CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 22 maart 2018 ( 1 )
Zaak C‑100/17 P
Gul Ahmed Textile Mills Ltd
tegen
Raad van de Europese Unie
„Hogere voorziening – Dumping – Invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan – Voortbestaan van procesbelang – Gevolgen van gebeurtenissen die in de loop van het geding zijn opgetreden – Gronden waaruit een dergelijk belang blijkt – Bewijslast”
|
1. |
Deze zaak betreft een hogere voorziening ingesteld door Gul Ahmed Textile Mills Ltd (hierna: „Gul Ahmed”), waarmee zij het Hof verzoekt om het arrest van het Gerecht van 15 december 2016, Gul Ahmed Textile Mills/Raad (T‑199/04 RENV) ( 2 ), in zijn geheel te vernietigen. In dat arrest heeft het Gerecht het door Gul Ahmed ingestelde beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 397/2004 van de Raad van 2 maart 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen van oorsprong uit Pakistan verworpen ( 3 ). |
|
2. |
Deze zaak werpt de belangrijke vraag op wat onder het voortbestaan van procesbelang moet worden verstaan. Het Hof wordt de mogelijkheid geboden om te beoordelen of – naargelang de situatie, feitelijk en rechtens, die zich kan voordoen – de verzochte vernietiging in het voordeel van deze rekwirante kan zijn. Meer in het algemeen wordt het Hof in staat gesteld om zijn rechtspraak over bepaalde procedurele aspecten met betrekking tot de beoordeling van dat procesbelang, in het bijzonder de bewijslast en de procedurele rechten van de rekwirant, te verdiepen. |
Feiten en toepasselijke bepalingen
|
3. |
Gul Ahmed is een Pakistaanse onderneming die zich bezighoudt met de productie en uitvoer van katoenhoudend beddenlinnen naar de Europese Unie. |
|
4. |
Op 4 november 2002 heeft de Europese Commissie een antidumpingonderzoek ingeleid ten aanzien van de invoer van dergelijke producten in de Europese Unie. |
|
5. |
Op 2 maart 2004 heeft de Raad, op basis van de resultaten van dat onderzoek, zijn goedkeuring gehecht aan verordening nr. 397/2004 tot instelling van een antidumpingrecht van 13,1 % op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan, ingedeeld onder de codes van de gecombineerde nomenclatuur in deze verordening. |
|
6. |
Na een nieuw onderzoek uit hoofde van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad ( 4 ) is verordening nr. 397/2004 gewijzigd bij verordening (EG) nr. 695/2006 van de Raad ( 5 ). Deze verordening stelde het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op door Gul Ahmed vervaardigd katoenhoudend beddenlinnen op 5,6 %. |
|
7. |
Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening verviel het aldus vastgestelde definitieve antidumpingrecht op 4 maart 2009, dat wil zeggen vijf jaar na de invoering ervan. |
|
8. |
Gul Ahmed heeft op 28 mei 2004 bij het Gerecht een beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening nr. 397/2004, voor zover die verordening op haar betrekking had. |
|
9. |
Gul Ahmed heeft in haar verzoekschrift vijf middelen aangevoerd. In het bijzonder met haar tweede middel betoogde Gul Ahmed dat de Raad blijk had gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling en in strijd had gehandeld met artikel 2, leden 3 en 5, en artikel 18, lid 4, van de basisverordening en van de antidumpingovereenkomst ( 6 ) bij de berekening van de normale waarde. Daarnaast voerde Gul Ahmed met haar derde middel aan dat de bij de vergelijking van de normale waarde en de uitvoerprijs toegepaste correctie in verband met de terugbetaling in strijd was met artikel 2, lid 10, van de basisverordening, de antidumpingovereenkomst en de verplichting van een toereikende motivering krachtens artikel 296 VWEU. |
|
10. |
In zijn arrest van 27 september 2011, Gul Ahmed Textile Mills/Raad (T‑199/04) ( 7 ), heeft het Gerecht het derde onderdeel van het vijfde middel ( 8 ) aanvaard en de litigieuze verordening, zonder de andere middelen te onderzoeken, nietig verklaard, voor zover zij betrekking had op Gul Ahmed. |
|
11. |
De Raad, ondersteund door de Commissie, heeft in hogere voorziening het Hof verzocht om vernietiging van dat arrest. |
|
12. |
In zijn arrest van 14 november 2013, Raad/Gul Ahmed Textile Mills (C‑638/11 P) ( 9 ), heeft het Hof het arrest in zaak T‑199/04 in zijn geheel vernietigd, de zaak terugverwezen naar het Gerecht en de beslissing over de kosten aangehouden. |
|
13. |
Op 26 november 2015 heeft voor het Gerecht een terechtzitting in zaak T‑199/04 RENV plaatsgevonden. Tijdens die terechtzitting heeft de Raad, ondersteund door de Commissie, betoogd dat Gul Ahmed geen procesbelang meer had. |
|
14. |
Tot staving van dit betoog hebben de twee instellingen aangevoerd dat de bij de litigieuze verordening vastgestelde antidumpingrechten op 2 maart 2009 waren verstreken, zodat de uitvoer van het betrokken product niet langer aan deze rechten was onderworpen. Voorts stelden zij dat, overeenkomstig artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de termijn voor het instellen van een beroep tot schadevergoeding voor bij de toepassing van deze rechten veroorzaakte schade op 1 mei 2014 ( 10 ) was verstreken en dat het recht op terugbetaling van de antidumpingrechten overeenkomstig het douanewetboek van de Unie eveneens was verjaard ( 11 ). Volgens hen kon de gevorderde nietigverklaring dus niet langer een voordeel verschaffen aan Gul Ahmed. |
|
15. |
Het Gerecht gaf Gul Ahmed met betrekking tot de aldus opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid een periode van twee weken vanaf de datum van de terechtzitting voor de indiening van haar opmerkingen (samen met eventuele bewijsstukken tot staving van het behoud van haar belang bij de te beslechten zaak). |
|
16. |
Gul Ahmed diende haar opmerkingen in bij brief van 10 december 2015, waarin zij betoogde nog steeds een procesbelang te hebben. Zij voerde de volgende vijf gronden aan: i) haar belang om de proceskosten terug te vorderen van de Raad; ii) de mogelijkheid van een toekomstig beroep tot vergoeding van de schade, veroorzaakt door de niet‑inachtneming door de Unierechter van een redelijke procestermijn; iii) haar kans op terugbetaling van de betaalde definitieve antidumpingrechten; iv) haar belang om ervoor te zorgen dat een dergelijke onwettigheid in de toekomst niet opnieuw voorkomt, en v) de mogelijkheid van een toekomstig beroep tot vergoeding van de door de litigieuze verordening veroorzaakte schade. |
|
17. |
Bij brieven van 6 en 20 januari 2016 hebben de Commissie en de Raad hun opmerkingen ingediend. In wezen hebben zij het Gerecht verzocht om de argumenten van Gul Ahmed af te wijzen en te verklaren dat die onderneming niet langer belang had bij de voortzetting van de procedure. Er zou derhalve geen uitspraak hoeven te worden gedaan. |
Bestreden arrest en hogere voorziening
|
18. |
Bij arrest van 15 december 2016, Gul Ahmed Textile Mills/Raad (T‑199/04 RENV), heeft het Gerecht geoordeeld dat i) een beweerd belang om de proceskosten terug te vorderen van de Raad; ii) de vermeende mogelijkheid van een toekomstig beroep tot vergoeding van de schade, veroorzaakt door de niet-inachtneming door de Unierechter van een redelijke procestermijn; (iii) een vermeend belang om ervoor te zorgen dat een dergelijke onwettigheid in de toekomst niet opnieuw voorkomt, en iv) een vermeend belang bij het herstel van de reputatie van Gul Ahmed, geen procesbelang van laatstgenoemde aantonen. Het Gerecht heeft tevens verklaard dat v) een vermeende kans op terugbetaling van de betaalde definitieve antidumpingrechten een dergelijk belang niet aantoont, zij het met betrekking tot enkel het eerste, het vierde en het vijfde middel. ( 12 ) |
|
19. |
Derhalve heeft het Gerecht geoordeeld dat geen uitspraak hoefde te worden gedaan over het tweede en het derde middel en heeft het enkel het eerste, het vierde en het vijfde middel onderzocht. Het Gerecht is tot de slotsom gekomen dat laatstgenoemde middelen ongegrond waren en heeft bijgevolg het beroep in zijn geheel verworpen. |
|
20. |
Met haar hogere voorziening verzoekt Gul Ahmed het Hof om het bestreden arrest te vernietigen en ten gronde uitspraak te doen over alle middelen, subsidiair de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak ten gronde. Gul Ahmed voert twee middelen aan. |
|
21. |
Ten eerste stelt Gul Ahmed dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat zij geen belang meer had bij voortzetting van de procedure met betrekking tot het tweede en het derde in haar verzoekschrift aangevoerde middel. Ook zou het Gerecht dit niet naar behoren hebben gemotiveerd. Ten tweede voert Gul Ahmed een reeks argumenten aan inhoudende dat het Gerecht blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen door de eerste twee onderdelen van het vijfde middel niet te aanvaarden. |
|
22. |
De Raad en de Commissie verzoeken het Hof, de hogere voorziening niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren. |
|
23. |
Ter terechtzitting van 25 januari 2018 hebben Gul Ahmed, de Raad en de Commissie mondelinge opmerkingen ingediend. |
|
24. |
Zoals het Hof heeft gevraagd, zal ik mij in deze conclusie beperken tot het onderzoek van het eerste middel van de hogere voorziening. |
Beoordeling
Algemene opmerkingen over het begrip procesbelang
|
25. |
Voor een procesbelang bij een beroep tot nietigverklaring, zoals opgevat door het Gerecht in het bestreden arrest, gelden strenge criteria. Om een procesbelang te hebben had Gul Ahmed, indien de redenering van het Gerecht wordt gevolgd, niet alleen het beroep tot nietigverklaring maar tevens een actie tot vergoeding van de door die verordening veroorzaakte schade moeten instellen, alsmede bij de bevoegde nationale autoriteiten een procedure tot terugbetaling van de in verschillende perioden betaalde antidumpingrechten dienen in te leiden. |
