dit juridisch kader [voor betalingsdiensten] allesomvattend is. De toepassing ervan moet worden beperkt tot betalingsdienstaanbieders wier hoofdactiviteit bestaat in het aanbieden van betalingsdiensten aan betalingsdienstgebruikers.” ( 21 )

36.

De bewoordingen van artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64 geven dan ook geen uitsluitsel over de vraag of de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen kan worden aangemerkt als een „betaalrekening” in de zin van die bepaling.

1. Totstandkomingsgeschiedenis

37.

Volgens de rechtspraak van het Hof kan de totstandkomingsgeschiedenis van een handeling van de Europese Unie of van een bepaling ervan bijdragen tot de vaststelling wat de bedoeling van de Uniewetgever was die aan die handeling of aan die specifieke bepaling ten grondslag lag. ( 22 )

38.

De totstandkomingsgeschiedenis van richtlijn 2007/64 biedt geen definitief antwoord op de vraag wat de bedoeling van de wetgever was die aan het begrip „betaalrekening” in artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64 ten grondslag lag. ( 23 ) Zij biedt evenwel enige steun voor de opvatting dat bepaalde soorten spaarrekeningen niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen.

39.

In het voorstel van de Commissie werd „betaalrekening” gedefinieerd als een „in naam van een betalingsdienstgebruiker aangehouden rekening die uitsluitend voor betalingstransacties wordt gebruikt”. ( 24 ) Daarenboven werd de term „spaarrekening” vermeld in verband met de in dat voorstel neergelegde voorschriften betreffende de beschikbaarheid van geldmiddelen op een betaalrekening, met als doel dat deze voorschriften „de debiteringen onverlet [laten] die worden verricht op spaarrekeningen ten aanzien waarvan uitdrukkelijke overeenkomsten zijn gesloten met betrekking tot het gebruik van geldmiddelen in het kader van spaarregelingen”. ( 25 )

40.

In haar advies over het voorstel heeft de Europese Centrale Bank opgemerkt dat de definitie van „betaalrekening” en de verwijzing naar „spaarrekeningen” verduidelijking behoefden. ( 26 )

41.

In zijn eerste lezing van het voorstel heeft het Europees Parlement voorgesteld de bepaling met de verwijzing naar „spaarrekeningen” te schrappen om de volgende reden: „Daar spaarrekeningen sowieso niet als betaalrekeningen worden beschouwd, bestaat hier geen behoefde aan regulering [...]”. ( 27 ) Het Parlement heeft eveneens voorgesteld de definitie van „betaalrekening” aldus te wijzigen dat dit begrip ziet op „in naam van één of meerdere betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor betalingstransacties wordt gebruikt”. ( 28 )

42.

In de definitieve versie van de tekst is het woord „uitvoering” toegevoegd aan de definitie van „betaalrekening” en is de bepaling inzake „spaarrekeningen” geschrapt. Met andere voorstellen is geen rekening gehouden.

2. Richtsnoeren

43.

Ook de in de opmerkingen van partijen in deze zaak vermelde richtsnoeren van de Commissie en van de deskundigengroep geven mijns inziens geen uitsluitsel over de prejudiciële vraag in deze zaak. ( 29 ) Aangenomen mag worden dat deze richtsnoeren steun bieden aan de opvatting dat elk type rekening op haar eigen merites moet worden beoordeeld, zodat bepaalde soorten spaarrekeningen onder het begrip „betaalrekening” in de zin van artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64 vallen, maar zij gaan niet uitdrukkelijk in op het soort onlinerekeningen voor direct sparen dat in het hoofdgeding aan de orde is. ( 30 )

44.

Met name verklaart de Commissie in haar richtsnoeren in antwoord op bepaalde vragen dat een „spaarrekening” waarop respectievelijk waarvan de houder zonder enige beperking geldmiddelen kan storten en opnemen, moet worden aangemerkt als een „betaalrekening” in de zin van richtlijn 2007/64, terwijl een „termijndeposito” niet als zodanig moet worden aangemerkt, omdat de houder ervan tot het einde van de looptijd geen geldmiddelen van de rekening kan opnemen zonder renteverlies te lijden of boeten verschuldigd te worden. ( 31 ) Bijgevolg is het niet duidelijk of het voor de betrokken onlinerekening voor direct sparen gestelde vereiste dat vanaf deze rekening slechts overschrijvingen kunnen worden verricht naar een tussenrekening en niet naar derden, een beperking vormt die eraan in de weg staat dat die rekening wordt aangemerkt als een „betaalrekening”.

