Zaak C‑258/16
Finnair Oyj
tegen
Keskinäinen Vakuutusyhtiö Fennia
(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Korkein oikeus)
„Prejudiciële verwijzing – Luchtvervoer – Verdrag van Montreal – Artikel 31 – Aansprakelijkheid van luchtvervoerders voor geregistreerde bagage – Vereisten met betrekking tot de vorm en inhoud van het bij de luchtvervoerder ingediende schriftelijke protest – Protest dat langs elektronische weg is ingediend en in het IT‑systeem van de luchtvervoerder is geregistreerd – Protest dat door een hulppersoon van de luchtvervoerder in naam van de geadresseerde is ingediend”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Derde kamer) van 12 april 2018
Internationale overeenkomsten–Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer–Bevoegdheid van het Hof tot uitlegging van de bepalingen daarvan
(Verdrag van Montreal van 1999)
Vervoer–Luchtvervoer–Verordening nr. 2027/97–Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer–Aansprakelijkheid van vervoerders voor geregistreerde bagage–Vereisten inzake de schriftelijke vorm van en de termijnen voor het protest dat bij de luchtvervoerder wordt ingediend–Omvang
(Verdrag van Montreal van 1999, art. 31, leden 2, 3 en 4)
Vervoer–Luchtvervoer–Verordening nr. 2027/97–Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer–Aansprakelijkheid van vervoerders voor geregistreerde bagage–Vereisten inzake de schriftelijke vorm van het protest dat bij de luchtvervoerder wordt ingediend–Protest dat langs elektronische weg is ingediend en in het IT‑systeem van de luchtvervoerder is geregistreerd–Toelaatbaarheid
(Verdrag van Montreal van 1999, art. 31, lid 3)
Vervoer–Luchtvervoer–Verordening nr. 2027/97–Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer–Aansprakelijkheid van vervoerders voor geregistreerde bagage–Vereisten inzake de schriftelijke vorm van het protest dat bij de luchtvervoerder wordt ingediend–Protest dat langs elektronische weg is ingediend en in het IT‑systeem van de luchtvervoerder is geregistreerd–Protest dat door een hulppersoon van de luchtvervoerder in naam van de passagier via dat systeem is ingediend–Toelaatbaarheid–Voorwaarde–Mogelijkheid voor de passagier om na te gaan of het protest exact zijn mondelinge verklaring weergeeft en, in voorkomend geval, om het protest te wijzigen, aan te vullen of zelfs te vervangen vóór de voorgeschreven termijn verstrijkt
(Verdrag van Montreal van 1999, art. 31, leden 2 en 3)
Vervoer–Luchtvervoer–Verordening nr. 2027/97–Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer–Aansprakelijkheid van vervoerders voor geregistreerde bagage–Materiële vereisten inzake het protest dat bij de luchtvervoerder wordt ingediend–Verplichting die vervoerder in kennis te stellen van de veroorzaakte schade–Geen andere vereisten
(Verdrag van Montreal van 1999, art. 17, lid 2, en art. 31, leden 1‑4)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punten 20, 21)
Artikel 31, lid 4, van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 28 mei 1999 te Montreal is gesloten en namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001, moet aldus worden uitgelegd dat het protest, op straffe van niet-ontvankelijkheid van elke rechtsvordering tegen de vervoerder, binnen de in lid 2 van dit artikel voorgeschreven termijnen schriftelijk moet worden ingediend overeenkomstig lid 3 van dat artikel.
Dienaangaande blijkt allereerst uit artikel 31, lid 2, van het Verdrag van Montreal met name dat in geval van beschadiging de geadresseerde protest moet indienen bij de luchtvervoerder onmiddellijk na de ontdekking van de beschadiging en uiterlijk binnen de termijn waarin deze bepaling voor bagage respectievelijk voor goederen voorziet. Daarenboven bepaalt artikel 31, lid 3, van dit verdrag dat elk protest schriftelijk moet worden ingediend en overhandigd of verzonden binnen de voor het betrokken protest voorgeschreven termijnen.
De bepalingen van lid 2 en lid 3 van artikel 31 van het Verdrag van Montreal zijn evenwel aanvullend van aard. Terwijl in artikel 31, lid 2, van dit verdrag louter de termijnen worden vastgesteld binnen welke verschillende soorten protest bij de luchtvervoerder moeten worden ingediend, maakt artikel 31, lid 3, van dat verdrag duidelijk op welke wijze en in welke vorm die protesten bij de vervoerder moeten worden ingediend, met dien verstande dat deze verduidelijking geen afbreuk kan doen aan de verplichting om de in dat artikel 31, lid 2, gestelde termijnen in acht te nemen.
Hieruit volgt dat de leden 2 en 3 van artikel 31 van het Verdrag van Montreal, in onderling verband beschouwd, aldus moeten worden uitgelegd dat een protest binnen de in artikel 31, lid 2, voorgeschreven termijnen schriftelijk moet worden ingediend bij en gedaan aan de luchtvervoerder. Gelet op het specifieke verband tussen de leden 2 en 3 van artikel 31 van het Verdrag van Montreal, zoals in punt 26 van het onderhavige arrest is gepreciseerd, kan voorts niet worden aangenomen dat binnen de voorgeschreven termijnen geldig protest is ingediend bij de luchtvervoerder in de zin van lid 4 van dit artikel, wanneer het betrokken protest niet in schriftelijke vorm is gesteld zoals vereist in lid 3 van hetzelfde artikel.