|
26. |
Met het verstrijken van de tijd liep de regeling waarvan Gul Ahmed de nietigverklaring heeft verzocht af en is elke andere vordering tot schadevergoeding of terugbetaling van rechten verjaard. Heeft Gul Ahmed niettemin nog steeds belang bij het handhaven van de procedure tot nietigverklaring? |
|
27. |
Mijns inziens gaat het in feite erom dat een verzoeker in een dergelijke situatie zowel omzichtig als waakzaam moet zijn. Met andere woorden, hij dient zorgvuldig in de gaten te houden of zijn rechtssituatie in de loop van de tijd wijzigt en die aanvullende maatregelen te nemen welke nodig zijn om zijn belang bij de voortzetting van het geding te laten voortbestaan. Laat hij dit na, dan loopt hij het risico dat de verwerende partij met succes het behoud van zijn procesbelang in twijfel trekt. |
|
28. |
Zo bezien is een succesvol beroep tot nietigverklaring een essentiële voorwaarde voor ongedaanmaking van de geleden schade. Maar in de meeste gevallen leidt dit op zichzelf niet ertoe dat de schade goed wordt gemaakt. Dat vereist een actie tot schadevergoeding. Dat betekent niet dat het eerste beroep (beroep tot nietigverklaring) afhankelijk is van het beroep tot schadevergoeding. In tegenstelling tot wat Gul Ahmed stelt, leidt het afzonderlijke, maar niettemin onderling verbonden karakter van deze twee procedures niet tot verstoring van het stelsel van rechtsbescherming dat het Verdrag aan particulieren biedt. |
|
29. |
De voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring zijn neergelegd in artikel 263 VWEU. Dit vereist, onder andere, i) dat de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, „bestemd is om rechtsgevolgen teweeg te brengen ten aanzien van derden”; ii) dat de verzoekende partij rechtstreeks en individueel is geraakt, en iii) dat het beroep wordt ingesteld binnen de in dat artikel gestelde termijnen. ( 13 ) In het onderhavige geval kan er geen twijfel over bestaan dat wat verordening nr. 397/2004 betreft is voldaan aan het eerste van deze criteria. Wat het tweede criterium betreft is de stelling dat Gul Ahmed rechtstreeks en individueel door verordening nr. 397/2004 wordt geraakt op geen enkel moment ter discussie gesteld. De litigieuze verordening vermeldt Gul Ahmed namelijk als een van de Pakistaanse producenten die bij de antidumpingprocedure waren betrokken en de onderneming verklaart dat een groot bedrag aan rechten is opgelegd op de invoer van haar producten in de Europese Unie. Wat het derde criterium betreft, wordt niet betwist dat Gul Ahmed haar verzoek tot nietigverklaring binnen de in artikel 263 VWEU gestelde termijn heeft ingediend. |
|
30. |
Het volstaat evenwel niet om aan alle voorwaarden van artikel 263 VWEU te voldoen. Volgens vaste rechtspraak is een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring slechts ontvankelijk indien deze persoon belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. De nietigverklaring van die handeling moet op zichzelf rechtsgevolgen kunnen hebben, zodat dit beroep, indien het slaagt, een voordeel kan opleveren voor de persoon die het heeft ingesteld. ( 14 ) Niet betwist wordt dat Gul Ahmed aan dit vereiste voldeed ten tijde van de indiening van haar beroep tot nietigverklaring. |
|
31. |
Het vereiste van een dergelijk belang, hoewel niet neergelegd in artikel 263 VWEU, vormt een door de Unierechter geformuleerde voorwaarde voor de ontvankelijkheid, los van de in dat voorschrift opgenomen voorwaarden. ( 15 ) Het is gebaseerd op het algemene beginsel van procesrecht dat de lidstaten gemeen hebben om tegen te gaan dat massaal „in het algemeen belang” rechtszaken aanhangig worden gemaakt, wat het gevaar in zich bergt dat het beroep tot nietigverklaring tot een vorm van actio popularis verwordt. |
|
32. |
Volgens vaste rechtspraak moet het procesbelang van een verzoeker, gelet op het voorwerp van het beroep (op straffe van niet‑ontvankelijkheid) bestaan in het stadium van de instelling van het beroep, en dient op straffe van afdoening zonder beslissing te blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing. ( 16 ) Het moet gaan om een daadwerkelijk en bestaand belang. ( 17 ) |
|
33. |
Verordening nr. 397/2004 liep op 4 maart 2009 af. Dat ontdoet de onderhavige procedure evenwel niet van haar voorwerp, aangezien de afloop van de verordening ex nunc werkte en de gevolgen ervan dus niet dezelfde waren als die welke een beroep tot nietigverklaring in beginsel zou hebben gehad. ( 18 ) |
|
34. |
Uit de rechtspraak volgt dat het procesbelang van een verzoeker niet noodzakelijkerwijs verdwijnt wanneer een bestreden handeling voor de toekomst geen effect meer sorteert. ( 19 ) Wanneer de betrokken handeling in de loop van de procedure geen effect meer sorteert, moet het Hof het bestaan van het procesbelang van een verzoeker in het licht van de specifieke omstandigheden onderzoeken, rekening houdend in het bijzonder met de gevolgen van de gestelde onrechtmatigheid en met de aard van de aangevoerde schade. ( 20 ) Dat belang kan worden aangetoond door verwijzing naar de schade die een verzoeker in de toekomst vreest te lijden. De betrokken schade kan verschillende vormen aannemen, bijvoorbeeld ongewenste oplegging van nieuwe heffingen, beknotting van zakelijke kansen, of beperkingen van de ontwikkeling van potentiële nieuwe producten. |
|
35. |
In het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat het procesbelang van Gul Ahmed in de loop van het geding met betrekking tot bepaalde delen van haar verzoek, te weten het tweede en het derde middel, is verdwenen. |
|
36. |
Is het legitiem om het begrip procesbelang aldus uit te leggen dat het door louter tijdverloop kan uitdoven en dat een verzoeker hierdoor het recht om zijn zaak aan een rechter voor te leggen verliest? |
|
37. |
Ik vind deze benadering in beginsel onjuist. |
|
38. |
Een dergelijke uitlegging zou betekenen dat de duur van de procedure, die in beginsel niet aan een verzoeker kan worden toegerekend ( 21 ), zijn recht op effectieve rechterlijke bescherming teniet zou kunnen doen gaan. Dit zou kunnen leiden tot willekeurige ongelijkheid voor de wet, afhankelijk van de duur van de procedure. Het zou een verweerder kunnen aanzetten tot vertragingsmanoeuvres in de hoop de rechterlijke controle te frustreren. |
|
39. |
Dat zou erop neerkomen dat de handelingen van de instellingen waarvan de gevolgen in de tijd beperkt zijn en die aflopen nadat een beroep tot nietigverklaring is ingesteld maar vóórdat de rechter het betrokken arrest kan wijzen zich onttrekken aan toezicht door de Unierechter. ( 22 ) |
|
40. |
In zijn richtinggevende arrest in de zaak Les Verts/Parlement ( 23 ) heeft het Hof verklaard dat de Europese Unie een rechtsgemeenschap is in die zin dat noch haar lidstaten noch haar instellingen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het constitutionele handvest waarop zij is gegrond, namelijk het Verdrag en het hiervan afgeleide recht. ( 24 ) |
|
41. |
De hierboven beschreven situatie zou onverenigbaar zijn met zowel deze rechtspraak als de geest van artikel 263 VWEU, op grond waarvan de Unierechter de wettigheid nagaat van de handelingen van de instellingen die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden in het leven te roepen. ( 25 ) |
|
42. |
De vraag van het procesbelang is bijgevolg van constitutioneel belang en moet worden bezien in het bredere kader van het fundamentele recht op effectieve rechterlijke bescherming dat is verankerd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ( 26 ). |
|
43. |
Mijns inziens pleiten al deze elementen voor een ruime uitlegging van het begrip procesbelang. ( 27 ) |
|
44. |
Ik ben het niet eens met de tegenwerping van de Raad en de Commissie dat met een dergelijke uitlegging het beroep tot nietigverklaring tot een actio popularis dreigt te verworden. In de nationale rechtsstelsels van veel lidstaten mag dan een enge uitlegging van het begrip procesbelang ertoe dienen de gerechten te behoeden voor een vloedgolf aan gedingen. ( 28 ) In het procedurerecht van de Unie vindt dit concept evenwel zijn begrenzing in de strikte voorwaarden inzake procesbevoegdheid van artikel 263 VWEU. |
|
45. |
Ik ben met advocaat-generaal Bobek van mening dat het bestaan van „procesbelang” niet mag worden aangepast ter verzekering van een bepaald niveau van procesvoering. ( 29 ) Dit vereiste verlangt veeleer een democratische opvatting tegen de achtergrond van de mensenrechten. ( 30 ) Ik ben het ook eens met advocaat-generaal Kokott die zich heeft gekeerd tegen het opleggen van buitensporige eisen voor het aantonen van procesbelang, wanneer de strikte voorwaarden van het tweede of derde onderdeel van de vierde alinea van artikel 263 VWEU al zijn vervuld. ( 31 ) |
|
46. |
Het vooruitzicht van een persoonlijk belang of voordeel in geval van succes bij de Unierechter is doorslaggevend voor de vraag of er sprake is van een procesbelang. Niettemin is dit criterium wellicht onnodig subjectief en veranderlijk, aangezien het een duidelijke drempel of maatstaf voor het vereiste gunstige gevolg van het winnen van de zaak voor de situatie van de verzoeker ontbeert. ( 32 ) |
|
47. |