B.   Context

45.

Volgens de rechtspraak van het Hof impliceert de beoordeling van de algemene opzet en context van een bepaling van het Unierecht onder meer dat wordt onderzocht wat de samenhang van de betrokken bepaling is met andere bepalingen van dezelfde Uniehandeling en andere Uniehandelingen die wezenlijk verband houden met de betrokken handeling of daaraan gekoppeld zijn. ( 32 ) Ik ben van mening dat sommige gerelateerde bepalingen van richtlijn 2007/64 en van andere maatregelen die deel uitmaken van het wetgevingskader van de Europese Unie inzake betalingsdiensten beslissende aanwijzingen opleveren voor de zienswijze dat de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen niet onder het begrip „betaalrekening” in de zin van richtlijn 2007/64 valt.

1. Gerelateerde bepalingen van richtlijn 2007/64

46.

Uit onderzoek van de gerelateerde bepalingen van richtlijn 2007/64 blijkt dat betaling aan een derde van essentieel belang is om een rekening te kunnen aanmerken als een „betaalrekening” in de zin van richtlijn 2007/64.

47.

In bepaalde in artikel 4 van richtlijn 2007/64 neergelegde definities wordt ervan uitgegaan dat er geld naar of van de betaalrekening wordt overgeschreven door respectievelijk aan derden. Dit wordt geïllustreerd door de hierboven vermelde definitie van „betaler” in artikel 4, punt 7, van richtlijn 2007/64 („een betalingstransactie vanaf die betaalrekening toestaat”) ( 33 ) en door de definitie van „valutadatum” in artikel 4, punt 17, van richtlijn 2007/64, waar sprake is van een „referentietijdstip dat door een betalingsdienstaanbieder wordt gebruikt voor de berekening van de interesten op de geldmiddelen zijn waarmee een betaalrekening wordt gedebiteerd of gecrediteerd” ( 34 ).

48.

Voorts blijkt uit een aantal bepalingen van richtlijn 2007/64 inzake betaalrekeningen dat een betaalrekening de mogelijkheid onderstelt dat deze rekening rechtstreeks wordt gedebiteerd of gecrediteerd bij transacties met derden. ( 35 ) Dit komt ook tot uiting in sommige bepalingen van richtlijn 2007/64 die tot doel hebben de veiligheid van de betaalrekening te waarborgen in verband met het feit dat rechtstreeks betalingstransacties met derden worden verricht. Zo is bepaald dat bedragen worden teruggestort op de betaalrekening in geval van niet-toegestane, niet-uitgevoerde of gebrekkig uitgevoerde betalingstransacties. ( 36 )

49.

Indien de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen, waarnaar respectievelijk waarvan niet rechtstreeks door of aan een derde geld kan worden overgeschreven, werd aangemerkt als een betaalrekening, zou de toepassing van deze bepalingen onlogisch worden.

2. Gerelateerde maatregelen die deel uitmaken van het wetgevingskader van de Europese Unie inzake betalingsdiensten

50.

Richtlijn 2007/64 – en haar opvolger, richtlijn 2015/2366 ( 37 ) – maakt deel uit van het wetgevingskader van de Europese Unie inzake betalingsdiensten. ( 38 )

51.

Zoals in overweging 4 van richtlijn 2007/64 wordt uiteengezet, is het „van vitaal belang dat op [het niveau van de Unie] een modern en samenhangend juridisch kader voor betalingsdiensten tot stand wordt gebracht”. Zoals het Hof reeds heeft opgemerkt, wordt ook in overweging 6 van richtlijn 2015/2366 vermeld dat de Uniewetgever voornemens is om overal in de Unie een consistente toepassing van het wetgevingskader inzake betalingsdiensten te garanderen. ( 39 )

52.

In verschillende maatregelen die deel uitmaken van het wetgevingskader van de Europese Unie inzake betalingsdiensten, is een definitie van „betaalrekening” opgenomen die in overeenstemming is met de definitie die is opgenomen in artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64. Tot deze maatregelen behoren verordening nr. 260/2012 [de zogenoemde SEPA-verordening (Single Euro Payments Area, gemeenschappelijke eurobetalingsruimte)] ( 40 ), verordening (EU) 2015/751 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties ( 41 ) en aanbeveling 2011/442 (EU) van de Commissie betreffende toegang tot een elementaire betaalrekening ( 42 ), die moet worden toegepast in samenhang met richtlijn 2007/64 ( 43 ). In feite bevatten bepaalde maatregelen verwijzingen naar de definitie van „betaalrekening” in artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64 (thans artikel 4, punt 12, van richtlijn 2015/2366). ( 44 )

53.

