CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

HENRIK SAUGMANDSGAARD ØE

van 14 december 2017 ( 1 )

Zaak C‑13/17

Fédération des entreprises de la beauté

tegen

Ministre des Affaires sociales, de la Santé et des Droits des femmes,

Ministre de l’Éducation nationale, de l’Enseignement supérieur et de la Recherche,

Ministre de l’Économie et des Finances, voorheen Ministre de l’Économie, de l’Industrie et du Numérique

[verzoek van de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van de wetgevingen – Cosmetische producten – Verordening (EG) nr. 1223/2009 – Artikel 10, lid 2 – Beoordeling van de veiligheid van een cosmetisch product – Kwalificaties van de veiligheidsbeoordelaar – Erkenning van de gelijkwaardigheid van opleidingen – Bedoelde soorten opleidingen – Eventuele uitsluitende verwijzing naar opleidingen die in derde landen worden aangeboden – Gelijksoortige studierichtingen aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde – Beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten – Criteria ter vaststelling”

I. Inleiding

1.

Het verzoek om een prejudiciële beslissing dat is ingediend door de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) betreft de uitlegging van artikel 10, lid 2, van verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten ( 2 ), waarover het Hof zich nog niet heeft uitgesproken. ( 3 ) Die bepaling vermeldt de kwalificaties waarover personen moeten beschikken die verantwoordelijk zijn voor de beoordeling van de veiligheid van dergelijke producten. ( 4 ) Het gaat daarbij om kwalificaties die worden behaald na afronding van „een universitaire opleiding in theoretisch en praktisch onderwijs in de farmacie, toxicologie, geneeskunde of een gelijksoortige studierichting” dan wel van „een door een lidstaat als gelijkwaardig erkende opleiding”.

2.

Aan de basis van deze prejudiciële verwijzing ligt een beroep tot nietigverklaring van het besluit betreffende de beroepskwalificaties van beoordelaars van de veiligheid van cosmetische producten voor de volksgezondheid, dat op 25 februari 2015 is vastgesteld door de verwerende ministers in het hoofdgeding ( 5 ) (hierna: „litigieus besluit”). Bij dat besluit heeft de Franse wetgever bepaald welke opleidingen hij erkent als „gelijkwaardig” in de zin van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009. Er zijn uitsluitend diploma’s en bewijsstukken in vermeld die worden afgegeven in de Europese Economische Ruimte (EER), waaronder met name diploma’s in de diergeneeskunde en de ecotoxicologie.

3.

De verwijzende rechter vraagt het Hof of de lidstaten overeenkomstig dat artikel 10, lid 2, uitsluitend die opleidingen als gelijkwaardig kunnen erkennen, welke worden gegeven in landen buiten de Europese Unie. Voorts wenst hij te vernemen of de lidstaten krachtens diezelfde bepaling studierichtingen kunnen bepalen die worden beschouwd als „gelijksoortig” aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde en, zo ja, volgens welke criteria.

II. Toepasselijke bepalingen

A.   Unierecht

4.

Zoals blijkt uit de overwegingen 1 en 69 van verordening nr. 1223/2009, herschikt deze verordening richtlijn 76/768/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten ( 6 ), in de plaats waarvan zij is gekomen.

5.

Volgens overweging 4 „harmoniseert [verordening nr. 1223/2009] in hoge mate de regels in de Gemeenschap om tot een interne markt voor cosmetische producten te komen en tevens een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen”.

6.

Overweging 19 van die verordening vermeldt dat de informatie die ter beschikking van de bevoegde instanties moet worden gehouden „met name een productveiligheidsrapport [moet omvatten] waarin is gedocumenteerd dat een veiligheidsbeoordeling is uitgevoerd”.

7.

Artikel 1, met het opschrift „Toepassingsgebied en doel”, bepaalt dat in de „verordening […] regels [worden] vastgesteld waaraan alle cosmetische producten die op de markt worden aangeboden, moeten voldoen om de werking van de interne markt en een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen”.

8.

Artikel 10 ervan, met als opschrift „Beoordeling van de veiligheid”, luidt als volgt:

„1.   Om aan te tonen dat een cosmetisch product in overeenstemming is met artikel 3, garandeert de verantwoordelijke persoon, alvorens een cosmetisch product op de markt te brengen, dat de veiligheid van het product aan de hand van de relevante informatie is beoordeeld en dat overeenkomstig bijlage I een productveiligheidsrapport is opgesteld.

[…]

De Commissie stelt in nauwe samenwerking met alle belanghebbenden adequate richtsnoeren op teneinde ondernemingen, en in het bijzonder kleine en middelgrote bedrijven, in staat te stellen te voldoen aan de voorschriften van bijlage I. Deze richtsnoeren worden vastgesteld volgens de in artikel 32, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

2.   De productveiligheidsbeoordeling voor cosmetische producten zoals vastgesteld in bijlage I, deel B, wordt uitgevoerd door een persoon in het bezit van een diploma of ander bewijsstuk ter afsluiting van een universitaire opleiding in theoretisch en praktisch onderwijs in de farmacie, toxicologie, geneeskunde of een gelijksoortige studierichting, of van een door een lidstaat als gelijkwaardig erkende opleiding.”

9.

Bijlage I bij verordening nr. 1223/2009 betreft het productveiligheidsrapport. Volgens punt 4 van deel B, „Productveiligheidsbeoordeling”, dient dat rapport met name bewijs te omvatten „van de kwalificaties van de beoordelaar”.

10.

Deze verordening is in de Overeenkomst betreffende de EER (hierna: „EER-overeenkomst”) opgenomen bij besluit nr. 49/2013 van het gemengd comité van de EER van 5 april 2013 tot wijziging van bijlage II (technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij die overeenkomst. ( 7 )

11.

De bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/674/EU van de Commissie van 25 november 2013 inzake richtsnoeren met betrekking tot bijlage I bij verordening nr. 1223/2009 ( 8 ) vermeldt in onderdeel 4.4, „Kwalificaties van de beoordelaar en goedkeuring van deel B”, het volgende:

„De veiligheidsbeoordelaar moet beroepsmatig zijn met de nodige kennis en ervaring voor het opstellen van een accurate veiligheidsbeoordeling, zoals aangegeven in de kwalificatie-eisen in artikel 10, lid 2, van verordening (EG) nr. 1223/2009. In deze rubriek van het productveiligheidsrapport moet onderbouwd blijken dat aan deze eis is voldaan.

[…]

Een persoon die in een derde land een kwalificatie heeft behaald, kan als veiligheidsbeoordelaar optreden na het afronden van ‚een door een lidstaat als gelijkwaardig [aan een universitaire opleiding in theoretisch en praktisch onderwijs in de farmacie, toxicologie, geneeskunde of een gelijksoortige studierichting] erkende opleiding’.

De kwalificaties van de veiligheidsbeoordelaar zoals vereist in artikel 10 van verordening (EG) nr. 1223/2009 moeten worden aangetoond (met een kopie van het diploma en indien nodig een bewijs van gelijkwaardigheid).”

B.   Frans recht

12.

Volgens artikel L. 5131‑2, derde alinea, van de code de la santé publique (wetboek van volksgezondheid) ( 9 ) moeten „[d]e personen die belast zijn met de beoordeling van de veiligheid […] een universitaire opleiding hebben zoals bedoeld in artikel 10 van verordening (EG) nr. 1223/2009 […], of een gelijkwaardige opleiding die wordt genoemd op een lijst die wordt vastgesteld door de ministers die belast zijn met de gezondheid, de industrie en het hoger onderwijs, dan wel een opleiding die door een lidstaat van de Europese Unie als gelijkwaardig wordt erkend”.

13.