Het procesbelang kan alleen per geval en in concreto worden beoordeeld, rekening houdend met alle gevolgen die de nietigverklaring van de bestreden handeling kan hebben voor de individuele situatie van de verzoeker. In dat verband heeft advocaat-generaal Wahl opgemerkt dat het Hof ernaar streeft de notie van „het voortbestaan van het procesbelang” niet te restrictief op te vatten. ( 33 ) Ik ben het hiermee eens en deel de reeds door advocaat-generaal Bobek verwoorde zienswijze dat het aantonen van procesbelang van de verzoeker niet meer zou moeten eisen dan een voorlopig bewijs dat de bestreden handeling voor hem een negatief gevolg heeft (hetgeen impliceert dat de nietigverklaring van de handeling hem persoonlijk tot voordeel strekt). ( 34 ) Een verzwaring van die bewijslast zou van een verzoeker kunnen verlangen het onmogelijke aan te tonen. ( 35 ) |
|
48. |
In dit verband zou de mate van waarschijnlijkheid of aannemelijkheid van de verkrijging van een voordeel niet zwaar mogen wegen. ( 36 ) Ook zou het niet van belang mogen zijn hoe groot het mogelijke voordeel is. Met name wanneer een voordeel afhangt van een toekomstige schadevergoedingsactie moet de Unierechter afzien van een onderzoek naar de inhoud van deze actie en het vooruitzicht van het succes ervan. Enkel een zuiver hypothetische en ongewisse kans op verkrijging van een voordeel in de toekomst zou een verzoeker mogen uitsluiten ( 37 ), terwijl een toekomstig voordeel dat redelijkerwijs mogelijk kan worden verkregen in de normale procedure een procesbelang aantoont. ( 38 ) |
|
49. |
Ik denk niet dat een ruime benadering zal leiden tot een situatie waarin het Hof rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken dient te formuleren. ( 39 ) Evenmin zou het Hof, om redenen van een goede rechtsbedeling, proceseconomie of doelmatigheid „de taal van de ontvankelijkheid” moeten gaan bezigen ter vermijding van een inhoudelijke beoordeling van de zaak. ( 40 ) Heeft een verzoeker ten tijde van de indiening van zijn verzoekschrift voldoende procesbelang aangevoerd, zoals Gul Ahmed in de onderhavige zaak, dan dient het Hof de stelling dat hij dat belang daarna heeft verloren zeer zorgvuldig te onderzoeken. |
|
50. |
Tegen deze achtergrond zal ik nu onderzoeken of Gul Ahmed nog steeds een procesbelang heeft. |
Ontvankelijkheid van de hogere voorziening
|
51. |
De Raad verzoekt het Hof verschillende delen van de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, omdat zij in wezen zouden strekken tot heronderzoek van de feitelijke vaststellingen van het Gerecht en de voor deze rechterlijke instantie aangevoerde middelen zouden herhalen. |
|
52. |
Het is juist dat de hogere voorziening niet altijd duidelijk is en, zoals de Raad terecht opmerkt, zich hier en daar beperkt tot argumenten die reeds voor het Gerecht zijn aangevoerd. ( 41 ) |
|
53. |
Niettemin is het duidelijk dat Gul Ahmed de uitlegging en de toepassing van het Unierecht door het Gerecht betwist, en om die reden kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw worden behandeld. ( 42 ) Bovendien voert Gul Ahmed, zij het in algemene bewoordingen, de gebrekkige motivering van het Gerecht aan. Dat is op zichzelf een rechtsvraag die als zodanig vatbaar is voor toetsing door de rechter in hogere voorziening. ( 43 ) |
|
54. |
Overigens is het Hof niet gebonden aan enkel de argumenten van de partijen, maar kan het wanneer dit dienstig is – afgezien van deze argumenten – de voor de beslechting van het geding relevante rechtsregels toepassen op de feiten die hem door de partijen zijn voorgelegd; anders zou het zich in voorkomend geval gedwongen zien zijn beslissing op onjuiste juridische overwegingen te baseren. ( 44 ) |
|
55. |
Ik geef het Hof dan ook in overweging de argumenten van Gul Ahmed inhoudelijk te onderzoeken, voor zover zij betrekking hebben op rechtsvragen en geen vraagtekens plaatsen bij de feitelijke vaststellingen en beoordelingen door het Gerecht. ( 45 ) |
Procedurele aspecten met betrekking tot het beweerde ontbreken van behoud van procesbelang
|
56. |
Gul Ahmed stelt dat artikel 129 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat vereist dat bij de instelling van een beroep een procesbelang wordt aangetoond, niet kan worden ingeroepen om een verzoeker hiertoe in een latere fase te verplichten. Zodra een verzoeker dus een belang bij het instellen van zijn beroep heeft aangetoond, is hij bevrijd van de last om te bewijzen dat dit belang in de loop van de procedure voortbestaat. |
|
57. |
Volgens vaste rechtspraak staat het aan de verzoekende partij om haar procesbelang aan te tonen. ( 46 ) Het is eveneens vaste rechtspraak dat het Gerecht in elk stadium van de procedure, hetzij op verzoek van de verweerder (of enige andere belanghebbende partij) of ambtshalve, kan nagaan of het belang van de verzoeker voortduurt. ( 47 ) |
|
58. |
Heeft de verzoeker evenwel eenmaal aangetoond dat hij bij de indiening van zijn verzoekschrift voldoet aan alle noodzakelijke voorwaarden voor ontvankelijkheid ( 48 ), zoals Gul Ahmed heeft gedaan, dan is mijns inziens sprake van een vermoeden dat hij hieraan blijft voldoen. |
|
59. |
Dat vermoeden zal in stand blijven zolang het niet wordt betwist. Een verzoeker hoeft dus niet (bijvoorbeeld) om de twee maanden stukken over te leggen om aan te tonen dat hij nog steeds een belang heeft om op te treden en zijn oorspronkelijke verzoekschrift te „hervalideren”. Een procedurevoorschrift tot vaststelling van een dergelijk vereiste zou onwerkbaar zijn. |
|
60. |
Het staat de verweerder evenwel vrij om, in elk stadium van de procedure, dat vermoeden te betwisten. Aangezien een dergelijke betwisting verwant is aan een tegenvordering tegen de verzoeker, staat het aan de verweerder om, precies en met bewijsstukken, de exacte grieven aan te geven. ( 49 ) De verzoeker moet immers kennis kunnen nemen van wat tegen hem wordt aangevoerd. Redelijkerwijs kan niet van hem worden verwacht dat hij de betwisting kan voorzien en van tevoren alle mogelijke argumenten kan behandelen. Het Hof zou dus de enkele betwisting van een behoud van procesbelang niet zomaar mogen aanvaarden. ( 50 ) |
|
61. |
In een procedurele regeling (zoals die welke van toepassing is op de rechterlijke instanties van de Europese Unie) die sterk leunt op de schriftelijke procedure, mag normaal gesproken worden verwacht dat een dergelijke betwisting schriftelijk gebeurt. Wordt – zoals in casu – de betwisting voor het eerst mondeling ter terechtzitting aangevoerd, dan lijkt mij dat de rechter een termijn dient vast te stellen waarbinnen de betwister (dat wil zeggen de verweerder) een formele betwisting dient aan te voeren, met vermelding van de precieze reikwijdte ervan en toevoeging van het nodige bewijs waaruit blijkt dat de verzoeker prima facie zijn procesbelang inderdaad heeft verloren. |
|
62. |
Zodra de verweerder dit heeft gedaan, verschuift de bewijslast naar de verzoeker aan wie een redelijke mogelijkheid moet worden geboden om zijn zaak onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat hij tegenover de tegenpartij niet wezenlijk wordt benadeeld. ( 51 ) Uit hoofde van het beginsel van „equality of arms”, dat een logisch uitvloeisel is van het recht op een eerlijk proces, dient het Gerecht de verzoeker een bepaalde termijn te geven waarbinnen hij kan trachten de betwisting te weerleggen en vervolgens een termijn vast te stellen waarbinnen de andere partijen hun schriftelijke opmerkingen over dit betoog kunnen indienen. ( 52 ) |
|
63. |
Zodra het Gerecht opmerkingen van beide partijen heeft ontvangen, moet het de aangevoerde argumenten en overgelegde bewijsstukken analyseren en vervolgens tot een besluit komen. ( 53 ) |
|
64. |
In de onderhavige zaak is dit pad evenwel niet gevolgd. Ter terechtzitting voor het Gerecht op 25 november 2015 hebben de Raad en de Commissie mondeling betoogd dat Gul Ahmeds procesbelang in de loop van de procedure was verdwenen, daar de litigieuze verordening niet meer van kracht was en elke vordering tot schadevergoeding zou zijn verjaard. Tegelijkertijd heeft de Commissie een aantal redenen aangevoerd waaruit mogelijkerwijs een procesbelang zou blijken en vervolgens op basis van de rechtspraak gedetailleerde argumenten naar voren gebracht om aan te tonen waarom volgens haar geen van deze een procesbelang kon staven in het geval van Gul Ahmed. ( 54 ) Vervolgens heeft het Gerecht Gul Ahmed twee weken de tijd gegeven om haar opmerkingen in te dienen en daarna de Raad en de Commissie in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Alle partijen hebben hun opmerkingen binnen de gestelde termijn ingediend. |
|
65. |
Is wat in dit geval is gebeurd onjuist omdat voorbij is gegaan aan de algemene regels die ik in de punten 61 tot en met 63 hierboven in overweging heb gegeven? |
|
66. |
Mijns inziens is het door de instellingen naar voren gebrachte bezwaar voldoende onderbouwd ter terechtzitting zelf (onweersproken door Gul Ahmed). Gul Ahmed was dus in staat gesteld zich uit te spreken over de betwisting van haar procesbelang. Het is juist dat een zwaarwegend bezwaar van deze aard normaal gesproken schriftelijk wordt aangevoerd. Gul Ahmed heeft echter het Gerecht nooit verzocht de bezwaar makende partijen te gelasten dit te doen, noch enige bedenking geuit ten aanzien van de aldus gevolgde procedure. In deze omstandigheden ben ik van mening dat de geïmproviseerde procedure die door het Gerecht is gevolgd niet in strijd was met het recht van verdediging van Gul Ahmed. |
|
67. |
In het licht van het voorgaande concludeer ik dat het Gerecht geen schending van de procedurele regels inzake de bewijslast of van het beginsel van „equality of arms” kan worden verweten. |
Heeft Gul Ahmed een procesbelang bij het voorkomen van het risico van terugkerende onwettigheid in de toekomst?
