Gevoegde zaken C‑234/16 en C‑235/16

Asociación Nacional de Grandes Empresas de Distribución (ANGED)

tegen

Consejería de Economía y Hacienda del Principado de Asturias
en
Consejo de Gobierno del Principado de Asturias

(verzoeken om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Tribunal Supremo)

„Prejudiciële verwijzing – Regionale belasting op grote handelszaken – Vrijheid van vestiging – Bescherming van het milieu en ruimtelijke ordening – Staatssteun – Selectieve maatregel”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 26 april 2018

  1. Vrijheid van vestiging–Belastingwetgeving–Vennootschapsbelasting–Nationale regeling betreffende een regionale belasting op grote handelszaken–Toelaatbaarheid

    (Art. 49 VWEU en 54 VWEU)

  2. Steunmaatregelen van de staten–Begrip–Selectiviteit van de maatregel–Afwijking van het algemene belastingstelsel–Rechtvaardiging ontleend aan de aard en de opzet van het stelsel–Beoordelingscriteria

    (Art. 107, lid 1, VWEU)

  1.  De artikelen 49 en 54 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een belasting als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, die op grote handelszaken drukt.

    In de hoofdgedingen berust de in geding zijnde wettelijke regeling op een criterium dat betrekking heeft op de oppervlakte van de showroom en de verkoopoppervlakte van de zaak, dat geen rechtstreekse discriminatie met zich brengt. Evenmin volgt uit de aan het Hof overgelegde gegevens dat dit criterium in de meeste gevallen staatsburgers van andere lidstaten of vennootschappen met zetel in andere lidstaten benadeelt.

    (zie punten 24, 25, 28, dictum 1)

  2.  Een belasting als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, die hoofzakelijk op grote handelszaken drukt afhankelijk van de verkoopoppervlakte ervan, vormt geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU omdat zij voor zaken waarvan de verkoopoppervlakte kleiner is dan 4000 m2 in een vrijstelling voorziet. Een dergelijke belasting vormt evenmin staatssteun in de zin van die bepaling omdat zij voor zaken die actief zijn op het gebied van tuinartikelen, de verkoop van voertuigen, bouwmaterialen, gereedschappen en industriële componenten en een verkoopoppervlakte van niet meer dan 10000 m2 hebben, in een vrijstelling voorziet, aangezien die zaken het milieu en de ruimtelijke ordening minder aantasten dan de andere. Het staat aan de verwijzende rechterlijke instantie om te verifiëren of dit laatste ook het geval is.

    (zie punt 55, dictum 2)