Volgens de considerans beoogt het litigieuze besluit ( 10 )„de opleidingen vast te leggen die worden erkend als gelijkwaardig aan de diploma’s van arts, apotheker en toxicoloog die zijn vereist voor beoordelaars van de veiligheid van cosmetische producten voor de volksgezondheid”. Ingevolge artikel 1 van dat besluit „wordt de lijst van opleidingen die worden erkend als gelijkwaardig aan de universitaire opleiding zoals bedoeld in artikel 10 van verordening (EG) nr. 1223/2009 en in artikel L. 5131‑2 van het wetboek van volksgezondheid, opgenomen in de bijlage”. Die lijst vermeldt:

„1.   het Franse staatsdiploma van diergeneeskundig doctor, het staatsdiploma van dierenarts of één van de diploma’s, certificaten of bewijsstukken van diergeneeskunde afgegeven door andere lidstaten van de Europese Unie, de staten die partij zijn bij de [EER-overeenkomst] of de Zwitserse Confederatie;

2.   het nationale diploma ter verkrijging van de Franse doctorsgraad of één van de diploma’s, certificaten of bewijsstukken van een niveau dat vergelijkbaar is met de Franse doctorsgraad en dat is afgegeven door de andere lidstaten van de Europese Unie, de staten die partij zijn bij de [EER-overeenkomst] of de Zwitserse Confederatie, afgesloten met onderzoekswerkzaamheden op het gebied van de toxicologie of de ecotoxicologie;

3.   het Franse diploma van master of één van de diploma’s, certificaten of bewijsstukken afgegeven door de andere lidstaten van de Europese Unie, de staten die partij zijn bij de [EER-overeenkomst] of de Zwitserse Confederatie, en die door de staat die ze heeft afgegeven zijn erkend als zijnde van het niveau master (verlening van 120 ECTS-credits na een eerste diploma dat zelf recht geeft op 180 ECTS-credits), waardoor ten minste 60 ECTS-credits kunnen worden aangetoond op het gebied van de toxicologie of de ecotoxicologie en op het gebied van de risicobeoordeling;

4.   het postdoctoraal diploma toxicologie of ecotoxicologie;

5.   het diploma hoger gespecialiseerd onderwijs in toxicologie of ecotoxicologie.”

III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof

14.

Blijkens het dossier is de Fédération des entreprises de la beauté (hierna: „FEBEA”) een beroepsorganisatie waarbij meer dan 300 ondernemingen zijn aangesloten die actief zijn in de Franse cosmeticasector.

15.

Op 4 september 2015 heeft die organisatie zich tot de Conseil d’Etat gewend met een verzoek tot nietigverklaring van het litigieuze besluit wegens overschrijding van bevoegdheid, alsook van het ministerieel besluit van 10 juli 2015, waarbij haar tegen dat besluit gemaakte bezwaar was afgewezen.

16.

Ter ondersteuning van haar verzoek betoogt de FEBEA onder meer dat het litigieuze besluit inbreuk maakt op artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009, ten eerste omdat het met name de studierichting ecotoxicologie aanmerkt als een „gelijksoortige” studierichting aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde, hoewel die verordening de lidstaten geen dergelijke bevoegdheid verleent en, ten tweede, omdat het de gelijkwaardigheid erkent van opleidingen die worden gegeven in de Unie, de EER of de Zwitserse Confederatie, terwijl overeenkomstig die bepaling alleen opleidingen genoten in derde landen als gelijkwaardig kunnen worden erkend.

17.

Volgens de verwijzende rechter laat artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 het aan de lidstaten over om de opleidingen te erkennen die worden afgesloten met een diploma dat gelijkwaardig is aan een diploma of ander bewijsstuk ter afsluiting van een universitaire opleiding in theoretisch en praktisch onderwijs in de farmacie, de toxicologie, de geneeskunde of een gelijksoortige studierichting, waarover de persoon die verantwoordelijk is voor de beoordeling van de veiligheid van een cosmetisch product, moet beschikken.

18.

Zelfs al zou het in die bepaling gebruikte begrip „als gelijkwaardig erkende opleiding” alleen betrekking hebben op opleidingen in staten waarvoor de verordening niet geldt, zoals de FEBEA stelt, ook dan zou kunnen worden aangenomen dat de volledige uitvoering van die bepaling vereist dat, teneinde de erkenning van de gelijkwaardigheid van opleidingen mogelijk te maken, eerst wordt gepreciseerd welke inhoud het begrip „gelijksoortige studierichting” heeft en wat het vereiste niveau van de kwalificaties is om te voldoen aan de voorwaarden van de verordening.

19.

Daarop heeft de Conseil d’Etat bij beslissing van 16 december 2016, bij het Hof binnengekomen op 12 januari 2017, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Heeft de erkenning van gelijkwaardigheid van opleidingen waartoe de lidstaten kunnen overgaan krachtens artikel 10, lid 2, van [verordening nr. 1223/2009] alleen betrekking op opleidingen in staten die geen lid van de Europese Unie zijn?

2)

Staan de bepalingen van artikel 10, lid 2, van die verordening toe dat een lidstaat studierichtingen bepaalt die kunnen worden aangemerkt als ‚gelijksoortig’ aan geneeskunde, farmacie of toxicologie en het niveau van de kwalificatie die aan de vereisten van de verordening voldoet?

3)

Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, aan de hand van welke criteria kunnen studierichtingen worden aangemerkt als ‚gelijksoortig’ aan geneeskunde, farmacie of toxicologie?”

20.

De FEBEA, de Franse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting zijn zij alle drie gehoord in hun pleidooien.

IV. Beoordeling

21.

De verwijzende rechter stelt het Hof drie prejudiciële vragen. De eerste heeft betrekking op het begrip „door een lidstaat als gelijkwaardig erkende opleiding” in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009. De tweede en de derde vraag zien op het begrip „gelijksoortige studierichting” aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde, in de zin van diezelfde bepaling. Aangezien deze laatste twee vragen dezelfde strekking hebben, dienen zij mijns inziens samen te worden behandeld.

A.   Draagwijdte van het begrip „door een lidstaat als gelijkwaardig erkende opleiding” in de zin van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 (eerste vraag)

22.

Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof in wezen te vernemen of het begrip „door een lidstaat als gelijkwaardig erkende opleiding”, dat wordt gebezigd in artikel 10, lid 2, aldus moet worden uitgelegd dat het uitsluitend betrekking heeft op opleidingen die worden gegeven in staten buiten de Unie.

23.

Uit het nationale dossier blijkt dat in het hoofdgeding de FEBEA stelt dat het litigieuze besluit onrechtmatig is aangezien het de gelijkwaardigheid erkent van diploma’s die met name ( 11 ) in de Unie zijn behaald, terwijl een dergelijke erkenning tussen lidstaten helemaal niet nodig is ( 12 ). In de procedure bij het Hof blijft de FEBEA op dat standpunt staan. Zij betoogt namelijk dat een dergelijke nationale maatregel slechts noodzakelijk is wanneer het gaat om personen in het bezit van een diploma dat is afgegeven in een derde land, aangezien die de functie van beoordelaar van de veiligheid van cosmetische producten in de Unie slechts kunnen vervullen wanneer een lidstaat de gelijkwaardigheid van dat diploma heeft erkend.

24.

De Franse regering stelt daarentegen dat de erkenning van de gelijkwaardigheid van opleidingen waartoe de lidstaten op grond van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 kunnen overgaan opleidingen betreft die in de Unie worden gegeven, onverminderd de mogelijkheid voor elke lidstaat om per geval de gelijkwaardigheid te erkennen van opleidingen die in derde landen zijn gevolgd door personen die willen werken als beoordelaar van de veiligheid van cosmetische producten.

25.

In dezelfde gedachtegang stelt de Commissie in wezen dat dit laatste soort erkenning niet onder artikel 10, lid 2, valt, aangezien het begrip „als gelijkwaardig erkende opleiding” in die bepaling verwijst naar andere dan universitaire opleidingen en niet naar opleidingen die in derde landen zijn gevolgd, die door de lidstaten per geval kunnen worden erkend overeenkomstig richtlijn 2005/36/EG ( 13 ), zonder dat de overige lidstaten aan die erkenning gebonden zijn.