|
68. |
Gul Ahmed stelt dat de vermeende fouten in de berekening door de instellingen van de dumpingmarge niet met een specifiek geval verband houden, maar zich in de toekomst kunnen herhalen. Daarom zou het volgens haar gerechtvaardigd zijn de procedure voort te zetten, teneinde te voorkomen dat de Raad deze onwettigheid in de toekomst bestendigt. |
|
69. |
De Raad is van mening dat geen sprake is van een dergelijk risico. In de eerste plaats zou de kans dat opnieuw een onderzoek ten aanzien van katoenhoudend beddenlinnen van oorsprong uit Pakistan wordt ingeleid zuiver hypothetisch zijn. In de tweede plaats, en hoe dan ook, zijn de gestelde onjuistheden specifiek voor het concrete geval, omdat de toegepaste methode voortkwam uit het ontbreken van controleerbare gegevens en het gebrek aan medewerking van de zijde van Gul Ahmed. ( 55 ) Het Gerecht heeft verklaard dat Gul Ahmed geen ter zake doende argumenten heeft ingediend en heeft daarom haar betoog niet aanvaard. ( 56 ) |
|
70. |
Het procesbelang van een verzoeker verdwijnt niet noodzakelijkerwijs wanneer een bestreden handeling geen effect meer sorteert voor de toekomst. ( 57 ) Een nietigverklaring kan op zichzelf rechtsgevolgen hebben, in het bijzonder doordat wordt voorkomen dat de instellingen van de Unie nog eens op diezelfde gelaakte wijze handelen. ( 58 ) Dit procesbelang kan evenwel slechts bestaan wanneer de gestelde onwettigheid zich in de toekomst kan herhalen, los van de omstandigheden van de zaak die hebben geleid tot het door de verzoekende partij ingestelde beroep. ( 59 ) Zo kunnen fouten betrekking hebben op een onjuiste uitlegging van Unierechtelijke bepalingen in het licht van de desbetreffende bepalingen van de WTO‑overeenkomsten ( 60 ), in het bijzonder fouten die verband houden met de gebruikte methoden, criteria en formules in tegenstelling tot fouten bij de beoordeling van specifieke feitelijke omstandigheden. Ten slotte kan een verzoeker niet hoeven aan te tonen dat hij mogelijk rechtstreeks wordt geraakt door de onwettigheid die zich in de toekomst in soortgelijke procedures voordoet. ( 61 ) |
|
71. |
In de onderhavige zaak betekent, ten eerste, het feit dat verscheidene jaren zijn gepasseerd sinds het verstrijken van het definitieve antidumpingrecht op de invoer van Gul Ahmeds textiel in de Europese Unie niet dat de mogelijkheid van een ander onderzoek louter hypothetisch is. Integendeel, wanneer de tariefpraktijken van de Pakistaanse producenten van beddenlinnen opnieuw blijken te voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de Unierechtelijke regels inzake bescherming tegen invoer met dumping, is het heel goed mogelijk dat zij opnieuw worden onderzocht. |
|
72. |
Ten tweede betekent het feit dat bij gebreke van betrouwbare bronnen van informatie de Raad zich heeft gebaseerd op „elke andere redelijke methode” krachtens artikel 2, leden 3, 5 en 6, van de basisverordening niet per se dat de vermeende methodologische fouten specifiek waren voor het concrete geval. Bij de toepassing van deze bepaling diende de Raad een bepaalde methodiek te hanteren en van bepaalde criteria gebruik te maken. |
|
73. |
Het is niet zo gemakkelijk om een scheidslijn aan te brengen tussen mogelijk terugkerende fouten, enerzijds, en fouten die specifiek zijn voor een bepaalde zaak, anderzijds. Een bepaalde oplossing kan zijn toegepast op ad-hocbasis en om een nieuwe situatie het hoofd te bieden. Of zij kan wijzen op een vaste administratieve praktijk of een „model” dat de Commissie heeft ontwikkeld om een zich opnieuw voordoende situatie te behandelen. Indien dat het geval is, kan redelijkerwijs worden verwacht dat zij in de toekomst wordt herhaald. |
|
74. |
Mijns inziens zijn het ontbreken van betrouwbare primaire gegevens en een gebrek aan medewerking van degene tegen wie het onderzoek zich richt waarschijnlijk geen nieuwe problemen tijdens een antidumpingonderzoek. Hieruit volgt dat in beginsel een aantal fouten dat eventueel tijdens een dergelijk onderzoek is begaan wel degelijk van methodologische aard kan zijn en daarom in de toekomst in soortgelijke onderzoeken mogelijkerwijs zal terugkeren. |
|
75. |
Ter terechtzitting hield de gemachtigde van Gul Ahmed evenwel staande dat Gul Ahmed in haar hogere voorziening in werkelijkheid opkomt tegen het ontbreken van enige bijzondere methodologie en het feit dat de Commissie haar bevindingen zou hebben gebaseerd op willekeurige ad-hockeuzes. |
|
76. |
Zo bezien behelst Gul Ahmeds argumentatie niet dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de vermeende fouten van de Commissie te kwalificeren als specifiek voor een concrete zaak. Zoals de Raad en de Commissie terecht stellen, wordt het Hof met dit betoog enkel verzocht om de voor het Gerecht aangevoerde feitelijke en inhoudelijke argumenten opnieuw tegen het licht te houden, iets waartoe het Hof niet bevoegd is. Met dit betoog erkent Gul Ahmed immers in wezen dat de vermeende fouten wel degelijk specifiek waren voor het afzonderlijke geval. Op grond hiervan kom ik tot de slotsom dat Gul Ahmed niet heeft aangetoond dat de gestelde onwettigheid zich in de toekomst opnieuw kan voordoen en dat de motivering van het Gerecht dienaangaande voldoet aan de wettelijke standaarden. ( 62 ) |
Beweerde gedeeltelijke afwijzing van het derde middel
|
77. |
Volgens Gul Ahmed heeft het Gerecht de beweerde gedeeltelijke afwijzing van het derde middel niet gemotiveerd en zich niet uitgesproken over het resterende deel van dat middel. |
|
78. |
Zoals de Raad en de Commissie terecht opmerken berust het betoog van Gul Ahmed op een kennelijk onjuiste lezing van punt 58 van het bestreden arrest. In dat punt heeft het Gerecht zich bij zijn analyse van het voortbestaan van een belang bij de uitkomst van de zaak beperkt tot het aanwijzen van vijf omstandigheden die eigen zijn aan de zaak. Het Gerecht heeft geoordeeld dat Gul Ahmed geen belang had bij dit middel en dat op dit punt geen uitspraak hoefde te worden gedaan. |
|
79. |
Ik geef daarom in overweging dit betoog in hogere voorziening af te wijzen. |
Beweerde schending van het beginsel dat is geformuleerd in het arrest Shanghai Excell
|
80. |
Gul Ahmed lijkt het arrest Shanghai Excell aldus op te vatten dat een niet-ontvankelijkverklaring van haar zaak erop zou neerkomen dat wordt toegegeven dat handelingen waarvan de rechtsgevolgen verstrijken na het instellen van een beroep tot nietigverklaring ervan maar vóórdat het arrest is gewezen, kunnen worden uitgesloten van toetsing, hetgeen strijdig zou zijn met artikel 263 VWEU. |
|
81. |
Een dergelijke lezing van het arrest Shanghai Excell zou betekenen dat, ongeacht of er andere omstandigheden veranderen, een procesbelang stelselmatig aanwezig moet worden geacht in een procedure tot nietigverklaring betreffende handelingen waarvan de rechtsgevolgen vervallen vóórdat het arrest is gewezen. Zoals de Raad en de Commissie terecht opmerken, kan een dergelijk beginsel niet worden afgeleid uit deze rechtspraak, en met name niet uit de punten 56 en volgende van dat arrest. |
|
82. |
Ik geef het Hof dus in overweging dit onderdeel af te wijzen. |
Ontoereikende motivering door het Gerecht?
