Zaak T‑729/16
PO e.a.
tegen
Europese Dienst voor extern optreden
„Ambtenarenrecht – EDEO – Beloning – Ambtenaren bij de delegatie te Peking – Gezinstoelagen – Schooltoelage voor het jaar 2015/2016 – Artikel 15, tweede volzin, van bijlage X bij het Statuut – Overschrijding van het statutair plafond voor derde landen – Besluit om de vergoeding van de schoolkosten in uitzonderlijke gevallen te maximeren – Algemene uitvoeringsbepalingen”
Samenvatting – Arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 25 oktober 2018
Ambtenaren – Bezwarend besluit – Motiveringsplicht – Omvang
(Art. 296 VWEU; Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea)
Ambtenaren – Beloning – Financiële regeling voor in een derde land tewerkgestelde ambtenaren – Schooltoelage – Vergoeding van de schoolkosten die het statutaire plafond voor derde landen overschrijden – Grenzen – Recht op onderwijs – Schending – Geen
(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 14 en 52, lid 1; Ambtenarenstatuut, bijlage X, art. 15)
Ambtenaren – Beginselen – Bescherming van het gewettigd vertrouwen – Voorwaarden
(Ambtenarenstatuut, bijlage X, art. 15)
Ambtenaren – Gelijke behandeling – Begrip – Grenzen
(Ambtenarenstatuut, bijlage X, art. 15)
Ambtenaren – Beloning – Financiële regeling voor in een derde land tewerkgestelde ambtenaren – Schooltoelage – Vergoeding van de schoolkosten die het statutaire plafond voor derde landen overschrijden – Voorwaarden voor toekenning – Verplichting voor de instellingen om algemene uitvoeringsbepalingen vast te stellen – Geen
(Ambtenarenstatuut, art. 110, lid 1, en bijlage X, art. 15)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punten 52, 53)
Noch de bewoordingen van artikel 15 van bijlage X bij het Statuut, noch de voorbereidende werkzaamheden van deze bijlage vereisen dat de tweede volzin van dat artikel aldus moet worden uitgelegd dat in uitzonderingsgevallen als bedoeld in die volzin een recht bestaat op volledige en onbeperkte vergoeding van de schoolkosten die het statutaire plafond voor derde landen overschrijden. Integendeel, deze volzin moet aldus worden uitgelegd dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij de toepassing van deze bepaling rekening mag houden met budgettaire beperkingen.
Zelfs indien wordt verondersteld dat een onvolledige vergoeding van de schoolkosten die het statutaire plafond voor derde landen overschrijden het in artikel 14 van het Handvest van de grondrechten bedoelde recht op onderwijs beperkt, kan een dergelijke beperking worden gerechtvaardigd op grond van artikel 52, lid 1, van dat Handvest. Het gaat dan namelijk om een beperking waarin wordt voorzien door een wet die een doelstelling van algemeen belang van de Unie nastreeft, te weten de doelstelling om de vergoeding van schoolkosten die het statutaire plafond voor derde landen overschrijden, uit te breiden tot zoveel mogelijk ambtenaren die daarom hebben verzocht, rekening houdend met de budgettaire beperkingen voor dergelijke uitgaven.
Derhalve vereist het in artikel 14 van het Handvest van de grondrechten neergelegde recht op onderwijs niet dat artikel 15 van bijlage X bij het Statuut aldus wordt uitgelegd dat de Europese dienst voor extern optreden wegens de uitzonderlijke omstandigheden waarin de ambtenaren die als afgevaardigde van de Unie in een derde land zijn geplaatst zich bevinden, gehouden was om alle schoolkosten die het statutaire plafond voor derde landen overschreden, te vergoeden.
(zie punten 72, 123, 124)
Voor het recht om aanspraak te maken op bescherming van het gewettigd vertrouwen moet aan drie voorwaarden zijn voldaan, namelijk in de eerste plaats dat de betrokkene van de administratie van de Unie nauwkeurige, onvoorwaardelijke en concordante toezeggingen heeft gekregen die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn, in de tweede plaats dat deze toezeggingen gerechtvaardigde verwachtingen wekken bij degene tot wie zij gericht zijn, en in de derde plaats dat de gegeven toezeggingen overeenstemmen met de toepasselijke voorschriften.
In dit verband kan het enkele feit dat een in een derde land tewerkgestelde ambtenaar schooltoelagen heeft kunnen ontvangen die het statutaire plafond voor derde landen overschrijden en alle schoolkosten dekken, op zich niet worden beschouwd als een nauwkeurige, onvoorwaardelijke en concordante toezegging.
(zie punten 79, 80)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punten 85‑87, 109)
Er is sprake van een verplichting om algemene uitvoeringsbepalingen vast te stellen overeenkomstig de procedure van artikel 110, lid 1, van het Statuut indien daartoe een uitdrukkelijk voorschrift bestaat. Bij gebreke van een uitdrukkelijk voorschrift kan een dergelijke verplichting slechts bij wijze van uitzondering worden erkend, namelijk ingeval de bepalingen van het Statuut dermate onduidelijk en onnauwkeurig zijn dat zij niet zonder willekeur kunnen worden toegepast.
In dit verband heeft de bij artikel 15, tweede volzin, van bijlage X bij het Statuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag verleende beslissingsbevoegdheid geen betrekking op een besluit van algemene strekking, maar op besluiten van individuele strekking die in uitzonderingsgevallen moeten worden genomen en moet dit gezag bij de uitoefening van deze bevoegdheid rekening houden met de individuele situaties van zijn personeelsleden die hebben verzocht om vergoeding van de schoolkosten die het statutaire plafond voor derde landen overschrijden. In deze context moet dit gezag over de nodige flexibiliteit beschikken om rekening te kunnen houden met de individuele situatie van elk personeelslid van de Europese dienst voor extern optreden dat verzoekt om terugbetaling van de schoolkosten die het statutaire plafond voor derde landen overschrijden, en voorts met de budgettaire beperkingen waaraan de vergoeding van die schoolkosten is onderworpen.
In het licht van deze overwegingen kan artikel 1, derde alinea, van bijlage X bij het Statuut niet aldus worden uitgelegd dat de Europese dienst voor extern optreden verplicht is algemene uitvoeringsbepalingen vast te stellen voor de uitoefening van de beslissingsbevoegdheid uit hoofde van artikel 15, tweede volzin, van bijlage X bij het Statuut.
Gezien het uitzonderlijke karakter van de besluiten van het tot aanstelling bevoegde gezag om het statutaire plafond voor derde landen overeenkomstig artikel 15, tweede volzin, van bijlage X van het Statuut te overschrijden en het feit dat dit gezag over een zekere flexibiliteit moet beschikken bij de toepassing van deze bepaling, kan echter niet worden gesteld dat het feit dat dit artikel dit gezag een ruime beoordelingsmarge laat, voldoende is om aan te tonen dat deze bepaling onduidelijk of onnauwkeurig is.
(zie punten 159, 165, 169, 173)