Gevoegde zaken C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17
M
tegen
Ministerstvo vnitra
en
X
en
X
tegen
Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen
[verzoeken om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Nejvyšší správní soud en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen]
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 mei 2019
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Asielbeleid – Internationale bescherming – Richtlijn 2011/95/EU – Vluchtelingenstatus – Artikel 14, leden 4 tot en met 6 – Weigering van verlening of intrekking van de vluchtelingenstatus wanneer er sprake is van een gevaar voor de veiligheid of de samenleving van de lidstaat van toevlucht – Geldigheid – Artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 78, lid 1, VWEU – Artikel 6, lid 3, VEU – Verdrag van Genève”
Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van het Hof – Omvang – Beoordeling van de geldigheid van richtlijn 2011/95 uit het oogpunt van artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die verwijzen naar het Verdrag van Genève – Daaronder begrepen
[Art. 19, lid 3, b), VEU; art. 78, lid 1, VWEU en art. 267, eerste alinea, b), VWEU; Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 18; richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad, art. 14, leden 4‑6]
(zie punten 71‑75)
Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus – Richtlijn 2011/95 – Hoedanigheid van vluchteling – Begrip – Derdelander of staatloze die voldoet aan de in hoofdstuk III van die richtlijn vastgestelde materiële voorwaarden – Hoedanigheid van vluchteling die afhangt van de formele erkenning van deze hoedanigheid door verlening van de vluchtelingenstatus – Geen
[Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, art. 1, afdeling A; richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad, art. 2, b), d) en e)]
(zie punten 86, 89, 91, 92)
Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus – Richtlijn 2011/95 – Intrekking, beëindiging of weigering tot verlenging van de vluchtelingenstatus – Gevaar voor de veiligheid of de samenleving van de lidstaat van toevlucht – Gevolgen – Verlies van de hoedanigheid van vluchteling – Geen
[Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, art. 1, afdeling A; richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad, art. 2, d), en art. 14, leden 4‑6]
(zie punten 97‑100)
Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus – Richtlijn 2011/95 – Intrekking, beëindiging of weigering tot verlenging van de vluchtelingenstatus – Gevaar voor de veiligheid of de samenleving van de lidstaat van toevlucht – Beoordeling van de geldigheid van richtlijn 2011/95 uit het oogpunt van artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die verwijzen naar het Verdrag van Genève – Geldigheid
(Art. 78, lid 1, VWEU; Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 18; richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad, art. 14, leden 4‑6)
(zie punten 110‑112 en dictum)
Samenvatting
De bepalingen van de vluchtelingenrichtlijn die betrekking hebben op de intrekking en weigering van verlening van de vluchtelingenstatus om redenen die verband houden met de bescherming van de veiligheid of van de samenleving van de lidstaat van toevlucht, zijn geldig
In het arrest M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus) (C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17) van 14 mei 2019 heeft de Grote kamer van het Hof zich uitgesproken over de geldigheid van artikel 14, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/95 ( 1 ) – waarin wordt gepreciseerd in welke gevallen de lidstaten de vluchtelingenstatus kunnen intrekken of kunnen weigeren deze te verlenen – uit het oogpunt van artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die verwijzen naar het Verdrag van Genève ( 2 ). Dit arrest is gewezen in het kader van drie gedingen tussen derdelanders en de respectieve bevoegde nationale autoriteiten over de intrekking van hun vluchtelingenstatus of de weigering om hun deze status te verlenen, omdat zij waren veroordeeld voor bijzonder ernstige misdrijven en een gevaar vormden voor de veiligheid of voor de samenleving van de betrokken lidstaat. Meer in het bijzonder heeft het Hof zich uitgesproken over de vraag of artikel 14, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/95 tot gevolg heeft dat dergelijke derdelanders, die voldoen aan de materiële voorwaarden van artikel 2, onder d), van deze richtlijn, de hoedanigheid van „vluchteling” wordt ontzegd en of die bepaling daardoor in strijd is met artikel 1 van het Verdrag van Genève.