|
83. |
Gul Ahmed stelt, zij het in algemene termen, dat het Gerecht inbreuk heeft gemaakt op artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie door geen motivering te geven en niet in te gaan op alle bewijzen en argumenten die zij tot staving van haar behoud van procesbelang heeft aangevoerd. |
|
84. |
Ik heb reeds stilgestaan bij de geschiktheid van de motivering van het Gerecht met betrekking tot het gevaar dat er in de toekomst opnieuw sprake is van onwettigheid. ( 63 ) Ik zal daarom nu achtereenvolgens ingaan op de overwegingen van het Gerecht met betrekking tot de andere door Gul Ahmed aangevoerde gronden tot staving van haar procesbelang. |
Terugvordering van de proceskosten van de Raad
|
85. |
Gul Ahmed betoogt een legitiem belang bij de voortzetting van de procedure te hebben met het oog op de terugverkrijging van de kosten ervan. In het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de nietigverklaring van de litigieuze verordening op zichzelf de verzoeker niet het recht op terugvordering van de kosten verleent, aangezien deze op een andere grondslag moeten worden teruggevorderd en zelfs een in het gelijk gestelde partij onder bepaalde omstandigheden in de kosten kan worden verwezen. ( 64 ) |
|
86. |
Ik ben het eens met het oordeel van het Gerecht maar niet met de onderbouwing ervan. |
|
87. |
Een verzoek om de in het ongelijk gestelde partij te verwijzen in de kosten is geen opzichzelfstaande vordering. Dit verzoek is bijkomend van aard en ondergeschikt aan de primaire vordering strekkende tot nietigverklaring van de bestreden handeling. Indien een partij haar belang verliest bij de hoofdvordering, verliest zij tevens haar belang bij het terugvorderen van de kosten van die vordering. |
|
88. |
Artikel 58, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie bepaalt dat het verzoek om hogere voorziening niet uitsluitend betrekking kan hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten. Gelet op de bewoordingen en het doel van deze bepaling, kan een belang bij de invordering van de kosten van de procedure als zodanig niet als basis dienen voor de voortzetting van de procedure. Voor een dergelijk belang moet een verzoeker een belang aantonen dat uitgaat boven de kosten. ( 65 ) Het vereiste van procesbelang zou immers worden uitgehold indien het loutere verzoek om de wederpartij te verwijzen in de kosten voldoende wordt geacht om een belang bij de voortzetting van de procedure tot nietigverklaring aan te tonen. |
|
89. |
Ik geef het Hof derhalve in overweging te verklaren dat het streven om de proceskosten terug te krijgen geen zelfstandige grondslag is die een procesbelang kan funderen. Deze vaststelling is evenwel niet van dien aard dat zij de vernietiging van het bestreden arrest rechtvaardigt, aangezien het oordeel van het Gerecht juist blijft. |
Toekomstige vorderingen tot schadevergoeding wegens nalatigheid van de Unierechter om binnen een redelijke termijn uitspraak te doen
|
90. |
Gul Ahmed verwijst tevens naar haar voornemen om in een later stadium schadevergoeding te vorderen voor de buitensporig lange duur van de procedure voor de Unierechter. Het Gerecht heeft geoordeeld dat Gul Ahmed zich voor de instelling van een dergelijke vordering tot hem dient wenden. Bijgevolg kon Gul Ahmed deze grond niet aanvoeren ter onderbouwing van haar procesbelang in de onderhavige zaak. ( 66 ) |
|
91. |
Hoewel ik het eens ben met de slotsom van het Gerecht kan ik zijn redenering niet volgen. |
|
92. |
Het is vaste rechtspraak dat een verzoeker een belang kan behouden bij de nietigverklaring van een handeling die voor hem bezwarend is, aangezien een vaststelling van een onrechtmatigheid de basis kan vormen voor een toekomstige vordering tot vergoeding van materiële of immateriële schade ( 67 ) die hij heeft geleden als gevolg van de bestreden handeling. ( 68 ) Een verzoekende partij heeft met name een belang om op te treden wanneer de nietigverklaring van de bestreden handeling op zich een voordeel kan verschaffen in het kader van haar beroep tot schadevergoeding, met name door verhoging van de waarschijnlijkheid dat een dergelijke actie zal slagen. ( 69 ) Een verzoeker heeft ook een belang om op te treden wanneer de nietigverklaring de basis kan vormen voor onderhandelingen met de auteur van de bestreden handeling, ter vergoeding van de geleden schade. ( 70 ) |
|
93. |
Het succes van een vordering tot schadevergoeding wegens de buitensporig lange duur van de procedure hangt evenwel in de regel niet af van het gelijk in het voorafgaande beroep tot nietigverklaring van de bestreden handeling. ( 71 ) |
|
94. |
Ik geef het Hof derhalve in overweging te verklaren dat het voornemen om in de toekomst een vordering in te stellen tot vergoeding van de schade als gevolg van een buitensporig lange duur van de procedure geen behoud van belang bij de bestaande procedure tot nietigverklaring vormt. Deze vaststelling volstaat als zodanig evenwel niet als rechtvaardiging voor de vernietiging van het bestreden arrest, aangezien het oordeel van het Gerecht juist blijft. |
Terugbetaling van de betaalde antidumpingrechten
|
95. |
Gul Ahmed stelt dat het door haar dochteronderneming, GTM (Europe) Ltd (hierna: „GTM”), bij de Belgische autoriteiten ingestelde verzoek om terugbetaling van de antidumpingrechten die zijn betaald over de betrokken invoer vanaf augustus 2007 en andere vergelijkbare verzoeken het voortbestaan van haar procesbelang aantonen. Volgens de Raad is het belang van een dochteronderneming niet relevant. |
|
96. |
Het Gerecht heeft om te beginnen geoordeeld dat het belang van de dochteronderneming van Gul Ahmed „samensmelt” met dat van de laatstgenoemde, waarmee dit belang dus is aangetoond. ( 72 ) Vervolgens heeft het geoordeeld dat het verzoek van GTM betrekking had op de rechten die zijn betaald na de wijziging van verordening nr. 397/2004 bij verordening nr. 695/2006, waarbij de litigieuze verordening wat betreft bepaalde onderdelen met betrekking tot dumping is vervangen. ( 73 ) Voorts heeft het verklaard dat het tweede en het derde middel waren gericht tegen deze vervangen onderdelen van de litigieuze verordening, en dat een beroep tot nietigverklaring op die grondslag derhalve geen invloed kon hebben op het verzoek van GTM tot terugbetaling van krachtens de latere verordening geheven rechten. Bijgevolg heeft het Gerecht geoordeeld dat het verzoek om terugbetaling het belang van Gul Ahmed enkel kon staven wat het eerste, het vierde en het vijfde voor hem aangevoerde middel betrof. ( 74 ) Het Gerecht is niet ingegaan op de overige verzoeken om terugbetaling die Gul Ahmed in haar schriftelijke opmerkingen had vermeld. |
|
97. |
Ter terechtzitting voor het Hof heeft Gul Ahmed verklaard geen bewijsmateriaal tot staving van deze andere verzoeken om terugbetaling te hebben overgelegd omdat zij waren gedaan door onafhankelijke importeurs van haar producten, waarmee zij, haars inziens, niet relevant voor de zaak waren. |
|
98. |
In die omstandigheden valt het Gerecht niet te verwijten dat het zijn beoordeling heeft gebaseerd op enkel het verzoek om terugbetaling van GTM. Bovendien was het Gerecht noch in het bijzonder gehouden tot onderbouwing van zijn standpunt met betrekking tot deze andere verzoeken die slechts in algemene zin waren aangevoerd, noch op enigerlei wijze verplicht om toe te lichten waarom het deze verzoeken niet relevant achtte. ( 75 ) |
|
99. |
In geval van nietigverklaring van de litigieuze verordening wordt de rechtsgrondslag voor de terugbetaling van de antidumpingrechten die zijn betaald over de invoer van de producten van Gul Ahmed gevormd door artikel 116, lid 1, onder a), van het douanewetboek, gelezen in samenhang met artikel 117, lid 1, daarvan. Ingevolge artikel 121, lid 1, onder a), van dat wetboek moet een verzoek om teruggaaf worden ingediend binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum van mededeling van de douaneschuld in kwestie. Hieruit volgt dat alleen binnen deze termijn ingediende verzoeken om terugbetaling, zoals die welke door GTM zijn gedaan, kunnen worden ingeroepen door Gul Ahmed ter onderbouwing van haar belang. |
|
100. |
Met het tweede en het derde in haar verzoekschrift aangevoerde middel verwijst Gul Ahmed naar onderdelen van de litigieuze verordening die bij verordening nr. 695/2006 zijn vervangen. ( 76 ) Zelfs indien de door de Raad in het kader van die verordening aangewende criteria en de methode tot op zekere hoogte vergelijkbaar waren met die welke voor de litigieuze verordening zijn gebruikt ( 77 ), zou een mogelijke nietigverklaring van deze laatste verordening geen rechtstreeks gevolg hebben voor de wettigheid van verordening nr. 695/2006. |
