|
23.9.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 319/13 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 29 juli 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht — Nederland) — Sumanan Vethanayagam, Sobitha Sumanan, Kamalaranee Vethanayagam/Minister van Buitenlandse Zaken
(Zaak C-680/17) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - Gemeenschappelijke visumcode - Verordening (EG) nr. 810/2009 - Artikel 5 - Lidstaat die bevoegd is om een visumaanvraag te onderzoeken en daarover te beslissen - Artikel 8 - Vertegenwoordigingsregeling - Artikel 32, lid 3 - Beroep tegen een besluit tot weigering van een visum - Lidstaat die bevoegd is om in geval van een vertegenwoordigingsregeling over het beroep te beslissen - Houders van het recht om beroep in te stellen)
(2019/C 319/12)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Sumanan Vethanayagam, Sobitha Sumanan, Kamalaranee Vethanayagam
Verwerende partij: Minister van Buitenlandse Zaken
Dictum
|
1) |
Artikel 32, lid 3, van verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013, moet aldus worden uitgelegd dat het de referent niet de mogelijkheid biedt om in eigen naam beroep in te stellen tegen een besluit tot weigering van een visum. |
|
2) |
Artikel 8, lid 4, onder d), en artikel 32, lid 3, van verordening nr. 810/2009, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 610/2013, moeten aldus worden uitgelegd dat, wanneer er een bilaterale vertegenwoordigingsregeling is getroffen waarin is bepaald dat de consulaire autoriteiten van de vertegenwoordigende lidstaat bevoegd zijn om de besluiten tot weigering van een visum te nemen, het aan de bevoegde autoriteiten van die lidstaat staat om te beslissen over beroepen tegen een besluit tot weigering van een visum. |
|
3) |
Een gecombineerde uitlegging van artikel 8, lid 4, onder d), en artikel 32, lid 3, van verordening nr. 810/2009, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 610/2013, op grond waarvan beroep tegen een besluit tot weigering van een visum moet worden ingesteld tegen de vertegenwoordigende staat, is verenigbaar met het fundamentele recht op effectieve rechterlijke bescherming. |