ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

25 juli 2018 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Staatssteun – Steunmaatregel voor hernieuwbare elektriciteit en voor energie-intensieve ondernemingen – Besluit (EU) 2015/1585 – Geldigheid in het licht van artikel 107 VWEU – Ontvankelijkheid – Geen indiening van een beroep tot nietigverklaring door verzoeksters in het hoofdgeding”

In zaak C‑135/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main (bestuursrechter in eerste aanleg Frankfurt am Main, Duitsland) bij beslissing van 23 februari 2016, ingekomen bij het Hof op 7 maart 2016, in de procedure

Georgsmarienhütte GmbH,

Stahlwerk Bous GmbH,

Schmiedag GmbH,

Harz Guss Zorge GmbH

tegen

Bundesrepublik Deutschland,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta, M. Ilešič, J. L. da Cruz Vilaça (rapporteur), A. Rosas en J. Malenovský, kamerpresidenten, E. Juhász, A. Borg Barthet, D. Šváby, A. Prechal en C. Lycourgos, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: M. Aleksejev, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 december 2017,

gelet op de opmerkingen van:

Georgsmarienhütte GmbH, Stahlwerk Bous GmbH, Schmiedag GmbH en Harz Guss Zorge GmbH, vertegenwoordigd door H. Höfler en H. Fischer, Rechtsanwälte,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en R. Kanitz als gemachtigden, bijgestaan door T. Lübbig, Rechtsanwalt,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Maxian Rusche en K. Herrmann als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 februari 2018,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de geldigheid van besluit (EU) 2015/1585 van de Commissie van 25 november 2014 betreffende steunmaatregel SA.33995 (2013/C) (ex 2013/NN) (ten uitvoer gelegd door Duitsland inzake steun voor hernieuwbare elektriciteit en voor energie-intensieve ondernemingen) (PB 2015, L 250, blz. 122; hierna: „litigieus besluit”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding van vier ondernemingen van het concern Georgsmarienhütte, te weten Georgsmarienhütte GmbH, Stahlwerk Bous GmbH, Schmiedag GmbH en Harz Guss Zorge GmbH, tegen de Bundesrepublik Deutschland (Bondsrepubliek Duitsland) over de terugvordering, naar aanleiding van de vaststelling van het litigieuze besluit, van de met de interne markt onverenigbaar verklaarde onwettige steun die aan deze ondernemingen was verleend.

Duits recht

3

Blijkens de verwijzingsbeslissing bevat het Gesetz zur Neuregelung des Rechtsrahmens für die Förderung der Stromerzeugung aus erneuerbaren Energien (wet tot instelling van een nieuwe kaderregeling voor de bevordering van uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit) (BGBl. 2011 I, blz. 1634; hierna: „EEG 2012”) in wezen een mechanisme, op federaal niveau, voor compensatie van de kosten voor uit hernieuwbare energiebronnen opgewekte elektriciteit. Dit mechanisme berust onder meer op een heffing (hierna: „EEG-heffing”), die een kostenpost vormt die in beginsel wordt afgewenteld op de afnemers en eindverbruikers van elektriciteit.

4

Bij wijze van uitzondering, in het kader van een bijzondere compensatieregeling, staat het EEG 2012 toe dat de EEG-heffing overeenkomstig de §§ 40, 41 en 43 wordt gemaximeerd voor energie-intensieve ondernemingen met een hoog elektriciteitsverbruik (hierna: „EIO’s”). Deze maximering heeft tot doel de energiekosten van deze ondernemingen te beperken, zodat zij op internationaal niveau kunnen blijven concurreren.

5

Het EEG 2012 bepaalt in § 40 dat de EEG-heffing wordt gemaximeerd op basis van een verzoek dat wordt ingediend bij het Bundesamt für Wirtschaft und Ausfuhrkontrolle (federaal bureau voor handel en exportcontrole, Duitsland; hierna: „BAFA”).

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

6

Verzoeksters in het hoofdgeding zijn vier ondernemingen die behoren tot het concern Georgsmarienhütte. Hun activiteit bestaat in de productie, de gieterij en de bewerking van staal en zij hadden voor 2013 en 2014 recht op maximering van de EEG-heffing. Dit recht was verleend bij besluiten van het BAFA.

7

Deze maximeringsbesluiten zijn echter voor een gedeelte van de betrokken bedragen met terugwerkende kracht ingetrokken bij besluiten van het BAFA van 25 november 2014 (hierna: „besluiten tot gedeeltelijke intrekking”). Het BAFA heeft tevens de door verzoeksters in het hoofdgeding ingediende bezwaren tegen deze besluiten tot gedeeltelijke intrekking afgewezen.

