ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE

(Eerste kamer)

21 juli 2016

WQ

tegen

Europees Parlement

„Openbare dienst — Ambtenaren — Certificeringsprocedure — Certificering 2014 — Niet-plaatsing van verzoeker op de lijst van ambtenaren die mogen deelnemen aan het opleidingsprogramma — Artikel 45 bis van het Statuut”

Betreft:

Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee WQ vraagt om nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van het Europees Parlement van 27 maart 2015 om hem niet op te nemen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de certificering 2014 mogen deelnemen aan het opleidingsprogramma.

Beslissing:

Het beroep wordt verworpen. WQ draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van het Europees Parlement.

Samenvatting

  1. Ambtenaren – Certificeringsprocedure – Vergelijking van de verdiensten – Beoordelingsbevoegdheid van de administratie – Rechterlijke toetsing – Grenzen

    (Ambtenarenstatuut, art. 45 bis)

  2. Ambtenaren – Certificeringsprocedure – Voorselectie van de kandidaten – Criteria – Beoordelingsbevoegdheid van de instellingen – Inaanmerkingneming van een cursus van ten minste één jaar die is afgesloten met een door een lidstaat erkend diploma – Geen discriminatie

    (Ambtenarenstatuut, art. 45 bis)

  1.  Gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de administratie beschikt om de verdiensten van de kandidaten in het kader van elke selectieprocedure, en met name de in artikel 45 bis van het Statuut voorziene certificeringsprocedure, te beoordelen en te vergelijken, moet het toezicht van het Gerecht voor ambtenarenzaken op dit gebied zich beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wijze waarop zij tot haar oordeel is gekomen, binnen redelijke grenzen is gebleven en haar bevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt dan wel voor andere doeleinden dan waarvoor haar die bevoegdheid gegeven was. Het Gerecht kan zijn oordeel over de verdiensten en de kwalificaties van de kandidaten dus niet in de plaats van dat van de administratie stellen, wanneer op grond van geen enkel element van het dossier kan worden gesteld dat de administratie bij de beoordeling van die verdiensten en kwalificaties een kennelijke fout heeft gemaakt.

    Ofschoon het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de selectie van de kandidaten beschikt, moet het de tekst eerbiedigen van de oproep tot sollicitaties zoals die bekend is gemaakt.

    (cf. punten 22 en 23)

    Referentie:

    Hof: arrest van 4 februari 1987, Bouteiller/Commissie, 324/85, EU:C:1987:59, punt 6

    Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten van 11 juli 2006, Tas/Commissie, F‑12/05, EU:F:2006:68, punt 43; 6 mei 2009, Campos Valls/Raad, F‑39/07, EU:F:2009:45, punt 43; 25 februari 2010, Pleijte/Commissie, F‑91/08, EU:F:2010:13, punt 61, en 2 december 2014, Migliore/Commissie, F‑110/13, EU:F:2014:257, punt 90

  2.  Van schending van het beginsel van gelijke behandeling, dat op het ambtenarenrecht van de Unie van toepassing is, is sprake wanneer twee categorieën personen wier rechtspositie en feitelijke situatie niet wezenlijk verschillen, verschillend worden behandeld en dat verschil in behandeling niet objectief gerechtvaardigd is.

    Verschillen in behandeling die worden gerechtvaardigd aan de hand van een objectief en redelijk criterium en die evenredig zijn aan het ermee nagestreefde doel, vormen geen schending van het beginsel van gelijke behandeling.

    Gelet op het feit dat de betrokkene niet een cursus van ten minste één jaar heeft gevolgd welke door een universiteit of een beroepsorde wordt gegeven en is afgesloten met een door een lidstaat erkend diploma, zodat hij voor dit criterium, dat is opgenomen in de beoordelingstabel in de oproep tot sollicitaties voor een certificeringsprocedure, geen punt heeft gekregen, bevindt hij zich in een situatie die feitelijk verschilt van die van een kandidaat die wel kan aantonen een dergelijke cursus te hebben gevolgd. Het tot aanstelling bevoegd gezag heeft daarom niet het beginsel van gelijke behandeling geschonden.

    (cf. punten 26‑28)

    Referentie:

    Hof: arrest van 22 december 2008, Centeno Mediavilla e.a./Commissie, C‑443/07 P, EU:C:2008:767, punt 76

    Gerecht van eerste aanleg: arrest van 16 maart 2004, Afari/ECB, T‑11/03, EU:T:2004:77, punt 65

    Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten van 23 januari 2007, Chassagne/Commissie, F‑43/05, EU:F:2007:14, punt 91, en 25 februari 2010, Pleijte/Commissie, F‑91/08, EU:F:2010:13, punt 36