Het Hof was om te beginnen van oordeel dat het bevoegd was om uitspraak te doen over de drie verzoeken om een prejudiciële beslissing. Het heeft erop gewezen dat de Unie weliswaar geen partij is bij het Verdrag van Genève, maar krachtens artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest van de grondrechten niettemin de voorschriften van dit verdrag in acht dient te nemen, zodat richtlijn 2011/95 op grond van die bepalingen van primair recht in overeenstemming moet zijn met dat verdrag. Tevens heeft het Hof opgemerkt dat het bevoegd is om te onderzoeken of het in de prejudiciële vragen genoemde artikel 14, leden 4 tot en met 6, van die richtlijn geldig is uit het oogpunt van voornoemde bepalingen.
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat aan artikel 14, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/95 een uitlegging kan worden gegeven die waarborgt dat geen afbreuk wordt gedaan aan het minimale beschermingsniveau van het Verdrag van Genève, zoals artikel 78, lid 1, VWEU en artikel 18 van het Handvest van de grondrechten vereisen. Het Hof is tot de slotsom gekomen dat die richtlijnbepaling geldig is.
In dit verband heeft het Hof in de eerste plaats gepreciseerd dat bij richtlijn 2011/95 weliswaar een normatief stelsel wordt ingevoerd dat begrippen en criteria bevat die de lidstaten gemeen hebben en die dus eigen zijn aan de Unie, maar dat deze richtlijn niettemin gebaseerd is op het Verdrag van Genève en met name tot doel heeft ervoor te zorgen dat artikel 1 van dit verdrag ten volle in acht wordt genomen. Zo wordt de in artikel 1, afdeling A, van het Verdrag van Genève vervatte definitie van het begrip „vluchteling” in wezen overgenomen in artikel 2, onder d), van die richtlijn. De „vluchtelingenstatus” in de zin van artikel 2, onder e), van richtlijn 2011/95 komt dan weer overeen met de formele erkenning van de hoedanigheid van „vluchteling”, die declaratoire kracht heeft en niet constitutief is voor deze hoedanigheid, wat volgens artikel 13 van deze richtlijn betekent dat een derdelander of staatloze die voldoet aan de in hoofdstuk III van die richtlijn genoemde materiële voorwaarden, alleen al om die reden een vluchteling is in de zin van artikel 2, onder d), van dezelfde richtlijn en artikel 1, afdeling A, van dat verdrag, zonder dat de lidstaten daarbij over discretionaire bevoegdheid beschikken. Voorts heeft het Hof opgemerkt dat de verlening van de vluchtelingenstatus tot gevolg heeft dat de betrokken vluchteling krachtens artikel 2, onder b), van richtlijn 2011/95 internationale bescherming in de zin van deze richtlijn geniet, zodat hij over alle rechten en voordelen beschikt waarin is voorzien bij hoofdstuk VII van die richtlijn, dat rechten bevat die gelijkwaardig zijn aan die van het Verdrag van Genève, maar ook verderstrekkende rechten, die geen tegenhanger hebben in dat verdrag. Gelet op een en ander heeft het Hof geoordeeld dat de hoedanigheid van „vluchteling” in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95 en artikel 1, afdeling A, van het Verdrag van Genève niet afhangt van de formele erkenning van die hoedanigheid door verlening van de „vluchtelingenstatus” in de zin van artikel 2, onder e), van die richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 13 ervan.
