Zaak C‑565/16

Procedure ingeleid door Alessandro Saponaro en Kalliopi-Chloi Xylina

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Eirinodikeio Lerou)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Gerecht van een lidstaat waar een verzoek tot machtiging om een nalatenschap namens een minderjarig kind te verwerpen is ingediend – Bevoegdheid in ouderlijke zaken – Prorogatie van rechtsmacht – Artikel 12, lid 3, onder b) – Aanvaarding van de bevoegdheid – Voorwaarden”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 19 april 2018

  1. Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken–Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid–Verordening nr. 2201/2003–Werkingssfeer–Begrip „burgerlijke zaken”–Maatregelen betreffende de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid–Rechterlijke machtiging om een nalatenschap namens een minderjarig kind te verwerpen–Daaronder begrepen–Niet-toepasselijkheid van verordening nr. 650/2012

    [Verordening nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad; verordening nr. 2201/2003 van de Raad, art. 1, lid 1, b), art. 1, lid 2, e), en art. 1, lid 3, f)]

  2. Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken–Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid–Verordening nr. 2201/2003–Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid–Prorogatie van rechtsmacht–Uitdrukkelijke dan wel op ondubbelzinnige wijze door partijen aanvaarde bevoegdheid–Omvang–Gezamenlijk verzoek van de twee ouders van een minderjarig kind ingediend bij dezelfde rechterlijke instantie–Daaronder begrepen

    [Verordening nr. 2201/2003 van de Raad, art. 12, lid 3, b)]

  3. Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken–Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid–Verordening nr. 2201/2003–Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid–Prorogatie van rechtsmacht–Uitdrukkelijke dan wel op ondubbelzinnige wijze door partijen aanvaarde bevoegdheid–Begrip „partijen”–Openbaar ministerie dat naar nationaal recht van rechtswege de hoedanigheid van partij bij de procedure heeft–Daaronder begrepen

    [Verordening nr. 2201/2003 van de Raad, art. 12, lid 3, b)]

  4. Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken–Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid–Verordening nr. 2201/2003–Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid–Prorogatie van rechtsmacht–Uitdrukkelijke dan wel op ondubbelzinnige wijze door partijen aanvaarde bevoegdheid–Aanvaarding moet bestaan op het tijdstip waarop het inleidend verzoekschrift wordt ingediend–Feiten die zich hebben voorgedaan nadat een rechterlijke instantie is aangezocht en waaruit blijkt dat er op dat tijdstip geen aanvaarding was–Verzet door het openbaar ministerie dat van rechtswege partij is bij de procedure

    [Verordening nr. 2201/2003 van de Raad, art. 12, lid 3, b)]

  5. Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken–Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid–Verordening nr. 2201/2003–Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid–Prorogatie van rechtsmacht–Uitdrukkelijke dan wel op ondubbelzinnige wijze door partijen aanvaarde bevoegdheid–Omvang–Gezamenlijk ingediend verzoek om machtiging om namens een minderjarig kind een nalatenschap te verwerpen ingediend door de ouders van dat kind–Daaronder begrepen–Voorwaarden

    [Verordening nr. 2201/2003 van de Raad, art. 12, lid 3, b)]

  1.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punten 16‑19)

  2.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punt 25)

  3.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punten 26‑29)

  4.  Uit artikel 16 van verordening nr. 2201/2003 blijkt dat het tijdstip waarop de partijen in de procedure hun aanvaarding kenbaar moeten maken, te weten het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, in beginsel overeenstemt met het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend (arresten van 1 oktober 2014, E., C‑436/13, EU:C:2014:2246, punt 38, en 12 november 2014, L, C‑656/13, EU:C:2014:2364, punt 55).

    Na het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, kunnen zich echter bepaalde feiten voordoen waaruit blijkt dat de aanvaarding als bedoeld in artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 op dat tijdstip ontbrak. Zo heeft het Hof in het arrest van 12 november 2014, L (C‑656/13, EU:C:2014:2364, punten 56 en 57) geoordeeld dat kennelijk niet is aangetoond dat er een uitdrukkelijk of minstens eenduidig akkoord in de zin van die bepaling bestaat wanneer de zaak op initiatief van slechts één partij in de procedure bij de betrokken rechter aanhangig is gemaakt, en wanneer, op een later tijdstip, een andere partij in die procedure al bij de eerste door haar te stellen handeling in die procedure de bevoegdheid van de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, betwist.

    Mutatis mutandis kan er, in een situatie waarin het openbaar ministerie volgens het toepasselijke nationale recht van rechtswege als partij bij een procedure inzake ouderlijke verantwoordelijkheid wordt beschouwd, geen sprake zijn van erkenning van de aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, indien het openbaar ministerie zich na die datum als partij verzet tegen de keuze die door de ouders van het betrokken kind is gemaakt inzake het volgens hen bevoegde gerecht. Indien het openbaar ministerie evenwel geen verzet aantekent, kan die partij worden geacht impliciet akkoord te zijn en kan de voorwaarde van ondubbelzinnige aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het betrokken gerecht aanhangig is gemaakt, worden geacht te zijn vervuld.

    (zie punten 30‑32)

  5.  In een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin de ouders van een minderjarig kind die samen met dit laatste hun gewone verblijfplaats in een lidstaat hebben, namens dat kind een verzoek om machtiging om een nalatenschap te verwerpen bij het gerecht van een andere lidstaat hebben ingediend, moet artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, aldus worden uitgelegd dat:

    uit de gezamenlijke indiening door de ouders van het kind bij het gerecht van hun keuze hun ondubbelzinnige aanvaarding van dat gerecht blijkt;

    het openbaar ministerie, dat naar nationaal recht van rechtswege partij is bij de door de ouders ingestelde procedure, een partij bij de procedure is in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van verordening nr. 2201/2003. Indien deze partij zich tegen de door de ouders van het kind inzake het bevoegde gerecht gemaakte keuze verzet nadat de zaak bij dat gerecht aanhangig is gemaakt, kan geen sprake zijn van erkenning van de aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op dat tijdstip. Indien geen dergelijk verzet wordt aangetekend, kan die partij worden geacht impliciet akkoord te zijn en kan de voorwaarde van ondubbelzinnige aanvaarding van de prorogatie van rechtsmacht door alle partijen bij de procedure op het tijdstip waarop de zaak bij het betrokken gerecht aanhangig is gemaakt, worden geacht te zijn vervuld, en

    uit de omstandigheid dat de verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van zijn overlijden, zijn nalatenschap en de passiva van de nalatenschap in de lidstaat van het gekozen gerecht zijn gelegen, kan bij gebreke aan gegevens waaruit blijkt dat de prorogatie van rechtsmacht negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor de situatie van het kind, worden afgeleid dat een dergelijke prorogatie van rechtsmacht wordt gerechtvaardigd door het belang van het kind.

    (zie punt 40 en dictum)