|
101. |
En zelfs indien het Hof de litigieuze verordening nietig zou verklaren en gesteld dat, theoretisch gesproken, die nietigverklaring de Raad ertoe aanzet verordening nr. 695/2006 te herzien of met terugwerkende kracht in te trekken, zou Gul Ahmed hiermee hooguit een louter toekomstig en onzeker vooruitzicht op een voordeel verkrijgen. Dat is op zichzelf niet voldoende om een procesbelang van Gul Ahmed aan te tonen. ( 78 ) |
|
102. |
Hieruit volgt dat de motivering die het Gerecht in dat verband heeft gegeven voor de afwijzing van de argumenten van Gul Ahmed voldoende duidelijk is. |
Herstel van de reputatie van Gul Ahmed
|
103. |
Gul Ahmed vermeldt in haar schriftelijke opmerkingen en in de door haar ingestelde hogere voorziening nergens dat zij belang heeft bij herstel van haar reputatie. Het Gerecht heeft verklaard dat Gul Ahmed dienaangaande „haar betoog op geen enkele wijze [had] geconcretiseerd”. ( 79 ) Ter terechtzitting van 25 januari 2018 heeft de Commissie uiteengezet dat zij, ter terechtzitting voor het Gerecht, zelf dit onderwerp heeft aangevoerd en besproken als mogelijke grond waaruit een procesbelang blijkt. |
|
104. |
Een kans op ongedaanmaking van het verlies van de reputatie van een verzoeker betreft niet zozeer zijn juridische, als wel zijn feitelijke situatie. Een procesbelang kan blijken uit een duidelijke kans (en niet een absolute zekerheid) op verkrijging van een feitelijk voordeel. ( 80 ) |
|
105. |
Volgens vaste rechtspraak is de vaststelling van antidumpingrechten een beschermende maatregel tegen de oneerlijke mededinging die het gevolg is van dumpingpraktijken. ( 81 ) Mijns inziens kan een verordening tot instelling van een definitief antidumpingrecht mogelijk verlies van reputatie veroorzaken aan personen die hierin staan vermeld als verantwoordelijk voor dumpingpraktijken. Hieruit volgt dat een verzoeker die de nietigverklaring van een dergelijke verordening nastreeft ten minste een immaterieel belang zou kunnen hebben bij de voortzetting van de procedure, op grond dat een eventuele nietigverklaring zijn reputatieschade kan verminderen, zo niet volledig ongedaan kan maken. ( 82 ) Van een dergelijk belang kan sprake zijn, ongeacht de aard van de aangevoerde middelen. ( 83 ) |
|
106. |
Deze uitgangspunten zijn evenwel enkel van toepassing wanneer de verzoeker deze kwestie ter sprake heeft gebracht in zijn memories en enig bewijs van verlies van zijn reputatieschade als gevolg van de verordening, waarvan hij de nietigverklaring vordert, heeft aangevoerd. In casu is dit niet het geval en ik zal deze mogelijkheid daarom verder niet onderzoeken. |
Toekomstige vorderingen tot vergoeding van schade als gevolg van de litigieuze verordening
|
107. |
Gul Ahmed heeft bij het Gerecht betoogd, zij het slechts in algemene termen, dat zij de Raad eventueel aansprakelijk zou stellen voor schade als gevolg van verordening nr. 397/2004. De Raad en de Commissie zijn van mening dat een beroep tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door de litigieuze verordening in elk geval verjaard was. Het Gerecht is in het bestreden arrest niet op dit argument ingegaan. |
|
108. |
In beginsel behoudt een verzoeker een belang bij een verzoek tot nietigverklaring van een handeling, indien de vaststelling van een onrechtmatigheid de basis kan vormen voor een toekomstige actie tot vergoeding van de schade veroorzaakt door de litigieuze handeling of voor toekomstige onderhandelingen met de auteur ervan. ( 84 ) Een toekomstige schadevergoedingsactie kan een verzoeker echter enkel tot voordeel strekken wanneer zij niet verjaard en dus niet-ontvankelijk is. |
|
109. |
Overeenkomstig artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie is een beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie niet toegestaan na een periode van vijf jaar te rekenen vanaf het ontstaan van het schadebrengende feit, tenzij de verjaring is gestuit door het instellen van een beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie voor het Hof ( 85 ) of door een voorafgaand verzoek aan de bevoegde instelling van de Unie. Indien de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie haar oorsprong vindt in een handeling van algemene strekking, gaat die verjaringstermijn niet in voordat de nadelige gevolgen van die handeling zich hebben voorgedaan. ( 86 ) |
|
110. |
De schade die is geleden door Gul Ahmed gedurende de toepassing van de litigieuze verordening, met name in het licht van haar verplichting tot betaling van de antidumpingrechten op de invoer van haar producten in de Unie, is verjaard. Deze verordening is op 4 maart 2009 vervallen en de verjaring is nooit gestuit. In het bijzonder het door Gul Ahmed ingestelde beroep tot nietigverklaring leidt niet tot stuiting van de verjaringstermijn. ( 87 ) |
|
111. |
In theorie is het mogelijk dat Gul Ahmed andere schade heeft geleden die zich pas later concreet heeft voorgedaan en waarvoor de verjaringstermijn nog niet is verstreken. Ook kan er, eveneens in theorie, sprake zijn van aanhoudende schade, zoals de betaling van kosten voor bankgaranties ( 88 ) of reputatieschade ( 89 ), waarvoor Gul Ahmed de Raad nog aansprakelijk zou kunnen stellen. ( 90 ) |
|
112. |
Ik ben eerder in deze conclusie ingegaan op reputatieschade. ( 91 ) Voor het overige heeft Gul Ahmed noch voor het Gerecht, noch voor het Hof melding gemaakt van aanhoudende schade of hangende beroepen tot schadevergoeding. Gul Ahmed kan bijgevolg op basis van dergelijke vage en ontoereikend onderbouwde argumenten geen procesbelang aantonen. Het Gerecht kan niet worden verweten dienaangaande geen uitdrukkelijke motivering te hebben gegeven. ( 92 ) |
Conclusie met betrekking tot de nakoming van de motiveringsplicht
|
113. |
Gelet op het voorgaande kom ik tot de slotsom dat de motivering van het Gerecht voldoende was en dat het andersluidend betoog van Gul Ahmed dus moet worden afgewezen. |
Kosten
|
114. |
Aangezien het Hof mij heeft gevraagd enkel in te gaan op het eerste middel van Gul Ahmed in hogere voorziening en de uiteindelijke behandeling van de hogere voorziening zal afhangen van het standpunt van het Hof niet alleen met betrekking tot dat middel maar ook wat betreft het tweede middel, onthoud ik mij van overwegingen betreffende de verwijzing in de kosten. |
Conclusie
|
115. |
Gelet op het voorgaande en zonder vooruit te lopen op de beoordeling door het Hof van het tweede middel van de hogere voorziening, geef ik het Hof in overweging om het eerste middel van de hogere voorziening van Gul Ahmed af te wijzen. |
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Niet gepubliceerd, EU:T:2016:740 (hierna: „bestreden arrest”).
( 3 ) PB 2004, L 66, blz. 1 (hierna: „verordening nr. 397/2004” of „litigieuze verordening”).
( 4 ) Verordening van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1) (hierna: „basisverordening”).
( 5 ) Verordening van de Raad van 5 mei 2006 tot wijziging van verordening nr. 397/2004 (PB 2006, L 121, blz. 14).
( 6 ) De overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel van 1994 (PB 1994, L 336, blz. 103) maakt deel uit van bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (PB 1994, L 336, blz. 1).
( 7 ) Niet gepubliceerd, EU:T:2011:535.
( 8 ) Dit middel zag op het vermeende verzuim van de Raad om na te gaan of bepaalde factoren het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de door de ondernemingen binnen de Unie geleden schade verbraken.
( 9 ) EU:C:2013:732.
( 10 ) Vijf jaar na het feit dat de geleden schade heeft veroorzaakt.
( 11 ) Ingevolge artikel 121, lid 1, onder a), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1) moet een verzoek om teruggaaf worden ingediend binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum van mededeling van de douaneschuld.
( 12 ) Ik wijs erop dat de lijst van de door het Gerecht onderzochte gronden niet precies overeenkomt met de lijst van de gronden die door Gul Ahmed voor deze rechter zijn aangevoerd. Ik kom verderop in deze conclusie terug op deze incoherentie (zie punten 103 en 107 hierna).
( 13 ) Zie de eerste, de vierde en de laatste alinea van artikel 263 VWEU.
( 14 ) Arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie (C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 55).
( 15 ) Zie conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Mory e.a./Commissie (C‑33/14 P, EU:C:2015:409, punt 23).