26.

Om de volgende redenen ben ook ik deze mening toegedaan.

27.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist de eenvormige toepassing van het Unierecht dat wanneer een Uniehandeling voor de definitie van een bepaald begrip niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, aan dat begrip een autonome uitlegging wordt gegeven, waarbij het Hof niet alleen rekening houdt met de bewoordingen van de betrokken bepaling, maar ook met de context ervan en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. ( 14 )

28.

Wat ten eerste de bewoordingen van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 betreft, wijs ik erop dat die bepaling een – mijns inziens duidelijk – onderscheid maakt tussen twee categorieën opleidingen ter afsluiting waarvan een diploma of een ander bewijsstuk wordt afgegeven op grond waarvan de houder de taak van beoordelaar van de veiligheid van een cosmeticaproduct, zoals beschreven in bijlage I, deel B, bij die verordening, kan verrichten. Het gaat ten eerste om de opleidingen die de Uniewetgever uitdrukkelijk heeft vermeld – in de volgende bewoordingen: „een universitaire opleiding in theoretisch en praktisch onderwijs in de farmacie, toxicologie, geneeskunde of een gelijksoortige studierichting” – en ten tweede om opleidingen die niet uitdrukkelijk worden vermeld maar toch als geldig kunnen worden aanvaard, waarvoor een maatregel van de lidstaten in de vorm van een erkenning van gelijkwaardigheid is vereist – die tot uitdrukking worden gebracht in de bewoordingen: „een door een lidstaat als gelijkwaardig erkende opleiding”.

29.

De vraag van de verwijzende rechter is ingegeven door twijfels of deze tweede categorie uitsluitend opleidingen betreft die buiten de Unie worden gegeven, zoals de FEBEA stelt.

30.

Dienaangaande stel ik vast dat niets in verordening nr. 1223/2009, en met name in artikel 10, lid 2, daarvan, erop wijst dat de uitdrukking „als gelijkwaardig erkende opleiding” uitsluitend betrekking heeft op opleidingen die in derde landen zijn gevolgd. In de betrokken bepalingen wordt immers geen uitdrukkelijk onderscheid gemaakt naargelang van de staat waar de persoon die verantwoordelijk is voor de beoordeling van de veiligheid van cosmetische producten heeft gestudeerd. Als de Uniewetgever de specifieke kwestie van de wisselwerking met de stelsels van derde landen in dat opzicht had willen regelen, had hij dat ongetwijfeld in veel duidelijker bewoordingen gedaan. ( 15 )

31.

Met de Franse regering en de Commissie ben ik van mening dat reeds uit de formulering van artikel 10, lid 2, alsook uit de logica achter die bepaling blijkt dat laatstbedoelde uitdrukking aldus moet worden opgevat dat zij betrekking heeft op een opleiding die wordt erkend als gelijkwaardig aan een opleiding van de eerste van de bovengenoemde twee categorieën, dat wil zeggen als het equivalent van een universitaire opleiding in theoretisch en praktisch onderwijs in de farmacie, de toxicologie, de geneeskunde of een gelijksoortige studierichting. ( 16 ) De Commissie geeft het voorbeeld – dat in mijn ogen een goed voorbeeld is – van een lidstaat die een opleiding als gelijkwaardig erkent die niet aan de universiteit is gevolgd, maar in het hoger technisch of medisch onderwijs. Dankzij de open formulering van die bepaling kan rekening worden gehouden met zowel de grote verscheidenheid aan geschikte opleidingen die al worden aangeboden in de Unie als de wijze waarop die nog kunnen evolueren.

32.

Ten tweede wordt de uitlegging die ik voorstel mijns inziens niet tegengesproken, maar veeleer bevestigd door elementen uit de voorgeschiedenis van die bepaling.

33.

Het is juist dat volgens de FEBEA verordening nr. 1223/2009 de regels van richtlijn 76/768, die van toepassing waren vóór haar inwerkingtreding, niet wijzigt, zodat artikel 10, lid 2, van die verordening, net als het voordien geldende recht, betrekking heeft op een diploma dat is behaald in een van de lidstaten en waarvan personen die de veiligheid van cosmetische producten beoordelen, houder moeten zijn. ( 17 ) Zij voegt daaraan toe dat er geen redenen zijn voor een lidstaat om de gelijkwaardigheid te erkennen van kwalificaties die in andere lidstaten zijn behaald.

34.

Naar mijn mening biedt de inhoud van de vroegere regels daarentegen steun aan de tegengestelde opvatting dat artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 wel degelijk betrekking heeft op opleidingen die worden gegeven in de lidstaten, aangezien die regels uitsluitend zagen op bewijsstukken „afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lidstaat”. ( 18 ) Bovendien komt het mij voor dat de wetgever, anders dan de FEBEA schijnt te stellen, bij de herschikking van richtlijn 76/768 die hij met die verordening heeft doorgevoerd, de bepalingen die de beoordeling van de veiligheid van cosmetische producten tot dan toe regelden, niet wilde behouden, maar er substantiële wijzigingen in wilde aanbrengen, precies om de lacunes op te vullen die die richtlijn dienaangaande vertoonde. ( 19 )

35.

Voorts betoogt de Franse regering naar mijn mening terecht dat de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 10, lid 2, laat zien dat deze bepaling beoogde geharmoniseerde criteria inzake minimumkwalificaties vast te leggen op basis waarvan elke lidstaat kan bepalen welke opleidingen vereist zijn om op zijn grondgebied werkzaam te kunnen zijn als beoordelaar van de veiligheid van cosmetische producten, met het voorbehoud evenwel dat geen opleidingsvereisten mogen worden gesteld die kunnen leiden tot discriminatie tussen onderdanen van de lidstaten.

36.

In het voorstel van de Commissie ( 20 ) werd namelijk in de eerste plaats uiteengezet dat de persoon die deze beoordeling uitvoert, in het bezit moest zijn van een bewijsstuk ter afsluiting van een universitaire opleiding of van een door de betrokken lidstaat als gelijkwaardig erkende opleiding en, in de tweede plaats, dat het om een opleiding van ten minste drie jaar moest gaan waarbij zowel theoretisch als praktisch onderwijs in minstens één van de vermelde studierichtingen werd verstrekt. De oorspronkelijke formulering van die criteria is in wezen ( 21 ) bewaard gebleven in de definitieve versie van de bepaling in kwestie en staaft mijns inziens de uitlegging volgens welke de erkenning van gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 ziet op andere dan universitaire opleidingen, en niet specifiek op opleidingen die in derde landen worden gegeven.

37.

Wat ten derde de normatieve context van artikel 10, lid 2, betreft, poneert de FEBEA dat de wederzijdse erkenning van in de Unie behaalde diploma’s afzonderlijk wordt geharmoniseerd door artikel 53 VWEU, en dat alleen de erkenning van diploma’s die zijn afgegeven buiten de Unie tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort en dus aan de discretie van elk van hen kan worden overgelaten. Ik onderstreep evenwel dat volgens artikel 1 ervan verordening nr. 1223/2009 niet beoogt de erkenning van diploma’s te regelen teneinde het vrije verkeer van personen te bevorderen, maar ertoe strekt „regels [vast te stellen] waaraan alle cosmetische producten die op de markt worden aangeboden, moeten voldoen” in het kader van het vrije verkeer van goederen.

38.

Voorts beroept de FEBEA zich op de richtsnoeren met betrekking tot bijlage I bij verordening nr. 1223/2009 die zijn vastgelegd in het bovengenoemde uitvoeringsbesluit van de Commissie, met het betoog dat daarin met zoveel woorden wordt gezegd dat de in artikel 10, lid 2, van die verordening bedoelde erkenning van de gelijkwaardigheid enkel mag worden toegepast op „in een derde land [behaalde] kwalificatie[s]”. ( 22 )

39.

