Gevoegde zaken C‑596/16 en C‑597/16
Enzo Di Puma
tegen
Commissione Nazionale per le Società e la Borsa (Consob)
en
Commissione Nazionale per le Società e la Borsa (Consob)
tegen
Antonio Zecca
(verzoeken om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Corte suprema di cassazione)
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2003/6/EG – Handel met voorwetenschap – Sancties – Nationale wettelijke regeling die voorziet in een administratieve sanctie en in een strafrechtelijke sanctie voor dezelfde feiten – Gezag van gewijsde van een onherroepelijk geworden strafrechtelijke uitspraak voor de administratieve procedure – Onherroepelijke strafrechtelijke uitspraak houdende vrijspraak van handel met voorwetenschap – Doeltreffendheid van de sancties – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 50 – Beginsel ne bis in idem – Strafrechtelijke aard van de administratieve sanctie – Bestaan van een en hetzelfde strafbare feit – Artikel 52, lid 1 – Beperkingen die aan het beginsel ne bis in idem zijn gesteld – Voorwaarden”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 20 maart 2018
Harmonisatie van de wetgevingen–Handel met voorwetenschap–Verbod–Sancties–Verplichting van de lidstaten om doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties in te voeren–Omvang–Mogelijkheid om in cumulatie van administratieve en strafrechtelijke sancties te voorzien–Beperking–Eerbiediging van het beginsel ne bis in idem
(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 50; richtlijn 2003/6 van het Europees Parlement en de Raad, art. 14, lid 1)
Grondrechten–Beginsel ne bis in idem–Nationale regeling die niet toestaat dat een procedure tot oplegging van een administratieve sanctie van strafrechtelijke aard wegens handel met voorwetenschap wordt voortgezet ten aanzien van een persoon die al bij een onherroepelijk geworden strafrechtelijke uitspraak is vrijgesproken van dezelfde feiten–Toelaatbaarheid
(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 50 en 52, lid 1; richtlijn 2003/6 van het Europees Parlement en de Raad, art. 14, lid 1)
Grondrechten–Beginsel ne bis in idem–Toepassingsvoorwaarden–Bestaan van een en hetzelfde strafbare feit–Cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties van strafrechtelijke aard–Beoordelingscriteria
(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 50)
Grondrechten–Beginsel ne bis in idem–Beperking–Nationale regeling die voorziet in cumulatie van een administratieve sanctie van strafrechtelijke aard en een strafrechtelijke sanctie–Toelaatbaarheid–Voorwaarden–Beperking die beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang–Doel de bescherming van de integriteit van de financiële markten van de Unie en van het vertrouwen van het publiek in financiële instrumenten–Daaronder begrepen
(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 50 en 52, lid 1)
In dat verband moet erop worden gewezen dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2003/6, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3 daarvan, de lidstaten ertoe verplicht om in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voor overtreding van het verbod van handel met voorwetenschap te voorzien. Hoewel het Hof heeft geoordeeld dat artikel 14, lid 1, van die richtlijn niet meer voorschrijft dan dat de lidstaten verplicht zijn om in administratieve sancties met die kenmerken te voorzien, zonder dat van de lidstaten wordt geëist ook strafrechtelijke sancties vast te stellen voor personen die zich aan handel met voorwetenschap schuldig maken (zie in die zin arrest van 23 december 2009, Spector Photo Group en Van Raemdonck, C‑45/08, EU:C:2009:806, punt 42), neemt dat niet weg dat de lidstaten ook het recht hebben om in cumulatie van strafrechtelijke en administratieve sancties te voorzien. Wanneer zij van dat recht gebruikmaken, moeten zij evenwel overeenkomstig artikel 51, lid 1, van het Handvest de grenzen in acht nemen die uit het Unierecht en met name uit het in artikel 50 van het Handvest gewaarborgde beginsel ne bis in idem voortvloeien.
(zie punt 26)
Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik), gelezen tegen de achtergrond van artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een procedure tot oplegging van een bestuurlijke geldboete van strafrechtelijke aard niet kan worden voortgezet na een onherroepelijk geworden vrijspraak waarbij is vastgesteld dat de feiten die een overtreding van de wetgeving inzake handel met voorwetenschap kunnen vormen en die eveneens de grondslag voor de inleiding van die procedure hebben gevormd, niet zijn bewezen.
In dat verband moet erop worden gewezen dat noch in artikel 14, lid 1, noch in een andere bepaling van richtlijn 2003/6 is gepreciseerd welke gevolgen een onherroepelijk geworden vrijspraak voor de procedure tot oplegging van een bestuurlijke geldboete heeft. Voorts heeft het Hof, gelet op het belang dat in de rechtsorde van de Unie en in de nationale rechtsorden toekomt aan het beginsel van het gezag van gewijsde, geoordeeld dat het Unierecht niet vereist dat de nationale procedureregels waarbij aan een rechterlijke beslissing gezag van gewijsde wordt verleend, buiten toepassing worden gelaten (zie aangaande het doeltreffendheidsbeginsel arresten van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C‑213/13, EU:C:2014:2067, punten 58 en 59, en 6 oktober 2015, Târșia, C‑69/14, EU:C:2015:662, punten 28 en 29).
Die beoordeling laat de in artikel 4, lid 2, van Protocol nr. 7 bij het EVRM genoemde mogelijkheid onverlet om de strafrechtelijke procedure in voorkomend geval te heropenen indien er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten of van een fundamenteel gebrek in het vorige proces die de uitkomst van de zaak kunnen beïnvloeden.
Deze uitlegging wordt bevestigd door artikel 50 van het Handvest.
In dat verband moet worden opgemerkt dat de doelstelling om de integriteit van de financiële markten en het vertrouwen van het publiek in de financiële instrumenten te beschermen, een cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties van strafrechtelijke aard zoals die waarin de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling voorziet, kan rechtvaardigen wanneer die vervolgingsmaatregelen en die sancties, met het oog op de verwezenlijking van een dergelijke doelstelling, elkaar aanvullende doelen nastreven die in voorkomend geval betrekking hebben op verschillende aspecten van hetzelfde inbreuk makende gedrag (zie in die zin arrest van heden, Garlsson Real Estate, C‑537/16, punt 46).
Wanneer na de definitieve afronding van de strafprocedure een procedure tot oplegging van een bestuurlijke geldboete van strafrechtelijke aard, zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, wordt voortgezet, moet daarbij echter het evenredigheidbeginsel strikt in acht worden genomen (zie in die zin arrest van heden, Garlsson Real Estate, C‑537/16, punt 48). In een situatie als die in de hoofdgedingen gaat de voortzetting van een procedure tot oplegging van een bestuurlijke geldboete van strafrechtelijke aard kennelijk verder dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in punt 42 van het onderhavige arrest genoemde doelstelling, aangezien er een onherroepelijk geworden vrijspraak is, waarin is vastgesteld dat de bestanddelen van het feit dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2003/6 beoogt te bestraffen, niet voorhanden zijn. Daaraan moet worden toegevoegd dat de door het beginsel ne bis in idem verleende bescherming volgens de bewoordingen van genoemd artikel 50 zelf niet beperkt is tot de situatie waarin de betrokkene voorwerp van een strafrechtelijke veroordeling is geweest, maar zich ook uitstrekt tot die waarin de betrokkene onherroepelijk is vrijgesproken.
(zie punten 30, 31, 35, 37, 39, 42‑44, 46, dictum)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punt 38)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punt 42)