Een cruciale maatregel binnen het wetgevingskader van de Europese Unie inzake betalingsdiensten is met name richtlijn 2014/92 (de zogenoemde richtlijn betaalrekeningen). ( 45 )

54.

Volgens artikel 2, punt 3, van richtlijn 2014/92 is een „betaalrekening”„een op naam van één of meer consumenten aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt”. Deze bewoordingen zijn vrijwel identiek aan de definitie van „betaalrekening” in artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64, behalve dat in laatstgenoemde richtlijn de uitdrukking „betalingsdienstgebruikers” wordt gebruikt in plaats van de in eerstgenoemde richtlijn gebezigde uitdrukking „consumenten”, wat de inhoud van de definitie niet wezenlijk wijzigt maar veeleer een weerspiegeling lijkt te zijn van het door de respectieve richtlijnen bestreken onderwerp.

55.

In overweging 12 van richtlijn 2014/92 staat te lezen: „Alle bepalingen van deze richtlijn dienen betrekking te hebben op betaalrekeningen waarmee consumenten de volgende transacties kunnen uitvoeren: geldmiddelen storten, contanten opnemen en betalingstransacties van derden ontvangen en naar derden uitvoeren, daaronder begrepen de uitvoering van overmakingen. Rekeningen met meer beperkte functies dienen derhalve te worden uitgesloten. Rekeningen zoals spaarrekeningen, kredietkaartrekeningen – waarop geldmiddelen doorgaans alleen worden gestort om een kredietkaartschuld af te lossen –, een ‚current account mortgage’ of elektronischgeldrekeningen zijn in beginsel van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitgesloten. Worden deze rekeningen echter gebruikt voor alledaagse betalingstransacties en hebben zij alle bovengenoemde functies, dan vallen zij wel onder deze richtlijn.” ( 46 )

56.

Hieraan is uitvoering gegeven in artikel 1, lid 6, van richtlijn 2014/92, waarin expliciet is bepaald dat de drie minimumvereisten voor betaalrekeningen binnen de werkingssfeer van deze richtlijn bestaan in de mogelijkheid om geldmiddelen op een betaalrekening te plaatsen, de mogelijkheid om contanten van een dergelijke rekening op te nemen en de mogelijkheid om „betalingstransacties, met inbegrip van overmakingen van en naar derden, [te] ontvangen, respectievelijk [uit te voeren]”. ( 47 )

57.

Bovendien staat in overweging 14 van richtlijn 2014/92 te lezen dat „[d]e in deze richtlijn vervatte definities [...] zo veel mogelijk [dienen] afgestemd te zijn op die welke zijn opgenomen in andere wetgeving van de Unie, en met name die van richtlijn 2007/64/EG en die van verordening (EU) nr. 260/2012”. ( 48 )

58.

Bijgevolg moeten de in richtlijn 2014/92 neergelegde vereisten voor het begrip „betaalrekening” in aanmerking worden genomen bij de uitlegging van dat begrip in artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64. Ik ben dan ook van mening dat de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen niet kan worden geacht binnen de werkingssfeer van deze bepaling te vallen, omdat deze rekening „beperktere functies” vervult. Zij stelt de rekeninghouder namelijk niet in staat betalingstransacties van en naar derden te ontvangen, respectievelijk uit te voeren.

C.   Doelstellingen

59.

De algemene doelstelling van richtlijn 2007/64 is volgens overweging 60 ervan de totstandbrenging van een interne markt voor betalingsdiensten. Zoals het Hof heeft erkend, bevat richtlijn 2007/64 daarnaast diverse overwegingen waaruit blijkt dat met deze richtlijn de bescherming van de consument als ontvanger van betalingsdiensten wordt nagestreefd. ( 49 )

60.