In dat verband breng ik meteen onder de aandacht dat ook al zou de betrokken passage uit die richtsnoeren in de door de FEBEA voorgestane zin moeten worden begrepen – wat de Commissie ter terechtzitting heeft betwist –, alleen de uitlegging bindend is die het Hof aan artikel 10, lid 2, zal geven in het licht van de bewoordingen, de context en de doelstellingen van die bepaling. ( 23 )

40.

De Commissie heeft in haar pleidooi betoogd dat de betrokken passage niet in tegenspraak is met de mening die zij in deze zaak verdedigt, dat de erkenning van opleidingen die worden gegeven in derde landen niet wordt geregeld door artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009. Zij heeft uiteengezet dat dienaangaande rekening moet worden gehouden met richtlijn 2005/36 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties ( 24 ), wat ook door de Franse regering is gesteld.

41.

Ik wijs erop dat krachtens artikel 21 van richtlijn 2005/36 bepaalde door de bevoegde instellingen van een lidstaat afgegeven opleidingstitels automatisch worden erkend in de andere lidstaten, mits zij voldoen aan de bij deze richtlijn geharmoniseerde minimumopleidingseisen. ( 25 ) Daartoe behoren die van arts en apotheker, die ook worden vermeld in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009, in de eerste categorie opleidingen waarvan beoordelaars van de veiligheid van cosmetische producten dienen aan te tonen dat zij die hebben gevolgd. ( 26 )

42.

Wat bewijsstukken van opleidingen betreft die in derde landen zijn afgegeven, blijkt uit overweging 10 ( 27 ) en artikel 2, lid 2 ( 28 ), van richtlijn 2005/36 dat deze richtlijn het aan de lidstaten overlaat om volgens hun nationale regels beroepskwalificaties te erkennen die buiten de Unie zijn verworven door onderdanen van een derde land of van een andere lidstaat, waarbij zij evenwel de voor bepaalde beroepen geldende minimumopleidingseisen in acht moeten nemen. Zoals de Commissie uiteenzet, gaat het daarbij niet om een verplichting maar om een gewone mogelijkheid en bindt een dergelijke erkenning de andere lidstaten niet. ( 29 ) Volgens mij stelt de Franse regering bijgevolg terecht dat richtlijn 2005/36 niet beoogt de erkenning te regelen van kwalificaties die in derde landen zijn behaald, wat een aangelegenheid is waarvoor de lidstaten bevoegd zijn, mits zij daarbij bepaalde minimumvoorwaarden naleven, en dat die redenering naar analogie moet worden toegepast op opleidingen die vallen onder de tweede van de in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 bedoelde categorieën. ( 30 )

43.

Wat ten vierde de algemene doelstellingen van verordening nr. 1223/2009 betreft, wijs ik erop dat deze ten doel heeft „de werking van de interne markt en een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen” ( 31 ), met name door te verduidelijken welke eisen gelden op het gebied van de beoordeling van de veiligheid van cosmetische producten. ( 32 ) Dienaangaande heeft het Hof reeds beklemtoond dat „uit de artikelen 3, 10 en 11 van deze verordening [volgt] dat een [cosmetisch] product veilig voor de volksgezondheid moet zijn, dat de veiligheid van het product aan de hand van de relevante informatie moet zijn beoordeeld en dat een rapport over deze veiligheid moet worden opgesteld en aan het informatiedossier van het [betrokken] product moet worden toegevoegd”. ( 33 )

44.

Wat de specifieke doelstellingen van artikel 10, lid 2, van die verordening betreft, meen ik dat die bepaling, teneinde de volksgezondheid ten volle te beschermen ( 34 ), beoogt te waarborgen dat de beoordelaar van de veiligheid van een cosmetisch product over passende en voldoende kwalificaties beschikt, zodat hij die taak in zo goed mogelijke omstandigheden kan verrichten.

45.

Volgens mij staan die doelstellingen in de weg aan de uitlegging die de FEBEA voorstelt. Zoals de Franse regering betoogt, is het, gelet op het doel van verordening nr. 1223/2009 een interne markt voor cosmetische producten tot stand te brengen ( 35 ), weinig waarschijnlijk dat een van de bepalingen ervan specifiek betrekking heeft op de erkenning van opleidingen die in derde landen worden gegeven zonder dat dat uitdrukkelijk wordt vermeld. Ook is het juist dat wanneer een lidstaat nauwkeurig en op uitputtende wijze bepaalt welke opleidingen hij als gelijkwaardig erkent aan die welke in artikel 10, lid 2, worden genoemd, dat bijdraagt aan de verwezenlijking van die interne markt, aangezien zo de toegang tot een activiteit als beoordelaar van de veiligheid van cosmetische producten wordt vergemakkelijkt voor onderdanen van andere lidstaten die met succes een van die als gelijkwaardig erkende opleidingen hebben afgerond. ( 36 )

46.

Ik deel eveneens de mening van de Franse regering dat een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid slechts kan worden gewaarborgd als de beoordeling wordt verricht door personen die aantonen dat zij over de noodzakelijke bekwaamheden beschikken om te garanderen dat zowel de gebruikte stoffen als het eindproduct ongevaarlijk zijn, en dat het aan de lidstaten is om te controleren of degenen die die activiteit op hun grondgebied wensen te verrichten over die bekwaamheden beschikken alvorens hen aan de slag te laten gaan. Mijns inziens is het om die reden dat artikel 10, lid 2, elke lidstaat toestaat te bepalen welke opleidingen hij beschouwt als gelijkwaardig aan de universitaire opleidingen die de Uniewetgever in die bepaling uitdrukkelijk heeft vermeld, die een voldoende kwalificatie opleveren en automatisch worden aanvaard.

47.

Bijgevolg stel ik voor om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „als gelijkwaardig erkende opleiding” in die bepaling ziet op de erkenning van andere dan universitaire opleidingen, en niet specifiek op de erkenning van opleidingen die in derde landen worden gegeven.

B.   Mogelijkheid voor een lidstaat om „gelijksoortige” studierichtingen in de zin van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 vast te stellen (tweede en derde vraag)

48.

Met zijn laatste twee prejudiciële vragen, die naar mijn mening samen moeten worden behandeld, vraagt de verwijzende rechter het Hof allereerst of de lidstaten bevoegd zijn om de studierichtingen te bepalen die worden beschouwd als „gelijksoortig” aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde in de zin van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009. Als dat het geval is, wenst hij te vernemen welke criteria de bevoegde autoriteiten van een lidstaat kunnen gebruiken om het gelijksoortige karakter van dergelijke studierichtingen vast te stellen.

49.

Volgens de FEBEA verleent artikel 10, lid 2, de lidstaten geen enkele bevoegdheid om limitatief te bepalen welke studierichtingen kunnen worden aangemerkt als gelijksoortig aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde. ( 37 ) Zij betoogt dat het litigieuze besluit in strijd met het Unierecht verwarring schept, aangezien uit de bewoordingen van die bepaling blijkt dat het recht van gelijkwaardigheidserkenning dat aan de lidstaten uitdrukkelijk is verleend, uitsluitend geldt voor „opleidingen” en niet voor „studierichtingen”. Hoewel de FEBEA derhalve voorstelt om de tweede vraag ontkennend te beantwoorden, verzoekt zij het Hof niettemin uitspraak te doen over de derde vraag – die nochtans enkel is gesteld voor het geval dat de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord –, en hoe dan ook aan te geven op basis van welke criteria een studierichting kan worden aangemerkt als „gelijksoortig” in de zin van die bepaling. ( 38 )

50.