8

De besluiten tot gedeeltelijke intrekking zijn vastgesteld ter uitvoering van het litigieuze besluit, waarbij de Europese Commissie heeft verklaard dat, onder meer, de bijzondere compensatieregeling voor EIO’s onwettige staatssteun vormde en zij de Bondsrepubliek Duitsland heeft gelast de met de interne markt onverenigbare steun terug te vorderen bij de begunstigden ervan.

9

Meer in het bijzonder heeft de Commissie in het litigieuze besluit vastgesteld dat de steun bestaande in kortingen op de EEG-heffing ten gunste van EIO’s, verenigbaar is met de interne markt wanneer deze steun in een van de vier in artikel 3, lid 1, van dit besluit genoemde categorieën valt. Volgens artikel 3, lid 2, van dat besluit is elke steun die niet in een van de in artikel 3, lid 1, bedoelde categorieën valt, onverenigbaar met de interne markt. De Bondsrepubliek Duitsland is derhalve overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van ditzelfde besluit gehouden de onverenigbare steun volgens de modaliteiten van bijlage III van het litigieuze besluit terug te vorderen bij de begunstigden.

10

Verzoeksters in het hoofdgeding hebben onder meer tegen de besluiten tot gedeeltelijke intrekking beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main (bestuursrechter in eerste aanleg Frankfurt am Main, Duitsland).

11

Bij die rechter hebben deze verzoeksters twijfels tot uiting gebracht over de kwalificatie door de Commissie van de maximering van de EEG-heffing als staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU. Daarop heeft het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vraag:

„Is het [litigieuze] besluit in strijd met het [VWEU], doordat de Commissie de maximering van de EEG-heffing aanmerkt als staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU?”

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

12

In het hoofdgeding wordt in wezen de geldigheid van het litigieuze besluit betwist voor zover daarin de maximering van de EEG-heffing is aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107 VWEU.

13

De Commissie betoogt, zich daarbij baserend op het arrest van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf (C‑188/92, EU:C:1994:90), dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is op grond dat verzoeksters in het hoofdgeding geen beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit hebben ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie.

14

In herinnering moet worden gebracht dat het Hof in punt 17 van dat arrest, dat is gewezen in een zaak die gelijkenissen vertoont met het hoofdgeding, in essentie heeft geoordeeld dat, met name om redenen die verband houden met de rechtszekerheid, aan de begunstigde van een steunmaatregel ten aanzien waarvan de Commissie een besluit heeft gegeven dat rechtstreeks en uitsluitend was gericht tot de lidstaat waaronder die begunstigde ressorteert, welke begunstigde dat besluit ongetwijfeld had kunnen aanvechten op grond van artikel 263 VWEU doch de hiertoe in de zesde alinea van dit artikel gestelde dwingende termijn heeft laten verlopen, de mogelijkheid moet worden ontzegd om voor de nationale rechter de rechtmatigheid van dit besluit opnieuw in geding te brengen in een beroep tegen de nationale maatregelen ter uitvoering van dat besluit (zie ook arresten van 15 februari 2001, Nachi Europe, C‑239/99, EU:C:2001:101, punt 30, en 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C‑667/13, EU:C:2015:151, punt 28).

15

Het Hof heeft meer in het bijzonder overwogen dat in een dergelijk geval de tegengestelde oplossing erop neer zou komen dat de begunstigde van de steun het onherroepelijke karakter dat een besluit in het belang van de rechtszekerheid na het verstrijken van de beroepstermijn dient te hebben, kan omzeilen (arresten van 15 februari 2001, Nachi Europe, C‑239/99, EU:C:2001:101, punt 30, en 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C‑667/13, EU:C:2015:151, punt 28en aldaar aangehaalde rechtspraak).

16

De in punt 14 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte uitsluiting is echter tevens gerechtvaardigd in het geval waarin de begunstigde van een steunmaatregel zich, vóór het verstrijken van de in artikel 263, zesde alinea, VWEU gestelde termijn voor beroep tegen het besluit van de Commissie, bij een nationale rechter op de ongeldigheid van dat besluit beroept.

17

De mogelijkheid voor een justitiabele om zich in het kader van een bij de nationale rechter ingesteld beroep te beroepen op de ongeldigheid van de bepalingen in een Uniehandeling die de grondslag vormt van een ten aanzien van hem genomen nationaal besluit, veronderstelt dus ofwel dat hij tevens krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU binnen de gestelde termijn beroep tot nietigverklaring tegen die Uniehandeling heeft ingesteld ofwel dat hij dat niet heeft gedaan omdat niet buiten twijfel staat dat hij het recht had om een dergelijk beroep in te stellen (zie in die zin arresten van 29 juni 2010, E en F, C‑550/09, EU:C:2010:382, punten 46 en 48; 17 februari 2011, Bolton Alimentari, C‑494/09, EU:C:2011:87, punten 22 en 23, en 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 67en aldaar aangehaalde rechtspraak).