Tegen deze achtergrond ben ik van mening dat de uitlegging van het begrip „betaalrekening” in artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64 volgens welke dat begrip zich niet uitstrekt tot de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen, niet in strijd is met de doelstellingen van die richtlijn. Aangezien de tussenrekening noodzakelijkerwijs als een „betaalrekening” dient te worden aangemerkt, lijkt er geen behoefte te bestaan aan „dubbele bescherming” van consumenten met betrekking tot de in het geding zijnde onlinerekening voor direct sparen, wanneer alle betalingen aan derden via die tussenrekening moeten plaatsvinden. ( 50 )

VI. Conclusie

61.

Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) te beantwoorden als volgt:

„Artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG dient aldus te worden uitgelegd dat een onlinespaarrekening waarop respectievelijk waarvan de betrokken klant – dadelijk en zonder specifieke medewerking van de bank – via telebanking geld kan storten en opnemen vanaf een op zijn naam aangehouden tussenrekening, te weten een in Oostenrijk geopende rekening-courant, geen ‚betaalrekening’ is in de zin van die bepaling en bijgevolg buiten de werkingssfeer van die richtlijn valt.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.

( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG (PB 2007, L 319, blz. 1) (hierna: „richtlijn 2007/64”). Richtlijn 2007/64 is met ingang van 13 januari 2018 ingetrokken en vervangen door richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2015, L 337, blz. 35) (hierna: „richtlijn 2015/2366”). Zoals in de verwijzingsbeslissing wordt vermeld, is het hoofdgeding ruim vóór 13 januari 2018 ingesteld. Richtlijn 2007/64 is dus ratione temporis van toepassing. Hoe dan ook wordt het begrip „betaalrekening” in artikel 4, punt 12, van richtlijn 2015/2366 op dezelfde wijze gedefinieerd als in artikel 4, punt 14, van richtlijn 2007/64.

( 3 ) Zoals in de verwijzingsbeslissing en de schriftelijke opmerkingen van de Duitse regering en van verweerster wordt vermeld, wordt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde rekening zowel met de term „onlinespaarrekening” als met de term „rekening voor direct sparen” aangeduid. Voor mijn conclusie zal ik de alomvattende term „onlinerekening voor direct sparen” gebruiken, die eveneens in de verwijzingsbeslissing voorkomt.

( 4 ) Hoewel het begrip „telebanking” in de verwijzingsbeslissing niet wordt gedefinieerd, is het aannemelijk dat daaronder het bankieren via elektronische middelen wordt verstaan. Dit komt overeen met de manier waarop dat begrip is gebruikt in een ander verzoek van de verwijzende rechter om een prejudiciële beslissing met betrekking tot verschillende bepalingen van richtlijn 2007/64. Zie arrest van 9 april 2014, T‑Mobile Austria, C‑616/11, EU:C:2014:242, punt 17, en conclusie van advocaat-generaal Wathelet, T-Mobile Austria, C‑616/11, EU:C:2013:691, punt 49. Daarnaast wordt bij de productgegevens van de „Direkt-Sparen”-rekening op verweersters website (https://www.ing-diba.at/sparen/direkt-sparen) vermeld dat de klant „per telefoon, internetbankieren of mobiel bankieren banktransacties [kan] verrichten”.

( 5 ) Volgens artikel 1, lid 1, en artikel 4, punt 9, van richtlijn 2007/64 zijn onder betalingsdienstaanbieders zowel banken als andere soorten krediet- en betalingsinstellingen begrepen.

( 6 ) Commissie, Your questions on PSD – Payment Services Directive 2007/64/EC Questions and answers, voor het laatst bijgewerkt op 22 februari 2011, beschikbaar op https://ec.europa.eu/info/system/files/faq-transposition-psd-22022011_en.pdf, vragen 150 en 187.

( 7 ) European Banking Industry PSD [Payment Services Directive] Expert Group, PSD Guidance for the Implementation of the Payment Services Directive, Versie 1.0 (augustus 2009), beschikbaar op https://www.ebf.eu/wp-content/uploads/2017/01/Brochure-_24-08-09-PSD-Web-2009-01152-01-E.pdf, punt 2, onder b), definitie van „betaalrekening”.

( 8 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PB 2014, L 257, blz. 214) (hierna: „richtlijn 2014/92”).

( 9 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van verordening (EG) nr. 924/2009 (PB 2012, L 94, blz. 22) (hierna: „verordening nr. 260/2012”), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 248/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 tot wijziging van verordening (EU) nr. 260/2012 betreffende de migratie naar Uniebrede overmakingen en automatische afschrijvingen (PB 2014, L 84, blz. 1).