De Franse regering stelt daarentegen dat artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 een lidstaat wel degelijk toestaat om bij de erkenning van opleidingen als gelijkwaardig aan die welke in lid 2 zijn genoemd, studierichtingen aan te merken als gelijksoortig aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde, op basis van de kennis die de betrokken studierichtingen omvatten. Ook de Commissie meent dat de lidstaten de „gelijksoortige” studierichtingen in de zin van artikel 10, lid 2, en het vereiste kwalificatieniveau kunnen bepalen op voorwaarde dat zij zowel de doelstellingen van die bepaling als die van verordening nr. 1223/2009 in haar geheel in acht nemen.

51.

Dat is ook mijn standpunt, om de redenen die ik hierna uiteenzet met toepassing van de regels voor uitlegging van het Unierecht, die het Hof meermaals in herinnering heeft gebracht. ( 39 )

52.

Ten eerste stel ik vast dat de bewoordingen van verordening nr. 1223/2009, meer bepaald van artikel 10 ervan, geen gegevens bevatten die rechtstreeks bruikbaar zijn om de tweede en de derde prejudiciële vraag te beantwoorden, aangezien het begrip „studierichting” die „gelijksoortig” is aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde er niet in wordt omschreven.

53.

Het is juist dat in lid 2 van artikel 10 een onderscheid wordt gemaakt tussen bewijsstukken afgegeven ter afsluiting van „een universitaire opleiding […] in de farmacie, toxicologie, geneeskunde of een gelijksoortige studierichting” en bewijsstukken ter afronding van „een door een lidstaat als gelijkwaardig erkende opleiding”. Volgens mij kan uit dat aldus geformuleerde onderscheid echter niet worden afgeleid dat de lidstaten geen residuele bevoegdheid ( 40 ) hebben om te bepalen welke studierichtingen concreet kunnen worden beschouwd als „gelijksoortig” in de zin van die bepaling.

54.

Wat ten tweede de ontstaansgeschiedenis van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 betreft, meen ik dat het onderzoek van het wetgevingsproces waaraan dat lid is ontsproten evenmin relevante informatie oplevert.

55.

Ik merk op dat de formulering in kwestie werd gebruikt in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voor een verordening, zonder dat in het relevante fragment van de tekst ( 41 ) of in de toelichting bij dat voorstel ( 42 ) evenwel werd verduidelijkt wat moest worden verstaan onder een „studierichting” die „gelijksoortig” is aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde. Het werkdocument dat de Commissie tezelfdertijd als het voorstel heeft bekendgemaakt, schept dienaangaande evenmin duidelijkheid ( 43 ). Ook de richtsnoeren met betrekking tot bijlage I bij verordening nr. 1223/2009, die in 2013 door de Commissie zijn opgesteld, bevatten geen nauwkeurige beschrijving van dat begrip. ( 44 )

56.

Ik wijs erop dat richtlijn 76/768, die bij verordening nr. 1223/2009 is herschikt, in artikel 7 bis, lid 1, onder e), al een formulering bevatte die in wezen overeenkwam met die van artikel 10, lid 2, van de verordening, afgezien van het feit dat in de richtlijn ook de „dermatologie” ( 45 ) werd genoemd naast de drie in de verordening ( 46 ) vermelde studierichtingen. De Commissie heeft ter terechtzitting uiteengezet dat de Uniewetgever in de loop van het herschikkingsproces van richtlijn 76/768 had besloten opleidingen op het gebied van de dermatologie niet langer te vermelden, gewoon om herhaling te vermijden, aangezien richtlijn 2005/36, die is vastgesteld vóór verordening nr. 1223/2009, die studierichting had ingedeeld bij de „opleidingen tot medisch specialist” ( 47 ), zodat nu het in de verordening gebruikte begrip „geneeskunde” de dermatologie omvat. Mijn analyse van de ontstaansgeschiedenis van richtlijn 93/35/CEE ( 48 ), waarbij dat artikel 7 bis in richtlijn 76/768 is ingevoegd, heeft niets relevants aan het licht gebracht dat het Hof van nut kan zijn bij de beantwoording van de in deze zaak gestelde vragen. ( 49 )

57.

Aangaande ten derde de normatieve context waarin de specifieke vereisten van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 passen, kan worden vastgesteld dat dit rechtsinstrument ervoor moet zorgen dat „geen ruimte [wordt gelaten] voor uiteenlopende omzettingen door de lidstaten” en ertoe strekt „de regels in de [Unie in hoge mate te harmoniseren] om tot een interne markt voor cosmetische producten te komen”, zoals is uiteengezet in de overwegingen 2 en 4.

58.

Naar mijn mening sluit dat echter niet uit dat de lidstaten het recht, en zelfs de plicht, hebben om overeenkomstig artikel 291, lid 1, VWEU ( 50 ) en het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking nationale maatregelen te treffen om verordening nr. 1223/2009 aan te vullen, zodat zij haar volle werking kan sorteren, voor zover zij daarbij de in die verordening opgenomen voorschriften en de doelstellingen ervan in acht nemen.

59.

Zoals de Franse regering betoogt ( 51 ), blijkt in dat verband uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer een bepaling van een rechtshandeling van de Unie, waaronder verordeningen, nationale uitvoeringsmaatregelen vereist, de lidstaten overeenkomstig het voornoemde beginsel gehouden zijn alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de volledige toepassing van die bepaling te verzekeren. Het Hof heeft geoordeeld dat de lidstaten dergelijke aanvullende maatregelen niet alleen kunnen treffen wanneer de betrokken verordening hun uitdrukkelijk de bevoegdheid verleent dat te doen en het aan de nationale autoriteiten overlaat om uitvoeringsbepalingen vast te stellen ( 52 ), maar ook wanneer hun regelgevend optreden noodzakelijk is om de krachtens de verordening op hen rustende verplichtingen volledig na te komen ( 53 ), waarbij zij er steeds voor dienen te waken dat de draagwijdte en de doeltreffendheid van die handeling niet worden geschaad ( 54 ) en dat de uniforme toepassing ervan niet in gevaar komt ( 55 ).

60.

In casu kan worden vastgesteld dat verordening nr. 1223/2009 niet bepaalt wat moet worden verstaan onder „gelijksoortig” aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde in de zin van artikel 10, lid 2. De Commissie leidt daar mijns inziens terecht uit af dat de lidstaten beschikken over een zekere beoordelingsbevoegdheid, zowel bij het bepalen van het vereiste kwalificatieniveau als bij het omschrijven van de gelijksoortige studierichtingen, mits zij de regels en de doelstellingen van die verordening eerbiedigen.

61.

Aangaande het vereiste niveau van de kwalificaties merk ik op dat de precisering betreffende de duur van de opleiding, die aanvankelijk werd gegeven in het voorstel van de Commissie dat tot de vaststelling van verordening nr. 1223/2009 ( 56 ) heeft geleid, niet meer voorkomt in artikel 10, lid 2, hiervan. Het vereiste van een „opleiding die ten minste drie jaar […] onderwijs […] omvat” is kennelijk geschrapt omdat tijdens de onderhandelingen de vrees was geuit dat een dergelijk niveau onvoldoende was. ( 57 ) Die bewuste omissie door de wetgever kan naar mijn mening door de lidstaten worden verholpen, mits zij de ter zake geldende Unierechtelijke vereisten in acht nemen.

62.

Wat de bepaling van de in artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 bedoelde „gelijksoortige” studierichtingen betreft, deel ik de zienswijze van de Franse regering dat de lidstaten, alvorens een opleiding als gelijkwaardig te erkennen, zoals die bepaling hun uitdrukkelijk toestaat, moeten uitmaken waarvan die opleiding het equivalent is. Dat betekent dat zij niet alleen moeten nagaan wat het juiste kwalificatieniveau is, maar ook welke vakken verplicht moeten worden beheerst om de taak van beoordelaar van cosmetische producten te kunnen vervullen. Voor de onverkorte toepassing van die bepaling dient elke lidstaat bijgevolg de studierichtingen te bepalen die hij beschouwt als gelijksoortig aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde in de zin van verordening nr. 1223/2009, met inachtneming van de door de verordening nagestreefde doelen.

