16.8.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 296/34


Beroep ingesteld op 28 juni 2016 — Esko-Graphics/Commissie

(Zaak T-335/16)

(2016/C 296/44)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Esko-Graphics BVBA (Gent, België) (vertegenwoordigers: H. Viaene, B. Hoorelbeke, D. Gillet en F. Verhaegen, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het verzoek tot vernietiging ontvankelijk te verklaren;

het besluit van de Europese Commissie van 11 januari 2016 betreffende de staatssteunregeling inzake vrijstelling van overwinst SA.37667 (2015/C) (ex2015/NN) door België ten uitvoer gelegd, zoals gepubliceerd op de website van de Europese Commissie op 4 mei 2016, nietig te verklaren;

de Commissie in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een schending van artikel 1, onder d), van verordening 2015/1589 (1), van artikel 107, lid 1, VWEU en van artikel 296 VWEU, aangezien de Commissie de bestreden maatregel ten onrechte als een steunregeling kwalificeert.

De Commissie zou artikel 1, onder d), van verordening 2015/1589 en artikel 107, lid 1, VWEU schenden nu zij ten onrechte de bestreden maatregel als een steunregeling kwalificeert. De bestreden steun kan niet uitsluitend op basis van artikel 185, paragraaf 2, onder b), van het wetboek van de inkomstenbelastingen van 1992 („WIB 92”) worden toegekend, maar vereist verdere uitvoeringsmaatregelen die deze bepaling toepassen.

De Commissie zou artikel 296 VWEU schenden daar de motivering van de Commissie een tegenstrijdigheid bevat. De tegenstrijdigheid berust op het feit dat de Commissie niet verklaart waarom bij onderzoek van het criterium van selectiviteit zij van oordeel is dat de voorafgaande beslissingen niet rechtstreeks voortvloeien uit artikel 185, paragraaf 2, onder b), WIB 92, waarbij zij bij het onderzoek van het bestaan van een steunregeling aanneemt dat voormelde bepaling geen verdere uitvoeringsmaatregelen behoeft.

2.

Tweede middel, ontleend aan een schending van artikel 107, lid 1, VWEU en van de motiveringsplicht afgeleid uit artikel 296 VWEU, aangezien de Commissie het bestaan van een voordeel niet correct zou hebben beoordeeld.

De Commissie zou niet hebben onderzocht of de bestreden steunmaatregel effectief leidde tot het toekennen van een voordeel, in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, aan de begunstigde ondernemingen. Dit ondanks het feit dat deze voorwaarde een bestaansvoorwaarde is voor staatssteun, dewelke de Commissie dus gehouden is te onderzoeken vooraleer zij kan besluiten tot het bestaan van staatssteun, en dit op straffe van schending van haar motiveringsplicht voortvloeiende uit artikel 296 VWEU.

3.

Derde middel, ontleend aan een schending van artikel 107, lid 1, VWEU en van de motiveringsplicht afgeleid uit artikel 296 VWEU, aangezien de Commissie het selectieve karakter van de bestreden maatregel niet correct zou hebben beoordeeld.

Artikel 185, paragraaf 2, onder b), WIB 92 en het daaruit voortvloeiende systeem van vrijstelling van overwinst zouden openstaan voor alle ondernemingen die zich in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden en die de economische operaties uitvoeren die het voorwerp uitmaken van de bestreden maatregel. De bestreden maatregel zou dus niet beperkt zijn tot bepaalde ondernemingen die op grond van specifieke kenmerken kunnen worden afgebakend, en zou derhalve niet selectief zijn in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

In ondergeschikte orde zou de Commissie een manifeste beoordelingsfout hebben begaan door te oordelen dat de vrijstelling van overwinst geen onderdeel vormt van de referentieregeling. De vrijstelling van overwinst gebaseerd op synergieën en schaalvoordelen in toepassing van het „arm’s length”-principe maakt integraal onderdeel uit van de voorzieningen die de totale belastbare winst bepalen, en kan dus niet beschouwd worden als een afwijking op de referentieregeling die leidt tot selectiviteit.

In uiterst ondergeschikte orde zou de Commissie er niet in slagen om te bewijzen dat het zakelijkheidsbeginsel verkeerd werd toegepast door de Belgische Rulingcommissie in het kader van de toepassing van artikel 185, paragraaf 2, onder b), WIB 92. De redenering van de Commissie zou niet coherent zijn en belangrijke elementen in overweging nemen die echter in onderlinge tegenspraak zijn dan wel de vereiste coherentie missen.

4.

Vierde middel, ontleend aan een schending van het rechtszekerheidsbeginsel door een verplichting tot terugvordering op te leggen.

Op basis van de constante beschikkingspraktijk van de Commissie die de toepassing van het internationaal aanvaarde „arm’s length”-beginsel niet ter discussie stelde, zou het strijden met het beginsel van rechtszekerheid wanneer een bevel tot terugvordering van de vermeende steun zou worden toegepast in voorliggende zaak. Immers, op basis van de bestaande beschikkingspraktijk en rechtspraak kon niet voorzien worden dat artikel 185, paragraaf 2, onder b), WIB 92 in strijd zou zijn met artikel 107 VWEU.


(1)  Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248, blz. 9).