201805250141897552018/C 200/16132017CJC20020180611NL01NLINFO_JUDICIAL20180412131311

Zaak C-13/17: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 12 april 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État — Frankrijk) — Fédération des entreprises de la beauté / Ministre des Affaires sociales, de la Santé et des Droits des femmes, Ministre de l’Éducation nationale, de l’Enseignement supérieur et de la Recherche, Ministre de l’Économie et des Finances, voorheen Ministre de l’Économie, de l’Industrie et du Numérique [Prejudiciële verwijzing — Harmonisatie van de wetgevingen — Cosmetische producten — Verordening (EG) nr. 1223/2009 — Artikel 10, lid 2 — Beoordeling van de veiligheid van het cosmetisch product — Kwalificatie van de veiligheidsbeoordelaar — Erkenning van de gelijkwaardigheid van opleidingen — Gelijksoortige studierichtingen aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde — Beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten]


C2002018NL1310120180412NL0016131131

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 12 april 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État — Frankrijk) — Fédération des entreprises de la beauté / Ministre des Affaires sociales, de la Santé et des Droits des femmes, Ministre de l’Éducation nationale, de l’Enseignement supérieur et de la Recherche, Ministre de l’Économie et des Finances, voorheen Ministre de l’Économie, de l’Industrie et du Numérique

(Zaak C-13/17) ( 1 )

„[Prejudiciële verwijzing — Harmonisatie van de wetgevingen — Cosmetische producten — Verordening (EG) nr. 1223/2009 — Artikel 10, lid 2 — Beoordeling van de veiligheid van het cosmetisch product — Kwalificatie van de veiligheidsbeoordelaar — Erkenning van de gelijkwaardigheid van opleidingen — Gelijksoortige studierichtingen aan de opleidingen farmacie, toxicologie of geneeskunde — Beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten]”

2018/C 200/16Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil d’État

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Fédération des entreprises de la beauté

Verwerende partijen: Ministre des Affaires sociales, de la Santé et des Droits des femmes, Ministre de l’Éducation nationale, de l’Enseignement supérieur et de la Recherche, Ministre de l’Économie et des Finances, voorheen Ministre de l’Économie, de l’Industrie et du Numérique

Dictum

1)

Artikel 10, lid 2, van verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten moet aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde erkenning van gelijkwaardigheid van opleidingen betrekking kan hebben op andere opleidingen dan die welke in derde landen worden gegeven.

2)

Artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1223/2009 moet aldus worden uitgelegd dat het elke lidstaat de bevoegdheid verleent om studierichtingen te bepalen die „gelijksoortig” zijn aan farmacie, toxicologie of geneeskunde, alsook het niveau van de kwalificatie die aan de vereisten van deze verordening voldoet, op voorwaarde dat de doelstellingen van die verordening in acht worden genomen en met name wordt gewaarborgd dat de persoon die de veiligheid van cosmetische producten moet beoordelen over een kwalificatie beschikt waarmee hij een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid kan verzekeren.


( 1 ) PB C 95 van 27.3.2017.