63.

Wat ten vierde de hierboven reeds uiteengezette doelstellingen van de betrokken verordening betreft ( 58 ), ben ik met de Franse regering en de Commissie van mening dat aangezien de Uniewetgever geen definitie geeft van het begrip „gelijksoortige studierichtingen”, de lidstaten alle maatregelen kunnen – en zelfs moeten – nemen die noodzakelijk zijn om die studierichtingen te bepalen, zodat de volle werking van verordening nr. 1223/2009 – die hun bevoegdheid verleent om opleidingen als gelijkwaardig te erkennen – verzekerd is, zonder dat zij evenwel de beoordelingsbevoegdheid waarover zij beschikken, mogen overschrijden. Zij zijn bijgevolg verplicht de door die verordening beoogde doelen in acht te nemen, met name het doel een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen.

64.

Ten slotte wordt het Hof met de laatste prejudiciële vraag verzocht de criteria te bepalen waarnaar de lidstaten zich moeten richten bij de vaststelling van de studierichtingen die zij als gelijksoortig beschouwen aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde in de zin van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009.

65.

Ik ben het eens met de standpunten die kenbaar zijn gemaakt in de bij het Hof ingediende opmerkingen, volgens welke de lidstaten, om uit te maken of een studierichting „gelijksoortig” is aan een van de drie uitdrukkelijk in die bepaling vermelde opleidingen, moeten nagaan of die studierichting daar een gemeenschappelijk corpus van wetenschappelijke kennis mee deelt die onmisbaar is om de veiligheid van cosmetica met de grootst mogelijke zekerheid te beoordelen, zowel wat betreft de ingrediënten ervan, als de eindproducten zelf. ( 59 )

66.

Het doel een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, dat met verordening nr. 1223/2009 wordt nagestreefd, kan mijns inziens slechts volkomen worden verwezenlijkt als dat gemeenschappelijke corpus kennis omvat van zowel het menselijk lichaam en de ziekten waaraan het onderhevig kan zijn als de stoffen die worden gebruikt bij de vervaardiging van cosmetische producten en de fysische en chemische eigenschappen daarvan. ( 60 ) Voorts volgt uit de bewoordingen van artikel 10, lid 2, van die verordening dat die kennis moet zijn opgedaan door middel van theoretisch onderwijs gevolgd door praktijktraining, aangezien die bepaling voor de opleidingen farmacie, toxicologie en geneeskunde beheersing van zowel het theoretische als het praktische aspect verlangt.

67.

In haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen heeft de FEBEA uiteengezet dat de ecotoxicologie niet kan worden beschouwd als een studierichting die gelijksoortig is aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde, aangezien daarin wordt bestudeerd welke uitwerking chemische stoffen hebben op een ecosysteem of op de biosfeer in het algemeen, en niet op de menselijke gezondheid. ( 61 ) Meer in het bijzonder heeft zij verklaard dat de ecotoxicologie en de toxicologie, ondanks hun gelijkende benamingen, twee afzonderlijke specialisaties zijn ( 62 ), die worden afgesloten met verschillende universitaire diploma’s. Dat betoog is ter terechtzitting betwist door de Franse regering ( 63 ), die nog heeft toegevoegd dat ook als de ecotoxicologie geen „gelijksoortige studierichting” in de zin van artikel 10, lid 2, zou zijn, zij door de Franse Republiek niettemin „als gelijkwaardig” kon worden erkend, wat die bepaling, in fine, toestaat.

68.

Mijns inziens dient het Hof, in dat verband, de verwijzende rechter weliswaar alle gegevens te verstrekken die dienstig kunnen zijn om het geding dat bij hem aanhangig is, te beslechten, maar staat het uitsluitend aan de verwijzende rechter om zich ten gronde uit te spreken ( 64 ), met name over de vraag of, gelet op de criteria die het Hof in zijn te wijzen arrest vaststelt, de ecotoxicologie op goede gronden is opgenomen in het Franse besluit dat ertoe strekt de opleidingen vast te leggen „die worden erkend als gelijkwaardig aan de diploma’s van arts, apotheker en toxicoloog die zijn vereist voor beoordelaars van de veiligheid van cosmetische producten voor de volksgezondheid”. ( 65 )

69.

Bijgevolg stel ik voor om op de tweede en de derde prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 een lidstaat toestaat de studierichtingen te bepalen die worden beschouwd als „gelijksoortig” aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde in de zin van die bepaling, voor zover hij de doelstellingen van die verordening in acht neemt, die er met name in bestaan te waarborgen dat personen die de veiligheid van cosmetische producten moeten beoordelen, met succes een zowel theoretische als praktische opleiding hebben gevolgd die in wezen gelijkwaardig is aan ten minste één van de drie voornoemde opleidingen en het mogelijk maakt een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te verzekeren.

V. Conclusie

70.

Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Conseil d’État te beantwoorden als volgt:

„1)

Artikel 10, lid 2, van verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten moet aldus worden uitgelegd dat het begrip ‚als gelijkwaardig erkende opleiding’ in die bepaling ziet op de erkenning van andere dan universitaire opleidingen, en niet specifiek op de erkenning van opleidingen die in derde landen worden gegeven.

2)

Artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 staat een lidstaat toe de studierichtingen te bepalen die worden beschouwd als ‚gelijksoortig’ aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde in de zin van die bepaling, voor zover hij de doelstellingen van die verordening in acht neemt, die er met name in bestaan te waarborgen dat personen die de veiligheid van cosmetische producten moeten beoordelen, met succes een zowel theoretische als praktische opleiding hebben gevolgd die in wezen gelijkwaardig is aan ten minste één van de drie voornoemde opleidingen en het mogelijk maakt een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te verzekeren.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) PB 2009, L 342, blz. 59. Deze verordening is meermaals gewijzigd, maar de bepalingen die relevant zijn voor deze zaak zijn onaangeroerd gebleven.

( 3 ) In het arrest van 21 september 2016, European Federation for Cosmetic Ingredients (C‑592/14, EU:C:2016:703, punten 33 en 36), heeft het Hof weliswaar aangegeven wat de algemene strekking van artikel 10 is en eraan herinnerd dat dit artikel vereist dat een cosmetisch product op veiligheid wordt beoordeeld vóór het op de markt wordt gebracht, maar heeft het lid 2 ervan niet uitgelegd.

( 4 ) Over de wijze waarop die beoordeling in de praktijk verloopt, zie met name Scientific Committee on Consumer Safety, Notes of Guidance for the Testing of Cosmetic Ingredients and their Safety Evaluation9th revision, versie van 25 april 2016, beschikbaar op het volgende internetadres: http://ec.europa.eu/health/scientific_committees/consumer_safety/docs/sccs_o_190.pdf.

( 5 ) JORF nr. 64 van 17 maart 2015, blz. 4941, document nr. 18.

( 6 ) Richtlijn van de Raad van 27 juli 1976 (PB 1976, L 262, blz. 169), meermaals gewijzigd, laatstelijk bij richtlijn 2009/36/EG van de Commissie van 16 april 2009 (PB 2009, L 98, blz. 31).

( 7 ) PB 2013, L 231, blz. 23.

( 8 ) PB 2013, L 315, blz. 82.

( 9 ) Zoals gewijzigd bij artikel 3 van loi no 2014‑201 portant diverses dispositions d’adaptation au droit de l’Union européenne dans le domaine de la santé (wet nr. 2014‑201 houdende diverse bepalingen tot uitvoering van het Unierecht op het gebied van volksgezondheid) van 24 februari 2014 (JORF nr. 47 van 25 februari 2014, blz. 3250, document nr. 4).

( 10 ) Geciteerd in punt 2 van deze conclusie.

( 11 ) Ter herinnering: het litigieuze besluit ziet niet alleen op bewijsstukken die zijn afgegeven in de andere lidstaten van de Unie, maar ook op die welke zijn verkregen in EER-staten of in de Zwitserse Confederatie.