18

Wanneer buiten twijfel staat dat een justitiabele die voornemens is een Uniehandeling aan te vechten, procesbevoegdheid heeft uit hoofde van artikel 263, vierde alinea, VWEU, is hij bijgevolg gehouden gebruik te maken van de in deze bepaling neergelegde beroepsgang door bij het Gerecht beroep in te stellen.

19

Zoals de advocaat-generaal in essentie heeft opgemerkt in de punten 40 tot en met 44 van zijn conclusie, biedt het beroep tot nietigverklaring, waaraan de mogelijkheid is gekoppeld om een hogere voorziening in te stellen tegen de uitspraak van het Gerecht, een procedureel kader dat uitermate geschikt is voor een grondig, contradictoir onderzoek van zowel feitelijke als juridische kwesties met name op technische en complexe gebieden, zoals dat van staatssteun, zoals blijkt uit de derde overweging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1).

20

Gepreciseerd zij evenwel dat een dergelijke constatering niet afdoet aan de rol van de prejudiciële verwijzing in de gerechtelijke structuur van de Unie.

21

De procedure van de prejudiciële verwijzing als bedoeld in artikel 267 VWEU omvat een rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, in het kader waarvan deze instanties nauwlettend deelnemen aan de juiste toepassing en de eenvormige uitlegging van het Unierecht en aan de bescherming van de door die rechtsorde aan particulieren verleende rechten [advies 1/09 (Overeenkomst over de invoering van een gemeenschappelijk stelsel voor octrooigeschillenbeslechting) van 8 maart 2011, EU:C:2011:123, punt 84].

22

Daaruit volgt dat het feit dat een natuurlijke of rechtspersoon, indien hij de wettigheid van een Uniehandeling wil aanvechten, beroep tot nietigverklaring moet instellen op grond van artikel 263 VWEU wanneer buiten twijfel staat dat hij procesbevoegdheid heeft in de zin van de vierde alinea van dat artikel, niet afdoet aan de aan deze persoon geboden mogelijkheid om de wettigheid van de nationale handelingen ter uitvoering van die handeling bij de bevoegde nationale rechterlijke instanties aan te vechten.

23

Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat de begunstigde van een steunmaatregel die binnen de in artikel 263, zesde alinea, VWEU gestelde termijn bij het Gerecht beroep heeft ingesteld tot nietigverklaring van een besluit van de Commissie waarbij die steun onverenigbaar met de interne markt is verklaard, niet kan worden beschouwd ernaar te streven het onherroepelijke karakter van dat besluit te omzeilen op grond dat hij tevens bij de verwijzende rechter de geldigheid van dat besluit betwist (zie in die zin arrest van 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C‑667/13, EU:C:2015:151, punt 29).

24

Voorts dient eraan te worden herinnerd dat, wanneer de beslechting van het geschil voor de nationale rechter afhangt van de geldigheid van het besluit van de Commissie, de verplichting tot loyale samenwerking meebrengt dat de nationale rechter, om geen beslissing te nemen die indruist tegen het besluit van de Commissie, de behandeling van de zaak schorst tot een definitieve beslissing van de rechterlijke instanties van de Unie op het beroep tot nietigverklaring, tenzij hij van oordeel is dat het in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de geldigheid van het besluit van de Commissie (arrest van 14 december 2000, Masterfoods en HB, C‑344/98, EU:C:2000:689, punt 57).

25

Tevens dient erop te worden gewezen dat, om de in punt 19 van het onderhavige arrest genoemde redenen, het beginsel van een goede rechtsbedeling – wanneer gelijktijdig zaken aanhangig worden gemaakt bij het Gerecht, in het kader van een beroep tot nietigverklaring, en bij het Hof, in het kader van een prejudiciële verwijzing betreffende geldigheid – kan rechtvaardigen dat het Hof gebruikmaakt, indien het dit gepast acht, van artikel 54, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie teneinde de behandeling van de bij hem aanhangige procedure te schorsen ten behoeve van de bij het Gerecht ingestelde procedure.

26

In het hoofdgeding moet derhalve in het licht van de overwegingen in de punten 14 tot en met 19 van het onderhavige arrest worden onderzocht of buiten twijfel stond dat verzoeksters in het hoofdgeding procesbevoegdheid hadden om krachtens artikel 263 VWEU bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen het litigieuze besluit (zie in die zin arrest van 14 maart 2017, A e.a., C‑158/14, EU:C:2017:202, punten 66 en 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en dit los van de vraag of die verzoeksters vóór het verstrijken van de termijn voor het instellen van beroep bij het Gerecht beroep hebben ingesteld bij de nationale rechterlijke instanties.

27

In dit verband volgt uit artikel 263, vierde alinea, VWEU, dat een natuurlijke of rechtspersoon slechts tegen een tot een andere persoon gericht besluit beroep kan instellen indien dit besluit hem rechtstreeks en individueel raakt.