( 16 ) Arresten van 24 juni 1986, AKZO Chemie en AKZO Chemie UK/Commissie (53/85, EU:C:1986:256, punt 21), en 17 september 2015, Mory e.a./Commissie (C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 57). Zie ook, in de context van een hogere voorziening, arresten van 19 oktober 1995, Rendo e.a./Commissie (C‑19/93 P, EU:C:1995:339, punt 13), en 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie (C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 42; hierna: „arrest Wunenburger”).
( 17 ) Zie in die zin arresten van 17 september 2009, Commissie/Koninklijke FrieslandCampina (C‑519/07 P, EU:C:2009:556, punt 65), en 26 februari 2015, Planet/Commissie (C‑564/13 P, EU:C:2015:124, punt 34).
( 18 ) Arresten van 27 juni 2013, Xeda International en Pace International/Commissie (C‑149/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:433, punt 32), en 23 december 2015, Parlement/Raad (C‑595/14, EU:C:2015:847, punt 23).
( 19 ) Zie in die zin arrest van 1 oktober 1998, Langnese-Iglo/Commissie (C‑279/95 P, EU:C:1998:447), waarin het Hof heeft verklaard dat het feit dat de bestreden handeling is vervallen geen afbreuk doet aan het belang van een definitieve beslissing over de wettigheid en de draagwijdte van haar voorschriften om de juridische gevolgen ervan voor de periode voorafgaand aan de daarin vastgestelde datum te bepalen (punt 71). In dezelfde geest kan het belang blijven bestaan ook al is de bestreden handeling achterhaald (arrest Wunenburger, punten 41‑62), ingetrokken (arrest van 12 december 2006, Organisation des Modjahedines du peuple d’Iran/Raad, T‑228/02, EU:T:2006:384, punten 34 en 35) of vervangen (arrest van 7 oktober 2009, Vischim/Commissie, T‑420/05, EU:T:2009:391, punten 58‑63), niet langer van toepassing (arrest van 26 april 1988, Apesco/Commissie, 207/86, EU:C:1988:200, punt 16) of volledig ten uitvoer gelegd en heeft zij dus reeds alle hiermee verbonden gevolgen gesorteerd (arrest van 24 juni 1986, AKZO Chemie en AKZO Chemie UK/Commissie, 53/85, EU:C:1986:256, punt 21).
( 20 ) Arrest van 23 december 2015, Parlement/Raad (C‑595/14, EU:C:2015:847, punt 18en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 21 ) In de onderhavige zaak is – afgezien van een periode van bijna twee jaar, toen de procedure werd geschorst op verzoek van de verzoeker (15 oktober 2004 tot en met 7 september 2006) – deze duur niet toerekenbaar aan Gul Ahmed.
( 22 ) Zie arrest van 18 maart 2009, Shanghai Excell M&E Enterprise en Shanghai Adeptech Precision/Raad (T‑299/05, EU:T:2009:72, punt 56; hierna: „arrest Shanghai Excell”).
( 23 ) Arrest van 23 april 1986, 294/83 (EU:C:1986:166, punt 23; hierna: „arrest Les Verts”).
( 24 ) Ook zij erop gewezen dat het Hof in het arrest Les Verts zoals bekend heeft geoordeeld dat „het Verdrag een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven [heeft] geroepen, waarbij het Hof het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen is opgedragen” (punt 23 van dat arrest; cursivering van mij).
( 25 ) Zoals het Gerecht terecht in herinnering heeft gebracht in het arrest Shanghai Excell, punt 57.
( 26 ) PB 2010, C 83, blz. 389 (hierna: „Handvest”).
( 27 ) Het Hof heeft deze ruime uitlegging in talrijke zaken gehanteerd. Een schoolvoorbeeld daarvan is het arrest van 17 april 2008, Flaherty e.a./Commissie (C‑373/06 P, C‑379/06 P en C‑382/06 P, EU:C:2008:230). Een auteur ziet hierin een „liberale benadering die de toegang tot het Hof begunstigt”; zie Van Raepenbusch, S., „Le recours en annulation”, Les recours des particuliers devant le juge de l’Union européenne, Brussel, Bruylant, 2012, blz. 47.
( 28 ) Zie punt 31 hiervoor.
( 29 ) Zie conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Binca Seafoods/Commissie (C‑268/16 P, EU:C:2017:444, punt 95).
( 30 ) Zie Renaudie, O., L’intérêt à agir devant le juge administratif, Parijs, Berger-Levrault, 2015, blz. 43, die wijst op de noodzaak van een „democratische lezing” van het vereiste van een procesbelang „in het licht van de mensenrechten”.
( 31 ) Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Telefónica/Commissie (C‑274/12 P, EU:C:2013:204, punt 86).
( 32 ) Mariatte, F., Ritleng, D., Contentieux de l’Union européenne / 1 – Annulation, exception d’illégalité, Parijs, Lamy, 1998, blz. 108.
( 33 ) Zie in die zin zijn conclusie in de zaak Commissie/Hansestadt Lübeck (C‑524/14 P, EU:C:2016:693, punt 38).
( 34 ) Zie zijn conclusie in de zaak Binca Seafoods/Commissie (C‑268/16 P, EU:C:2017:444, punt 93).
( 35 ) Met andere woorden een probatio diabolica. Zie in die zin arrest van 11 april 2013, Mindo/Commissie (C‑652/11 P, EU:C:2013:229, punt 50).
( 36 ) In sommige gevallen heeft de Unierechter naar dit criterium verwezen, evenwel zonder hieruit enige bijzondere gevolgen te trekken. Zie bijvoorbeeld beschikking van 6 juli 2011, Petroci/Raad (T‑160/11, niet gepubliceerd, EU:T:2011:334, punt 23).
( 37 ) Lenaerts, K., Maselis, I., Gutman, K., EU Procedural Law, Oxford University Press, 2014, blz. 360. Zie ook arresten van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group (C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 50); 21 januari 1987, Stroghili/Rekenkamer (204/85, EU:C:1987:21, punt 11), en 30 april 1998, Cityflyer Express/Commissie (T‑16/96, EU:T:1998:78, punt 30).
( 38 ) In het kader van de antidumpingrechten heeft het Gerecht dit criterium vaak ruim uitgelegd. Zie bijvoorbeeld arresten van 29 juni 2000, Medici Grimm/Raad (T‑7/99, EU:T:2000:175, punten 54‑56), en 28 februari 2017, Canadian Solar Emea e.a./Raad (T‑162/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:124, punt 47).
( 39 ) Zie Van Raepenbusch, S., „Le recours en annulation”, Les recours des particuliers devant le juge de l’Union européenne, Brussel, Bruylant, 2012, blz. 47. Zie ook conclusie van advocaat-generaal Kokott in de gevoegde zaken Italië/Commissie (C‑138/03, C‑324/03 en C‑431/03, EU:C:2005:387, punt 41) en conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Mory e.a./Commissie (C‑33/14 P, EU:C:2015:409, punt 28).
( 40 ) Zie in die geest Wicker, G., „La légitimité d’intérêt à agir”, Études sur le droit de la concurrence et quelques thèmes fondamentaux: mélanges en l’honneur d’Yves Serra, Dalloz, 2006, blz. 460.
( 41 ) Hoewel Gul Ahmed de punten 42 tot en met 60 van het bestreden arrest noemt als punten die blijk zouden geven van een onjuiste rechtsopvatting, geeft zij in antwoord op een vraag dienaangaande ter terechtzitting te kennen dat haar hogere voorziening zich in feite enkel richt tegen de punten 49 en 55 tot en met 60.
( 42 ) Arrest van 12 september 2006, Reynolds Tobacco e.a./Commissie (C‑131/03 P, EU:C:2006:541, punt 51en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 43 ) Arrest van 26 mei 2016, Rose Vision/Commissie (C‑224/15 P, EU:C:2016:358, punt 26).
( 44 ) Beschikking van 27 september 2004, UER/M6 e.a. (C‑470/02 P, niet gepubliceerd, EU:C:2004:565, punt 69), en arresten van 21 september 2010, Zweden e.a./API en Commissie (C‑514/07 P, C‑528/07 P en C‑532/07 P, EU:C:2010:541, punten 65‑67), en 5 oktober 2009, Commissie/Roodhuijzen (T‑58/08 P, EU:T:2009:385, punten 34‑37).
( 45 ) Zie naar analogie arrest van 16 juli 2009, Commissie/Schneider Electric (C‑440/07 P, EU:C:2009:459, punt 193).
( 46 ) Zie in die zin beschikking van 31 juli 1989, S./Commissie (206/89 R, EU:C:1989:333, punt 8), en arrest van 4 juni 2015, Andechser Molkerei Scheitz/Commissie (C‑682/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:356, punt 27).
( 47 ) Zie in die zin arrest van 19 oktober 1995, Rendo e.a./Commissie (C‑19/93 P, EU:C:1995:339, punt 13), en beschikking van 17 oktober 2005, First Data e.a./Commissie (T‑28/02, EU:T:2005:357, punten 36 en 37). Zie ook als voorbeeld van zaken waarin het Gerecht zich ambtshalve over deze kwestie heeft gebogen arresten van 7 maart 2013, Acino/Commissie (T‑539/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:110, punten 29‑46), en 10 april 2013, GRP Security/Rekenkamer (T‑87/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:161, punten 43‑49).
( 48 ) Zie punten 29 en 30 hiervoor.