( 10 ) In zijn schriftelijke opmerkingen verwijst verweerster naar de wetgeving en de praktijk in vijf lidstaten: België, Duitsland, Luxemburg, Nederland en Oostenrijk.

( 11 ) § 31, lid 1, van het Bankwesengesetz (BGB1. I, 532/1993, in de in het BGB1. I, 118/2016 bekendgemaakte versie) luidt: „Spaardeposito’s zijn bij kredietinstellingen in bewaring gegeven geldbedragen die niet zijn bestemd voor het betalingsverkeer, maar als belegging zijn bedoeld en als zodanig enkel in ontvangst mogen worden genomen tegen afgifte van bijzondere certificaten (spaarcertificaten)”.

( 12 ) Zie bijvoorbeeld arrest van 7 februari 2018, American Express, C‑304/16, EU:C:2018:66, punt 54en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 13 ) Cursivering van mij.

( 14 ) In artikel 4, punt 7, van richtlijn 2007/64 wordt een „betaler” gedefinieerd als „hetzij een natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een betaalrekening en een betalingstransactie vanaf die betaalrekening toestaat, hetzij bij ontbreken van een betaalrekening, een natuurlijke of rechtspersoon die een betalingsopdracht geeft”. In artikel 4, punt 8, van richtlijn 2007/64 wordt een „begunstigde” gedefinieerd als een „natuurlijke of rechtspersoon die de beoogde uiteindelijke ontvanger is van de geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft”.

( 15 ) Cursivering van mij.

( 16 ) Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2007/64.

( 17 ) Punt 2 van de bijlage [„betalingsdiensten (artikel 4, punt 3)”] bij richtlijn 2007/64.

( 18 ) Punt 3 van de bijlage [„betalingsdiensten (artikel 4, punt 3)”] bij richtlijn 2007/64. Cursivering van mij.

( 19 ) Het begrip „automatische afschrijving” is gedefinieerd in artikel 4, punt 28, van richtlijn 2007/64.

( 20 ) Hoewel het begrip „automatische betalingsopdracht” niet wordt gedefinieerd, wordt in artikel 4, punt 16, van richtlijn 2007/64 de volgende definitie van een „betalingsopdracht” gegeven: „door een betaler of begunstigde aan zijn betalingsdienstaanbieder gegeven instructie om een betalingstransactie uit te voeren”.

( 21 ) Zie in dit verband het arrest van 22 maart 2018, Rasool, C‑568/16, EU:C:2018:211, punt 36.

( 22 ) Zie bijvoorbeeld arresten van 23 januari 2018, Piotrowski, C‑367/16, EU:C:2018:27, punt 32, en 21 maart 2018, Klein Schiphorst, C‑551/16, EU:C:2018:200, punt 38.

( 23 ) Hetzelfde kan in verband met de prejudiciële vraag in het onderhavige geding worden gezegd over de totstandkomingsgeschiedenis van richtlijn 2015/2366.

( 24 ) COM(2005) 603 definitief, 1 december 2005, voorgesteld artikel 4, punt 7.

( 25 ) COM(2005) 603 definitief, 1 december 2005, voorgesteld artikel 65, lid 4. Cursivering van mij.

( 26 ) Zie advies van de Europese Centrale Bank van 26 april 2006 inzake een voorstel voor een richtlijn betreffende betalingsdiensten in de interne markt (PB 2006, C 109, blz. 10), punten 2.2, 12.4 en 12.5.

( 27 ) Verslag van het Europees Parlement, 20 september 2006, A6‑0298/2006 (definitieve versie), amendement 82, blz. 134.

( 28 ) Verslag van het Europees Parlement, 20 september 2006, A6‑0298/2006 (definitieve versie), amendement 57, blz. 25.

( 29 ) Richtsnoeren van de Commissie kunnen in het algemeen nuttig zijn als referentiedocumenten, maar zijn voor het Hof niet bindend. Zie naar analogie, in verband met andere soorten richtsnoeren van de Commissie, bijvoorbeeld conclusies van advocaat-generaal Kokott in de zaak Commissie/Frankrijk, C‑383/09, EU:C:2011:23, punt 28en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak Snitem en Philips France, C‑329/16, EU:C:2017:501, punten 55 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 30 ) Zie de in voetnoot 6 van deze conclusie vermelde richtsnoeren van de Commissie, vraag 31, en de in voetnoot 7 van deze conclusie vermelde richtsnoeren van de deskundigengroep, punt 2, onder b), definitie van „betaalrekening”.

