Zaak C‑642/16

Junek Europ-Vertrieb GmbH

tegen

Lohmann & Rauscher International GmbH & Co. KG

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Bundesgerichtshof)

„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Merkenrecht – Verordening (EG) nr. 207/2009 – Artikel 13 – Uitputting van het aan het merk verbonden recht – Parallelimport – Ompakking van de van het merk voorziene waar – Heretikettering – Voorwaarden die gelden voor medische hulpmiddelen”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 mei 2018

  1. Uniemerk–Rechtsgevolgen van het Uniemerk–Uitputting van het aan het merk verbonden recht–Parallelimport van geneesmiddelen na ompakking en opnieuw aanbrengen van het merk–Oppositie door de houder–Ontoelaatbaarheid–Voorwaarden–Kunstmatige afscherming van de markten van de lidstaten–Noodzaak tot ompakking van het geneesmiddel–Beoordelingscriteria

    (Art. 36 VWEU; verordening nr. 207/2009 van de Raad, art. 13, lid 2; richtlijn 89/104 van de Raad, art. 7, lid 2)

  2. Uniemerk–Rechtsgevolgen van het Uniemerk–Uitputting van het aan het merk verbonden recht–Parallelimport van geneesmiddelen na aanbrengen van een aanvullende etikettering–Oppositie door de houder–Toelaatbaarheid

    Grenzen (Verordening nr. 207/2009 van de Raad, art. 13, lid 2; richtlijn 89/104 van de Raad, art. 7, lid 2)

  3. Uniemerk–Rechtsgevolgen van het Uniemerk–Uitputting van het aan het merk verbonden recht–Parallelimport van medische hulpmiddelen na aanbrengen van een aanvullende etikettering–Geen ompakking van de van het merk voorziene waar–Oppositie door de houder–Ontoelaatbaarheid

    (Verordening nr. 207/2009 van de Raad, art. 13, lid 2)

  1.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punten 23‑26, 30)

  2.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punten 27‑29)

  3.  Artikel 13, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het [Uniemerk] moet aldus worden uitgelegd dat de houder van een merk zich niet ertegen kan verzetten dat een medisch hulpmiddel in zijn oorspronkelijke binnen‑ en buitenverpakking verder wordt verhandeld door een parallelimporteur, wanneer deze een extra etiket zoals het etiket dat in het hoofdgeding aan de orde is, heeft aangebracht dat gezien de inhoud, functie, formaat, presentatie en plaatsing ervan geen risico vormt voor de garantie van de herkomst van het medische hulpmiddel dat van dat merk is voorzien.

    Aangezien de verpakking van het medische hulpmiddel in kwestie niet is gewijzigd en de oorspronkelijke presentatie van de verpakking enkel is aangetast doordat er een etiket van klein formaat op is aangebracht dat het merk niet onzichtbaar maakt en dat de parallelimporteur – door vermelding van diens contactgegevens, een streepjescode en een centraal farmaceutisch nummer – aanwijst als degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het product, kan niet worden geoordeeld dat het aanbrengen van dat etiket een ompakking in de zin van de arresten van 23 april 2002, Boehringer Ingelheim e.a. (C‑143/00, EU:C:2002:246), en 26 april 2007, Boehringer Ingelheim e.a. (C‑348/04, EU:C:2007:249), vormt.

    Derhalve kan hoe dan ook niet worden vastgesteld dat het specifieke doel van het merk, te weten de herkomst van de gemerkte waar garanderen tegenover de consument of de eindgebruiker, wordt aangetast doordat een dergelijk etiket wordt aangebracht.

    (zie punten 35, 36, 39 en dictum)