In de tweede plaats heeft het Hof – na te hebben vastgesteld dat het Unierecht vluchtelingen die zich bevinden in een van de in artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 bedoelde situaties, een ruimere bescherming biedt dan het Verdrag van Genève – opgemerkt dat artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 niet aldus kan worden uitgelegd dat in de context van het bij deze richtlijn ingevoerde stelsel de intrekking van de vluchtelingenstatus of de weigering om deze status te verlenen tot gevolg heeft dat de betrokken derdelander of staatloze die voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, onder d), van die richtlijn, gelezen in samenhang met de bepalingen van hoofdstuk III ervan, de hoedanigheid van vluchteling in de zin van voornoemd artikel 2, onder d), van dezelfde richtlijn en artikel 1, afdeling A, van het Verdrag van Genève verliest. De omstandigheid dat de betrokken persoon zich bevindt in een van de in artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 bedoelde situaties, betekent immers als zodanig niet dat hij niet meer beantwoordt aan de voorwaarden waarvan de hoedanigheid van vluchteling afhangt, die verband houden met het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in zijn land van herkomst. Het is juist dat die persoon in dat geval de vluchtelingenstatus wordt ontzegd, zodat hij niet of niet langer alle rechten en voordelen geniet waarin hoofdstuk VII van richtlijn 2011/95 voorziet. Zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 14, lid 6, van deze richtlijn, is of blijft die persoon evenwel in het genot van een aantal rechten die zijn vastgelegd in het Verdrag van Genève, hetgeen bevestigt dat hij – niettegenstaande die intrekking of weigering van de vluchtelingenstatus – vluchteling in de zin van met name artikel 1, afdeling A, van dat verdrag is of blijft.
In de laatste plaats heeft het Hof met betrekking tot artikel 14, lid 6, van richtlijn 2011/95 geoordeeld dat de lidstaat die gebruikmaakt van de door artikel 14, leden 4 en 5, van deze richtlijn geboden mogelijkheden, verplicht is om de betrokken vluchteling die zich op het grondgebied van die lidstaat bevindt, op zijn minst de in het Verdrag van Genève neergelegde rechten toe te kennen waarnaar in artikel 14, lid 6, van die richtlijn uitdrukkelijk wordt verwezen, alsmede de in dat verdrag neergelegde rechten voor het genot waarvan geen rechtmatig verblijf is vereist. Tevens heeft het Hof benadrukt dat aan die bepaling in geen geval een uitlegging mag worden gegeven waardoor zij de lidstaten ertoe zou aanzetten zich te onttrekken aan hun uit het Verdrag van Genève voortvloeiende internationale verplichtingen, doordat zij de door die personen aan dat verdrag ontleende rechten zou beperken. Het Hof heeft daaraan nog toegevoegd dat de toepassing van artikel 14, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2011/95 niet afdoet aan de verplichting van de betrokken lidstaat om de relevante bepalingen van het Handvest van de grondrechten na te leven.
Het Hof heeft aan het einde van zijn onderzoek beklemtoond dat personen die zich bevinden in een van de in artikel 14, leden 4 en 5, van richtlijn 2011/95 beschreven situaties, op grond van artikel 33, lid 2, van het Verdrag van Genève kunnen worden teruggeleid of uitgezet naar hun land van herkomst, en dit zelfs indien hun leven of vrijheid daar bedreigd zou worden, terwijl dergelijke personen niet kunnen worden teruggeleid op grond van richtlijn 2011/95 indien zij daardoor het risico zouden lopen dat hun in artikel 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten neergelegde grondrechten worden geschonden. Ten aanzien van die personen kan in de betrokken lidstaat weliswaar een besluit tot intrekking van de vluchtelingenstatus in de zin van artikel 2, onder e), van richtlijn 2011/95 worden vastgesteld, dan wel een besluit waarbij wordt geweigerd deze status te verlenen, maar de vaststelling van dergelijke besluiten laat hun hoedanigheid van vluchteling onverlet wanneer zij voldoen aan de materiële voorwaarden om te worden aangemerkt als vluchtelingen in de zin van artikel 2, onder d), van die richtlijn, gelezen in samenhang met de bepalingen van hoofdstuk III ervan, en dus in de zin van artikel 1, afdeling A, van het Verdrag van Genève.
( 1 ) Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9).
( 2 ) Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, dat op 28 juli 1951 is ondertekend te Genève.