Zaak T‑640/16

GEA Group AG

tegen

Europese Commissie

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Hittestabilisatoren – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 81 EG wordt vastgesteld – Besluit tot wijziging van de aanvankelijke beschikking – Beroep tot nietigverklaring – Procesbelang – Ontvankelijkheid – Geldboeten – Maximum van 10 % – Groep van vennootschappen – Gelijke behandeling”

Samenvatting – Arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 18 oktober 2018

  1. Beroep tot nietigverklaring – Natuurlijke personen of rechtspersonen – Procesbelang – Besluit van de Commissie tot wijziging van een beschikking waarbij een gelboete wordt opgelegd wegens schending van de mededingingsregels – Overname in het besluit van bepalingen uit een eerste door de Unierechter nietig verklaard besluit tot wijziging – Beroep dat is ingesteld door een onderneming die samen met haar voormalige dochterondernemingen hoofdelijk was veroordeeld tot betaling van de geldboete – Ontvankelijkheid

    (Art. 101 VWEU en 263, vierde alinea, VWEU)

  2. Beroep tot nietigverklaring – Arrest houdende nietigverklaring – Draagwijdte – Absoluut gezag van gewijsde – Draagwijdte

    (Art. 266 VWEU)

  3. Mededinging – Geldboeten – Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling – Bepaling van het gedeelte van de geldboete dat de hoofdelijke medeschuldenaren onderling moeten dragen – Geen verdeling van de verlaging van het bedrag van een geldboete van een medeschuldenaar tussen de andere medeschuldenaren – Schending van het gelijkheidsbeginsel

    (Art. 101 VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 20 en 21)

  4. Mededinging – Geldboeten – Beoordelingsvrijheid van de Commissie – Omvang – Bevoegdheid om de betalingsmodaliteiten voor de geldboeten vast te stellen – Opleggen van vertragingsrente – Omvang

    (Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

  5. Mededinging – Geldboeten – Besluit waarbij geldboeten worden opgelegd – Toepasselijkheid van artikel 299 VWEU

    (Art. 101 VWEU en 299 VWEU)

  1.  Een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring is alleen ontvankelijk indien de verzoekende partij belang heeft bij nietigverklaring van de bestreden handeling. Een dergelijk belang onderstelt dat de gevolgen van de nietigverklaring van die handeling een voordeel kunnen opleveren voor de partij die het beroep heeft ingesteld.

    Is ontvankelijk een beroep dat is ingesteld tegen een besluit van de Commissie tot wijziging van een eerdere beschikking waarbij verzoekster en haar voormalige dochterondernemingen hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling van geldboeten wegens mededingingsverstorend gedrag, waarbij het bestreden besluit is vastgesteld na een arrest van de Unierechter houdende nietigverklaring van een besluit waarvan het dispositief volledig identiek is aan dat van het bestreden besluit en dat de bepalingen van de aanvankelijke beschikking heeft gewijzigd in bewoordingen die identiek zijn aan die van het bestreden besluit, in die zin dat een andere verdeling van de geldboeten tot stand wordt gebracht die verschilt van de verdeling die in de oorspronkelijke bewoordingen van die bepalingen tot stand was gebracht. De voormalige dochterondernemingen waren weliswaar geen partij bij het door verzoekster ingestelde beroep tegen het besluit dat door de Unierechter nietig is verklaard, maar hun respectieve juridische situatie is, net als die van verzoekster beïnvloed door die nietigverklaring. Daarbij komt dat de juridische situatie van die dochterondernemingen met betrekking tot de nietig verklaarde bepalingen samenhangt met die van verzoekster, aangezien deze bepalingen strekken tot vaststelling van ten eerste het bedrag van de geldboeten die aan die vennootschappen moeten worden opgelegd ter zake van inbreuken waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, en ten tweede de werking van de tussen hen met betrekking tot die geldboeten bestaande hoofdelijkheid in de verhouding tot derden.

    Aangezien de Unierechter zich in het arrest houdende nietigverklaring bovendien uitsluitend heeft uitgesproken over schending van verzoeksters rechten van verdediging en niet over de inhoudelijke rechtmatigheid van het nietigverklaarde besluit, kan het beroep, hoewel artikel 1 van dit besluit en artikel 1 van het bestreden besluit identieke bepalingen bevatten, dus leiden tot een voor verzoekster gunstigere verdeling van de bij die bepalingen vastgestelde geldboeten.

    (zie punten 53, 68, 69, 71‑75)

  2.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punt 70)

  3.  Het gelijkheidsbeginsel, op grond waarvan vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld tenzij dit objectief gerechtvaardigd is, is een algemeen beginsel van het Unierecht dat is neergelegd in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

    Wat betreft een besluit van de Commissie tot verdeling van het bedrag van de hoofdelijk aan een moedermaatschappij en twee voormalige dochterondernemingen – ACW en CPA – wegens mededingingsverstorend gedrag opgelegde geldboeten, moet bij het onderzoek of sprake is van een gelijke behandeling niet alleen rekening worden gehouden met de hoofdelijk aan ACW, CPA en aan de moedermaatschappij opgelegde geldboete, maar ook met de hoofdelijk aan ACW en de moedermaatschappij opgelegde geldboete. In dit verband heeft de Commissie zonder enige objectieve rechtvaardiging het gelijkheidsbeginsel geschonden op het moment dat zij de verlaging van het bedrag van de geldboete van ACW niet op een evenredige wijze heeft verdeeld in de twee gevallen van hoofdelijke aansprakelijkheid in kwestie. De moedermaatschappij en CPA bevinden zich namelijk in een vergelijkbare situatie doordat allebei de vennootschappen met ACW hoofdelijk zijn gehouden tot betaling van een geldboete. Daarbij komt dat de Commissie het gedeelte van de geldboete waartoe ACW en de moedermaatschappij hoofdelijk gehouden bleven, stellig anders had kunnen vaststellen met het oog op de beperking van het gedeelte van de geldboete tot betaling waarvan de moedermaatschappij als enige kon worden gehouden.

    (zie punten 97, 106‑109, 111)

  4.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punt 117)

  5.  Artikel 299 VWEU – waarin is bepaald dat besluiten van de Commissie die een geldelijke verplichting inhouden, een executoriale titel vormen – is van toepassing op besluiten waarbij deze instelling een geldboete oplegt.

    (zie punt 118)