( 12 ) De informatie in de verwijzingsbeslissing over de door verzoekster in het hoofdgeding aangevoerde middelen is beknopt, maar in de conclusie van de rapporteur public bij de Conseil d’État, de heer Lessi, worden aanvullende inlichtingen verstrekt, die zijn opgenomen in het dossier dat aan het Hof is overgelegd (zie met name blz. 3 van dat stuk).

( 13 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB 2005, L 255, blz. 22).

( 14 ) Zie met name arresten van 9 maart 2017, Pula Parking (C‑551/15, EU:C:2017:193, punt 42), en 27 september 2017, Nintendo (C‑24/16 et C‑25/16, EU:C:2017:724, punt 70).

( 15 ) Zoals het geval is in de bepalingen van verordening nr. 1223/2009 in verband met dierproeven [zie overweging 45, artikel 11, lid 2, onder e), en artikel 35, punt 2].

( 16 ) De Commissie benadrukt dat de Uniewetgever aldus zowel eisen heeft gesteld ten aanzien van het niveau als ten aanzien van de aard van de in de eerste categorie bedoelde opleidingen.

( 17 ) De FEBEA zet uiteen dat krachtens artikel 7 bis, lid 1, onder e), van richtlijn 76/768, dat verwijst naar artikel 1 van richtlijn 89/48/EEG (van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, PB 1989, L 19, blz. 16), die personen hetzij in het bezit moesten zijn van een diploma dat in een van de lidstaten was behaald ter afsluiting van een opleiding die overwegend in de Unie was genoten, hetzij een driejarige beroepservaring moesten hebben opgedaan, gewaarmerkt door de lidstaat die een diploma van een derde land heeft erkend.

( 18 ) Overeenkomstig artikel 1, onder a), eerste en tweede alinea, van richtlijn 89/48, waaraan artikel 7 bis, lid 1, onder e), van richtlijn 76/768 refereert.

( 19 ) Zie de in voetnoot 42 van deze conclusie vermelde punten van de toelichting bij het voorstel voor een verordening, alsook Ciarlo, G., „Le règlement de l’Union européenne sur les ‚cosmétiques’: 35 ans d’évolution vers une législation européenne plus claire et des produits plus sûrs”, Revue du droit de l’Union européenne, 2013, nr. 4, blz. 713‑717, en Reinhart, A., KosmetikVOVerordnung (EG) Nr. 1223/2009 über kosmetische MittelKommentar, C. H. Beck, München, 2014, blz. 226 e.v., in het bijzonder de punten 3, 9 en 13.

( 20 ) Artikel 7, lid 2, van het voorstel van 5 februari 2008 voor een verordening [COM(2008) 49 definitief, blz. 27] luidde als volgt: „De productveiligheidsbeoordeling voor cosmetische producten zoals vastgesteld in bijlage I, deel B, wordt uitgevoerd door een persoon met een diploma, certificaat of ander bewijsstuk ter afsluiting van een universitaire of van een door een lidstaat als gelijkwaardig erkende opleiding die ten minste drie jaar theoretisch en praktisch onderwijs in de farmacie, toxicologie, geneeskunde of een gelijksoortige studierichting omvat.”

( 21 ) Wat het wegvallen van het initiële vereiste inzake de duur van de opleiding betreft, zie punt 61 van deze conclusie.

( 22 ) Zie de tweede alinea van het in punt 11 van deze conclusie opgenomen fragment.

( 23 ) Zie naar analogie arrest van 6 september 2012, Chemische Fabrik Kreussler (C‑308/11, EU:C:2012:548, punten 22e.v.).

( 24 ) Bij deze richtlijn is de in voetnoot 17 van deze conclusie geciteerde richtlijn 89/48 ingetrokken. De regeling waarin richtlijn 2005/36 voorziet, die geldt tussen de lidstaten van de Unie, is uitgebreid tot de andere landen van de EER en de Zwitserse Confederatie.

( 25 ) Dat artikel 21 verwijst naar de lijst van die titels, die is opgenomen in bijlage V bij die richtlijn.

( 26 ) Zie de twee in punt 28 van deze conclusie genoemde categorieën.

( 27 ) Volgens overweging 10 „belet [richtlijn 2005/36] de lidstaten geenszins om volgens hun eigen regels beroepskwalificaties te erkennen die buiten het grondgebied van de Europese Unie zijn verworven door een onderdaan van een derde land. Dergelijke kwalificaties moeten in ieder geval worden erkend met inachtneming van minimumopleidingseisen voor bepaalde beroepen” (mijn cursivering).

( 28 ) Volgens artikel 2, lid 2, „kan [elke lidstaat] volgens zijn eigen regels toestaan dat op zijn grondgebied een gereglementeerd beroep in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), wordt uitgeoefend door onderdanen van de lidstaten die houder zijn van niet in een lidstaat behaalde beroepskwalificaties. Voor de beroepen die onder titel III, hoofdstuk III [waarin artikel 21 is opgenomen], vallen, moeten bij deze eerste erkenning de in dat hoofdstuk bedoelde minimumopleidingseisen in acht worden genomen” (mijn cursivering).

( 29 ) In haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen heeft de Commissie met name verwezen naar het arrest van 9 februari 1994, Haim (C‑319/92, EU:C:1994:47, punt 21), en naar de conclusie van advocaat-generaal Darmon in diezelfde zaak (C‑319/92, EU:C:1993:895, punten 1618 en 32).

( 30 ) Ter terechtzitting heeft de Commissie gepreciseerd dat als een lidstaat erkent dat een persoon voldoende gekwalificeerd is om de veiligheid van cosmetische producten te beoordelen, gelet op de opleiding die hij in een derde land heeft genoten, de andere lidstaten vrij zijn hem toe te staan die taak ook op hun grondgebied te verrichten. Zij heeft daaraan toegevoegd dat een product waarvan de veiligheid door een dergelijk persoon in een lidstaat is beoordeeld evenwel ook in de rest van de Unie kan worden verkocht. Ik ben het oneens met de FEBEA waar zij stelt dat dit verschil in regeling, dat de Commissie erkent, incoherent is. Dat verschil is namelijk het gevolg van het feit dat de Unie op het gebied van beroepskwalificaties en op het gebied van vrij goederenverkeer niet dezelfde bevoegdheden heeft.

( 31 ) Zie artikel 1 en de overwegingen 3, 4 en 71 van verordening nr. 1223/2009.

( 32 ) Zie ook punt 34 van deze conclusie.

( 33 ) Arrest van 21 september 2016, European Federation for Cosmetic Ingredients (C‑592/14, EU:C:2016:703, punt 33).

( 34 ) Het hoofddoel dat de Uniewetgever nastreefde met de vaststelling van verordening nr. 1223/2009 was immers de veiligheid van cosmetische producten te verbeteren, met name door de vereisten op het gebied van de beoordeling van die veiligheid strenger te maken (zie Ciarlo, G., op. cit. in voetnoot 19, alsook de eerste zin van het in punt 11 van deze conclusie opgenomen fragment uit de richtsnoeren).

( 35 ) Zie, behalve de bepalingen die zijn vermeld in voetnoot 31 van deze conclusie, punt 4 van de toelichting bij het voorstel voor een verordening [COM(2008) 49 definitief, blz. 4].

( 36 ) De Franse regering stelt mijns inziens terecht dat de verduidelijking die nationale bepalingen van algemene strekking, zoals die van het litigieuze besluit, in dat verband brengen, ertoe bijdraagt uitleggingsmoeilijkheden ter verhelpen voor wie actief is in de cosmeticasector, voor de lidstaten en voor de markttoezichtautoriteiten.

( 37 ) Volgens de FEBEA kan een lidstaat slechts een indicatieve lijst van dergelijke studierichtingen opstellen.

