Zaak C‑217/16
Europese Commissie
tegen
Dimos Zagoriou
(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Efeteio Athinon)
„Prejudiciële verwijzing – Besluit van de Europese Commissie tot terugvordering van gestorte bedragen dat een executoriale titel vormt – Artikel 299 VWEU – Tenuitvoerlegging – Wijze van tenuitvoerlegging – Bepaling van de nationale rechterlijke instantie die bevoegd is voor tenuitvoerleggingsgeschillen – Bepaling van de persoon op wie de geldelijke verplichting rust – Voorwaarden voor toepassing van de nationale procedurevoorschriften – Procedurele autonomie van de lidstaten – Gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Derde kamer) van 9 november 2017
Handelingen van de instellingen–Handelingen van de Commissie–Besluit van de Europese Commissie tot terugvordering van onterechte gestorte bedragen dat een executoriale titel vormt–Maatregelen ter uitvoering–Bepaling van de bevoegde nationale rechterlijke instantie–Toepassing van het nationale recht–Voorwaarden
(Art. 299 VWEU)
Economische, sociale en territoriale samenhang–Structurele bijstandsverlening–Financiering door de Unie–Bijstand die onverschuldigd is betaald–Invordering via een besluit dat een executoriale titel vormt–Bepaling van de persoon op wie de geldelijke verplichting rust–Toepassing van het nationale recht–Voorwaarden
(Art. 299 VWEU; verordeningen van de Raad nr. 2052/88, nr. 4253/88 en nr. 4256/88)
Artikel 299 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het niet bepaalt welke nationale rechtsorde bevoegd is voor beroepen inzake de tenuitvoerlegging van besluiten van de Europese Commissie die overeenkomstig dat artikel een geldelijke verplichting voor natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de staten, inhouden die een executoriale titel vormen, aangezien de vaststelling daarvan onder het nationale recht valt op grond van het beginsel van de procedurele autonomie, op voorwaarde dat die vaststelling geen afbreuk doet aan de toepassing en de doeltreffendheid van het Unierecht.
Het staat aan de nationale rechterlijke instantie om vast te stellen of de toepassing van de nationale procedurevoorschriften op de beroepen inzake de tenuitvoerlegging van de in artikel 299 VWEU bedoelde besluiten niet-discriminerend is ten opzichte van de procedures voor de beslechting van nationale gedingen van hetzelfde type, en gebeurt volgens voorschriften die de terugvordering van de in die besluiten bedoelde bedragen niet moeilijker maken dan in vergelijkbare gevallen inzake de uitvoering van overeenkomstige nationale bepalingen.
(zie punten 25, 26, dictum 1)
Artikel 299 VWEU en verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten, verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds, en verordening (EEG) nr. 4256/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van verordening nr. 2052/88 met betrekking tot het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL), afdeling Oriëntatie, moeten aldus worden uitgelegd dat zij in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet de natuurlijke of rechtspersonen bepalen tegen wie de tenuitvoerlegging kan worden gevorderd krachtens een besluit van de Europese Commissie tot terugvordering van gestorte bedragen dat een executoriale titel vormt. Het is een zaak van het nationale recht om die natuurlijke of rechtspersonen te bepalen, onder voorbehoud van de inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.
In dat verband zij eraan herinnerd dat artikel 299, eerste alinea, VWEU bepaalt dat de besluiten van de Raad van de Europese Unie, de Commissie of de Europese Centrale Bank welke voor natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de staten, een geldelijke verplichting inhouden, een executoriale titel vormen. Uit die bepaling volgt dat deze handelingen het voorwerp van een tenuitvoerlegging kunnen zijn tegen de natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de staten, tegen wie zij zijn gericht. Met betrekking tot de nationale regels inzake de tenuitvoerlegging blijkt uit de tweede en de derde alinea van dat artikel 299 VWEU dat die regels de tenuitvoerleggingsvoorschriften bevatten en niet voorschrijven welke de natuurlijke of rechtspersonen die door die tenuitvoerlegging kunnen worden getroffen. Bij ontbreken van een Unieregeling die deze natuurlijke of rechtspersonen aanwijst en die het mogelijk maakt met name te bepalen of de tenuitvoerlegging kan worden gevorderd tegen een natuurlijke of rechtspersoon tegen wie het besluit van de Commissie niet is gericht, is het dus een zaak van de interne rechtsorde van elke lidstaat om vast te stellen tegen welke natuurlijke of rechtspersonen de tenuitvoerlegging kan worden gevorderd, op voorwaarde echter dat de nationale regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 12 februari 2015, Baczó en Vizsnyiczai, C‑567/13, EU:C:2015:88, punten 41 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(zie punten 28‑31, 35, dictum 2)