(zie punten 24‑27, 30, 31, dictum 1)
Een protest als aan de orde in het hoofdgeding, dat in het IT‑systeem van de luchtvervoerder is geregistreerd, voldoet aan het in artikel 31, lid 3, van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 28 mei 1999 te Montreal is gesloten, vervatte vereiste van een schriftelijke vorm.
Bijgevolg moet het bijvoeglijk naamwoord „schriftelijk”, in de context van artikel 31 van dat verdrag, worden begrepen als betrekking hebbend op een geheel van grafische tekens met een betekenis, ongeacht of deze met de hand zijn geschreven, op papier zijn gedrukt dan wel in elektronische vorm zijn geregistreerd.
(zie punten 35‑37, dictum 2)
Artikel 31, leden 2 en 3, van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 28 mei 1999 te Montreal is gesloten, moet aldus worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat aan het vereiste van een schriftelijke vorm wordt geacht te zijn voldaan wanneer een vertegenwoordiger van de luchtvervoerder, met medeweten van de passagier, de schademelding in schriftelijke vorm, op papier of elektronisch, in het IT‑systeem van deze vervoerder invoert, voor zover deze passagier kan nagaan of het protest, zoals het in schriftelijke vorm is opgesteld en in dat systeem is ingevoerd, exact zijn mondelinge verklaring weergeeft, en het protest, in voorkomend geval, kan wijzigen, aanvullen of zelfs vervangen vóór de in artikel 31, lid 2, van het Verdrag van Montreal voorgeschreven termijn verstrijkt.
Hoewel de verantwoordelijkheid om protest aan te tekenen uitsluitend op de passagier rust, volgt uit de bewoordingen van artikel 31 van het Verdrag van Montreal geenszins dat de passagier daarom voor het indienen van zijn protest geen beroep zou kunnen doen op andere personen. De mogelijkheid voor de passagier om de hulp van andere personen in te roepen, zorgt ervoor dat hij ook, zoals dat in het hoofdgeding het geval was, gebruik kan maken van de bijstand van een vertegenwoordiger van de luchtvervoerder om zijn mondelinge aangifte in schriftelijke vorm te gieten en in het daartoe voorziene IT‑systeem van deze vervoerder in te voeren.
Het valt echter niet te ontkennen dat de belangen van de passagier en die van de luchtvervoerder waarbij de vertegenwoordiger in dienst is, verschillend en zelfs tegenstrijdig zijn. De passagier stelt immers dat schade aan zijn bagage is toegebracht, terwijl de luchtvervoerder wordt geacht daarvoor aansprakelijk te zijn. De doelstelling van bescherming van de belangen van consumenten in het internationale luchtvervoer en de noodzaak ervoor te zorgen dat de vertegenwoordiger de mondelinge verklaring van de passagier nauwkeurig en getrouw op papier zet, kunnen echter afdoende worden gewaarborgd door ervoor te zorgen dat de betrokken passagier kan nagaan of het protest, zoals het door de vertegenwoordiger van de luchtvervoerder in schriftelijke vorm is opgesteld en in het IT‑systeem is ingevoerd, zijn mondelinge verklaring exact weergeeft, en dat deze passagier het protest, in voorkomend geval, kan wijzigen, aanvullen of zelfs vervangen vóór de in artikel 31, lid 2, van het Verdrag van Montreal voorgeschreven termijn verstrijkt.
(zie punten 42, 44‑47, dictum 3)
Artikel 31 van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 28 mei 1999 te Montreal is gesloten, moet aldus worden uitgelegd dat in dit artikel geen andere inhoudelijke eisen aan het protest worden gesteld dan dat de luchtvervoerder in kennis wordt gesteld van de veroorzaakte schade.
Uit deze bewoordingen volgt dat een protest als aan de orde in het hoofdgeding, dat bij de luchtvervoerder is ingediend, bedoeld is om de luchtvervoerder ervan in kennis te stellen dat de geregistreerde bagage niet in goede staat, noch in overeenstemming met het vervoersdocument of de gegevens vastgelegd door de andere middelen bedoeld in artikel 3, tweede lid, van dit verdrag, is afgeleverd.
Wat vervolgens de context van artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Montreal betreft, zij erop gewezen dat de vervoerder overeenkomstig het eerste deel van de eerste volzin van artikel 17, lid 2, van dit verdrag aansprakelijk is voor schade die wordt geleden in geval van vernieling, verlies of beschadiging van aangegeven bagage.
Hieruit volgt dat artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Montreal, gelezen tegen de achtergrond van het eerste deel van de eerste volzin van artikel 17, lid 2, van dit verdrag, aldus moet worden uitgelegd dat een door de betrokken passagier ingediend protest zoals het protest dat in het hoofdgeding is ingediend, bedoeld is om de luchtvervoerder in kennis te stellen van de geleden schade. Gelet op het feit dat artikel 31, leden 2 tot en met 4, van het Verdrag van Montreal, zoals uit het antwoord op de eerste en de tweede prejudiciële vraag blijkt, zich ertoe beperkt allereerst de termijnen te verduidelijken binnen welke de verschillende soorten protest bij de vervoerder moeten worden ingediend, vervolgens te preciseren op welke wijze en in welke vorm die protesten bij de vervoerder moeten worden ingediend en ten slotte de gevolgen van niet-inachtneming van al deze vereisten duidelijk te maken, stelt dit artikel geen enkele inhoudelijke voorwaarde aan die protesten.
(zie punten 50‑54, dictum 4)