( 38 ) De FEBEA betoogt dat er beslist belang bij bestaat dat die criteria worden vastgesteld, namelijk om de uitlegging door de verschillende lidstaten te harmoniseren. Zie hierover de punten 64 e.v. van deze conclusie.

( 39 ) Zie de rechtspraak die is aangehaald in verband met punt 27 van deze conclusie.

( 40 ) Met betrekking tot de bevoegdheid die de lidstaten mogelijk hebben om een verordening inhoudelijk aan te vullen, zie de punten 58 e.v. van deze conclusie.

( 41 ) Zie artikel 7, lid 2, van dat voorstel, geciteerd in voetnoot 20 van deze conclusie.

( 42 ) De toelichting wijst niettemin op het belang om „duidelijke minimumvoorschriften voor de veiligheidsbeoordeling van cosmetica” te introduceren [COM(2008) 49 definitief, punten 3 en 6.2.1].

( 43 ) Zie het document van 5 februari 2008, Impact assessment – Report on simplification of the „Cosmetics Directive” – Directive 76/768/EEC, blz. 60, punt 3, dat de noodzaak benadrukt dat de beoordelaar van de veiligheid van cosmetische producten voldoende gekwalificeerd is, zonder evenwel verdere bijzonderheden te vermelden.

( 44 ) Zie het in punt 11 van deze conclusie geciteerde fragment uit die richtsnoeren.

( 45 ) Volgens het bepaalde onder e) dienden de „gekwalificeerde personen die verantwoordelijk zijn voor de […] beoordeling […] een diploma, als omschreven in artikel 1 van richtlijn 89/48/EEG, te hebben in de farmacie, toxicologie, dermatologie, geneeskunde of een gelijksoortige studierichting”.

( 46 ) De Zweedse taalversie van artikel 10, lid 2, vermeldde de dermatologie eveneens, wat op 25 juli 2017 is gerectificeerd (PB 2017, L 193, blz. 7).

( 47 ) Zie bijlage V („Erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen”), afdeling V.1 („Arts”), punt 5.1.3, van richtlijn 2005/36. De Commissie heeft uiteengezet dat de wijziging in de bewoordingen van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 de kern van die bepaling niet aantastte en niet resulteerde uit de wens van de wetgever om de lijst van de vereiste minimumopleidingen aan te passen.

( 48 ) Richtlijn van de Raad van 14 juni 1993 tot zesde wijziging van richtlijn 76/768 (PB 1993, L 151, blz. 32).

( 49 ) Het aanvankelijke voorstel dat heeft geleid tot de vaststelling van richtlijn 93/35 vereiste slechts dat de beoordelaar een „universitaire opleiding op het gebied van natuurwetenschappen” had gevolgd [zie COM(90) 488 def., PB 1991, C 52, blz. 8], terwijl in de definitieve versie van die richtlijn de in voetnoot 45 van deze conclusie weergegeven lijst van studierichtingen is opgenomen.

( 50 ) Volgens hetwelk „[d]e lidstaten […] alle maatregelen van intern recht [nemen] die nodig zijn ter uitvoering van de juridisch bindende handelingen van de Unie”.

( 51 ) Onder verwijzing naar de arresten van 20 oktober 1981, Commissie/België (137/80, EU:C:1981:237, punten 8 en 9), en 20 maart 1986, Commissie/Nederland (72/85, EU:C:1986:144, punt 20).

( 52 ) Zie met name arresten van 27 september 1979, Eridania-Zuccherifici nazionali en Società italiana per l’industria degli zuccheri (230/78, EU:C:1979:216, punten 34 en 35, waarin wordt benadrukt dat „de rechtstreekse toepasselijkheid van een gemeenschapsverordening niet onverenigbaar is met de uitoefening door een lidstaat van zijn bevoegdheid om op basis van die verordening uitvoeringsmaatregelen vast te stellen”), en 11 januari 2001, Monte Arcosu (C‑403/98, EU:C:2001:6, punten 26e.v.).

( 53 ) Zie met name arresten van 6 mei 1982, BayWa e.a. (146/81, 192/81 en 193/81, EU:C:1982:146, punt 20); 21 september 1989, Commissie/Griekenland (68/88, EU:C:1989:339, punt 23), en 8 juli 1999, Nunes en de Matos (C‑186/98, EU:C:1999:376, punten 914).

( 54 ) Zie arresten van 6 mei 1982, BayWa e.a. (146/81, 192/81 en 193/81, EU:C:1982:146, punt 29), en 14 januari 1993, Lante (C‑190/91, EU:C:1993:11, punten 7e.v.).

( 55 ) Zie met name arresten van 11 februari 1971, Norddeutsches Vieh- und Fleischkontor (39/70, EU:C:1971:16, punten 4 en 5), en 21 september 1983, Deutsche Milchkontor e.a. (205/82‑215/82, EU:C:1983:233, punt 17).

( 56 ) Zie artikel 7, lid 2, van dat in voetnoot 20 van deze conclusie geciteerde voorstel.

( 57 ) Werkdocument nr. 6972/09 van de Raad van 26 februari 2009 betreffende dat voorstel voor een verordening (blz. 40, noot 27) geeft de volgende verklaring voor de schrapping van die voorwaarde: „AT, DE emphasise need for a masters level of qualification”. Zie ook noot 1, in fine, van de in voetnoot 12 van onderhavige conclusie geciteerde conclusie van de rapporteur public bij de Conseil d’État.

( 58 ) Zie de punten 43 e.v. van deze conclusie.

( 59 ) Artikel 19, lid 1, onder g), van deze verordening, waarin het begrip „ingrediënten” wordt omschreven met het oog op de etikettering, maakt een onderscheid tussen het fabricageproces en het eindproduct. Datzelfde onderscheid komt naar voren in artikel 10, lid 1, onder a), met betrekking tot de beoordeling van de veiligheid.

( 60 ) Het begrip „stof” wordt voor de toepassing van verordening nr. 1223/2009 omschreven in artikel 2, lid 1, onder b).

( 61 ) In haar pleidooi heeft de FEBEA betoogd dat overweging 5 van verordening nr. 1223/2009 een onderscheid maakt tussen het doel van de verordening en de beoordeling van de milieuveiligheid. Zij heeft ook verwezen naar een mededeling van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) van 27 oktober 2014, met het argument dat daarin wel degelijk een onderscheid wordt gemaakt tussen testen ter controle of producten ongevaarlijk zijn voor de volksgezondheid en de studie van de milieu-effecten van producten (zie het persbericht „Clarity on interface between REACH and the Cosmetics Regulation” en de factsheet, die beschikbaar zijn op het volgende internetadres: https://echa.europa.eu/view-article/-/journal_content/title/clarity-on-interface-between-reach-and-the-cosmetics-regulation).

( 62 ) Volgens de FEBEA kunnen de taken van de veiligheidsbeoordelaar worden vervuld door een toxicoloog, aangezien die opgeleid is om de schadelijkheid van stoffen voor levende wezens te meten, in tegenstelling tot de ecotoxicoloog, die slechts kan beoordelen hoe een stof inwerkt op het milieu (bv. degeneratie bij contact met bacteriën).

( 63 ) De Franse regering heeft daarop geantwoord dat de ecotoxicologie in de jaren 70 was ontstaan als een tak van de toxicologie en dat in Frankrijk de tekst houdende de nomenclatuur van de masterdiploma’s voorziet in een gemeenschappelijk diploma in de „toxicologie en ecotoxicologie”, en niet in twee afzonderlijke masters.

( 64 ) Overeenkomstig de regels inzake bevoegdheidsverdeling in het kader van de procedure voor samenwerking tussen de nationale rechters en het Hof van artikel 267 VWEU (zie met name arrest van 26 oktober 2017, BB construct,C‑534/16, EU:C:2017:820, punt 25).

( 65 ) Dat doel is uiteengezet in punt 13 van deze conclusie.