( 31 ) Zie de in voetnoot 6 van deze conclusie vermelde richtsnoeren van de Commissie, vragen 25, 31, 150, 187 en 262.

( 32 ) Zie bijvoorbeeld mijn conclusie in de zaak Vaditrans, C‑102/16, EU:C:2017:82, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 33 ) Zie voetnoot 14 van deze conclusie.

( 34 ) Cursivering van mij.

( 35 ) Zie bijvoorbeeld artikelen 69, 71 en 73 van richtlijn 2007/64.

( 36 ) Zie bijvoorbeeld artikel 60, lid 1, en artikel 75, leden 1 en 2, van richtlijn 2007/64. Zie ook artikel 53, lid 3, van richtlijn 2007/64, waar wordt verwezen naar „de mogelijkheid [...] de rekening [...] te blokkeren”.

( 37 ) Zie voetnoot 2 van deze conclusie.

( 38 ) Zie bijvoorbeeld overwegingen 1 en 2 van richtlijn 2015/2366; toelichting bij het voorstel van de Commissie voor richtlijn 2015/2366, COM(2013) 547 final, 24 juli 2013, punt 1, blz. 4.

( 39 ) Arrest van 7 februari 2018, American Express, C‑304/16, EU:C:2018:66, punt 57.

( 40 ) Artikel 2, lid 5, van de in voetnoot 9 van deze conclusie vermelde verordening nr. 260/2012. Zie in dit verband het voorstel van de Commissie voor verordening nr. 260/2012, COM(2010) 775 definitief van 16 december 2010, punt 5, blz. 11, waar wordt opgemerkt dat de in artikel 2 van die verordening neergelegde definities „zoveel mogelijk [zijn] afgestemd op die welke in richtlijn 2007/64/EG zijn gehanteerd”.

( 41 ) Artikel 2, punt 22, van de verordening van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (PB 2015, L 123, blz. 1).

( 42 ) Afdeling I, punt 1, onder c), van de aanbeveling van de Commissie van 18 juli 2011 betreffende toegang tot een elementaire betaalrekening (PB 2011, L 190, blz. 87). Zie ook overweging 11 en afdeling III. Andere definities in die aanbeveling bevatten verwijzingen naar richtlijn 2007/64. Zie afdeling I, punt 1, onder b), d), e) en f).

( 43 ) Overweging 5 van aanbeveling 2011/442/EU van de Commissie.

( 44 ) Zie bijvoorbeeld artikel 3, punt 7, van verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1781/2006 (PB 2015, L 141, blz. 1). Zie op een ander terrein bijvoorbeeld ook artikel 2, punt 8, van verordening (EU) 2018/302 van het Europees Parlement en de Raad van 28 februari 2018 inzake de aanpak van ongerechtvaardigde geoblocking en andere vormen van discriminatie van klanten op grond van nationaliteit, verblijfplaats of plaats van vestiging in de interne markt, en tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 2006/2004 en (EU) 2017/2394 en richtlijn 2009/22/EG (PB 2018, L 60 I, blz. 1).

( 45 ) Zie voetnoot 8 van deze conclusie.

( 46 ) Cursivering van mij.

( 47 ) Cursivering van mij.

( 48 ) Verschillende definities in richtlijn 2014/92 verwijzen inderdaad rechtstreeks naar richtlijn 2007/64. Zie artikel 2, punten 4, 6, 7 en 9. Zie in dit verband punt 3.1 van het advies van de Europese Centrale Bank van 19 november 2013 inzake het voorstel van de Commissie voor richtlijn 2014/92 (PB 2014, C 51, blz. 3).

( 49 ) Arrest van 22 maart 2018, Rasool, C‑568/16, EU:C:2018:211, punt 38. Ten aanzien van de feiten in die zaak was het Hof van oordeel dat dit doel niet kon rechtvaardigen dat een dienst van geldopneming als die welke door het bedrijf van de procespartij werd aangeboden, werd aangemerkt als een „betalingsdienst” in de zin van richtlijn 2007/64.

( 50 ) Deze situatie verschilt van die waarover ik een standpunt heb ingenomen in mijn recente conclusie in de zaak OTP Bank en OTP Faktoring, C‑51/17, EU:C:2018:303.