( 49 ) Overeenkomstig het beginsel dat wie stelt moet bewijzen. Zie in die zin arrest van 18 juli 2006, Rossi/BHIM (C‑214/05 P, EU:C:2006:494, punt 23).
( 50 ) Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Commissie/Infront WM (C‑125/06 P, EU:C:2007:611, punten 71‑73), samen met het arrest van 13 maart 2008 in die zaak (EU:C:2008:159, punt 56); beschikking van 8 april 2008, Saint‑Gobain Glass Deutschland/Commissie (C‑503/07 P, EU:C:2008:207, punt 51), en arrest van 11 mei 2010, PC‑Ware Information Technologies/Commissie (T‑121/08, EU:T:2010:183, punt 36). Zie in die zin ook Clausen, F., Les moyens d’ordre public dans le contentieux relevant de la Cour de justice de l’Union européenne, Université Paris II, 2017, wordt gepubliceerd door Bruylant, blz. 509.
( 51 ) Arrest van 6 november 2012, Otis e.a. (C‑199/11, EU:C:2012:684, punten 71 en 72).
( 52 ) Hiervoor heeft het Gerecht de mogelijkheid om krachtens de artikelen 88 tot en met 90 van zijn Reglement voor de procesvoering ter zake doende maatregelen tot organisatie van de procesgang te treffen.
( 53 ) De volgorde die ik in de voorafgaande punten heb gehanteerd, is gebaseerd op de procedure van artikel 130, leden 1 tot en met 7, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wat betreft preliminaire excepties ter zake van de ontvankelijkheid van het beroep of de bevoegdheid van het Hof. Zie bijvoorbeeld beschikking van 6 september 2011, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (T‑18/10, EU:T:2011:419).
( 54 ) In antwoord op vragen van het Hof ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de Commissie in de procedure voor het Gerecht een gedetailleerde beschrijving gegeven – zonder op dit punt te zijn tegengesproken door de gemachtigde van Gul Ahmed – van het betoog ter zake van een procesbelang tijdens de terechtzitting voor het Gerecht. Hij heeft aangegeven dat deze gronden een toekomstige schadevergoedingsactie, een verzoek om terugbetaling van door verbonden importeurs betaalde antidumpingrechten en het herstel van de reputatie van Gul Ahmed omvatten.
( 55 ) Zie voetnoot 77 hierna.
( 56 ) Punt 57 van het bestreden arrest.
( 57 ) Zie de in punt 34 hiervoor aangehaalde rechtspraak.
( 58 ) Zie in die zin arrest van 3 september 2009, Moser Baer India/Raad (C‑535/06 P, EU:C:2009:498, punt 25; hierna: „arrest Moser Baer India”).
( 59 ) Arrest Wunenburger, punt 52.
( 60 ) Arrest van 24 september 2008, Reliance Industries/Raad en Commissie (T‑45/06, EU:T:2008:398, punt 43).
( 61 ) Hoewel het arrest Wunenburger (punt 58) en het arrest Shanghai Excell (punt 51, in het kader van het definitieve antidumpingrecht) verwijzen naar een dergelijke aanvullende eis, verwijst het arrest Moser Baer India (punt 25) in abstracto naar een risico op herhaling in de toekomst als zodanig.
( 62 ) Arrest van 26 november 2013, Groupe Gascogne/Commissie (C‑58/12 P, EU:C:2013:770, punt 37).
( 63 ) Zie punten 68‑76 hiervoor.
( 64 ) Zie punt 52 van het bestreden arrest.
( 65 ) Zie naar analogie conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (C‑413/06 P, EU:C:2007:790, punt 80).
( 66 ) Zie punt 53 van het bestreden arrest.
( 67 ) Zie arresten van 22 december 2008, Gordon/Commissie (C‑198/07 P, EU:C:2008:761, punten 19 en 60), en 16 juli 2009, SELEX Sistemi Integrati/Commissie (C‑481/07 P, niet gepubliceerd, EU:C:2009:461, punt 38).
( 68 ) Zie met name arresten van 5 maart 1980, Könecke Fleischwarenfabrik/Commissie (76/79, EU:C:1980:68, punt 9); 31 maart 1998, Frankrijk e.a./Commissie (C‑68/94 en C‑30/95, EU:C:1998:148, punt 74); 13 juli 2000, Parlement/Richard (C‑174/99 P, EU:C:2000:412, punten 33 en 34), en 27 juni 2013, Xeda International en Pace International/Commissie (C‑149/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:433, punten 32 en 33).
( 69 ) Zie in die zin arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie (C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punten 75 en 80).
( 70 ) Arrest Shanghai Excell, punt 55. Zie ook arresten van 17 juli 2014, Westfälisch-Lippischer Sparkassen- und Giroverband/Commissie (T‑457/09, EU:T:2014:683, punt 139), en 14 november 2013, ICdA e.a./Commissie (T‑456/11, EU:T:2013:594, punt 38).
( 71 ) Voor voorbeelden van zaken die laten zien dat verzoekers, in beginsel, met succes de Europese Unie aansprakelijk kunnen stellen voor schade die het gevolg is van de buitensporig lange duur van de procedure tot nietigverklaring, ondanks het feit dat hun beroepen tot nietigverklaring eerder zijn verworpen, zie arresten van 1 februari 2017, Kendrion/Europese Unie (T‑479/14, EU:T:2017:48); 10 januari 2017, Gascogne Sack Deutschland en Gascogne/Europese Unie (T‑577/14, EU:T:2017:1), en 7 juni 2017, Guardian Europe/Europese Unie (T‑673/15, EU:T:2017:377).
( 72 ) Deze vaststelling is door geen van de partijen betwist.
( 73 ) Het ging om de vaststelling van de normale waarde en de vergelijking daarvan met de prijs bij uitvoer.
( 74 ) Zie punt 54 van het bestreden arrest.
( 75 ) Zie naar analogie arrest van 12 september 2017, Anagnostakis/Commissie (C‑589/15 P, EU:C:2017:663, punt 38).
( 76 ) Deze elementen zijn opnieuw vastgesteld na een nieuw onderzoek. Op basis van de gegevens die uit dit onderzoek voortkwamen, heeft de Raad in die verordening nieuwe tarieven van het antidumpingrecht vastgesteld ter vervanging van die in de litigieuze verordening.
( 77 ) De door de Commissie gebruikte methode in de onderzoeken die voorafgingen aan de vaststelling van deze twee verordeningen verschilde tot op zekere hoogte. Dat is toe te schrijven aan het feit dat tijdens het tweede onderzoek de Commissie haar bevindingen kon baseren op relatief hoogwaardige, geverifieerde gegevens die door een groep van producenten van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan waren aangeleverd, wat niet het geval was bij het eerste onderzoek.
( 78 ) De situatie zou natuurlijk anders zijn geweest wanneer een dergelijke nietigverklaring (al dan niet vergezeld van een handhaving van de gevolgen van de nietig verklaarde verordening) had plaatsgevonden vóór de vaststelling van verordening nr. 695/2006 of wanneer die nog van toepassing was. Het valt echter buiten het kader van deze conclusie om dieper in te gaan op mogelijke hypothetische scenario’s.
( 79 ) Punten 44 en 59 van het bestreden arrest.
( 80 ) Zie in die zin de doorwrochte analyse door advocaat-generaal Bobek in zijn conclusie in de gevoegde zaken Bionorica en Diapharm/Commissie (C‑596/15 P en C‑597/15 P, EU:C:2017:297, punten 47‑57).
( 81 ) Arrest van 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad (C‑458/98 P, EU:C:2000:531, punten 91 en 92).
( 82 ) Zie naar analogie arresten van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punten 70‑72); 8 september 2016, Iranian Offshore Engineering & Construction/Raad (C‑459/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:646, punt 12); 6 juni 2013, Ayadi/Commissie (C‑183/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:369, punten 59‑81), en 15 juni 2017, Al-Faqih e.a./Commissie (C‑19/16 P, EU:C:2017:466, punten 36 en 37). Zie naar analogie arrest van 15 maart 1973, Marcato/Commissie (37/72, EU:C:1973:33, punten 6 en 7).
( 83 ) Zie naar analogie conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Abdulrahim/Raad en Commissie (C‑239/12 P, EU:C:2013:30, punt 66).
( 84 ) Zie punt 92 hiervoor.
( 85 ) Arrest van 8 november 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie (C‑469/11 P, EU:C:2012:705, punt 55).
( 86 ) Arrest van 19 april 2007, Holcim (Deutschland)/Commissie (C‑282/05 P, EU:C:2007:226, punt 29).
( 87 ) Ibidem, punt 36.
( 88 ) Ibidem, punt 35.
( 89 ) Arrest van 7 juni 2017, Guardian Europe/Europese Unie (T‑673/15, EU:T:2017:377, punt 42).
( 90 ) Een dergelijke vordering zou ontvankelijk zijn ten aanzien van schade ontstaan tijdens de periode van vijf jaar die aan deze vordering is voorafgegaan. Zie in die zin arresten van 21 april 2005, Holcim (Deutschland)/Commissie (T‑28/03, EU:T:2005:139, punt 70), en 16 december 2015, Chart/EEAS (T‑138/14, EU:T:2015:981, punt 58en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 91 ) Zie punten 103‑106 hiervoor.
( 92 ) Arrest van 2 april 2009, France Télécom/Commissie (C‑202/07 P, EU:C:2009:214, punt 30en aldaar aangehaalde rechtspraak).