28

In casu bepaalt artikel 10 van het litigieuze besluit uitdrukkelijk dat dit besluit is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

29

Evenwel moet worden vastgesteld, ten eerste, dat de artikelen 6 en 7 van het litigieuze besluit de Bondsrepubliek Duitsland gelasten de toegekende onverenigbare steun terug te vorderen, zodat de Duitse autoriteiten, zonder enige beoordelingsmarge, gehouden waren deze steun terug te vorderen volgens de in bijlage III bij het litigieuze besluit omschreven modaliteiten.

30

Bijgevolg moeten verzoeksters in het hoofdgeding worden beschouwd rechtstreeks te worden geraakt door dat besluit (zie in die zin arresten van 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie, C‑15/98 en C‑105/99, EU:C:2000:570, punt 36; 17 september 2009, Commissie/Koninklijke FrieslandCampina, C‑519/07 P, EU:C:2009:556, punten 48 en 49, en 27 februari 2014, Stichting Woonlinie e.a./Commissie, C‑133/12 P, EU:C:2014:105, punten 60 en 61).

31

Ten tweede dient in herinnering te worden gebracht dat rechtssubjecten die niet de adressaten van een besluit zijn, slechts kunnen stellen dat zij individueel zijn geraakt indien dit besluit hen betreft uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat (arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, blz. 232, en 29 april 2004, Italië/Commissie, C‑298/00 P, EU:C:2004:240, punt 36en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32

Het Hof heeft met name geoordeeld dat wanneer de bestreden handeling een groep personen raakt die op het tijdstip waarop deze handeling werd vastgesteld waren geïdentificeerd of konden worden geïdentificeerd op basis van specifieke kenmerken van de leden van deze groep, deze personen door deze handeling individueel kunnen zijn geraakt voor zover zij deel uitmaken van een beperkte kring van marktdeelnemers (arrest van 17 september 2009, Commissie/Koninklijke FrieslandCampina, C‑519/07 P, EU:C:2009:556, punt 54en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33

De daadwerkelijke begunstigden van uit hoofde van een steunregeling toegekende individuele steun waarvan de Commissie de terugvordering heeft gelast, zijn daardoor dus individueel geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. De verplichting tot terugvordering die wordt opgelegd bij een besluit van de Commissie inzake de betrokken steunregeling, individualiseert alle begunstigden van de betrokken regeling immers op voldoende wijze, daar zij vanaf de vaststelling van dat besluit zijn blootgesteld aan het risico dat de voordelen die zij hebben ontvangen, worden teruggevorderd en aldus worden geraakt in hun rechtspositie (zie in die zin arresten van 9 juni 2011, Comitato Venezia vuole vivere e.a./Commissie, C‑71/09 P, C‑73/09 P en C‑76/09 P, EU:C:2011:368, punten 53 en 56, en 21 december 2011, A2A/Commissie, C‑320/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:858, punten 58 en 59).

34

Vast staat dat jegens verzoeksters in het hoofdgeding individuele besluiten waren genomen door het BAFA op grond waarvan hun EEG-heffing mocht worden gemaximeerd.

35

Het is juist deze maximering die door de Commissie is aangemerkt als met de interne markt onverenigbare steun, waarvan de terugvordering werd gelast volgens de in het litigieuze besluit bepaalde modaliteiten.

36

Bijgevolg worden verzoeksters in het hoofdgeding door het litigieuze besluit niet alleen geraakt als EIO’s die deel uitmaken van de energiesector waarop de in dat besluit onderzochte steunregeling betrekking heeft. Zij worden individueel geraakt uit hoofde van hun hoedanigheid van daadwerkelijke begunstigden van de steun die uit hoofde van deze regeling is verleend en waarvan de Commissie de terugvordering heeft gelast (zie in die zin arresten van 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie, C‑15/98 en C‑105/99, EU:C:2000:570, punt 34, en 29 april 2004, Italië/Commissie, C‑298/00 P, EU:C:2004:240, punt 39).

37

Uit het voorgaande volgt dat een beroep van verzoeksters in het hoofdgeding tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ongetwijfeld ontvankelijk zou zijn geweest.

38

Het staat inderdaad vast dat elk van de verzoeksters in het hoofdgeding bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring had ingesteld tegen besluit C(2013) 4424 final van de Commissie van 18 december 2013 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure krachtens artikel 108, lid 2, VWEU betreffende de maatregelen ten uitvoer gebracht door de Bondsrepubliek Duitsland ten gunste van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en grootverbruikers van energie [steunmaatregel SA. 33995 (2013/C) (ex 2013/NN)].

39

Aangezien de formele onderzoeksprocedure intussen was beëindigd door de vaststelling van het litigieuze besluit, heeft het Gerecht echter bij beschikkingen van 9 juni 2015, Stahlwerk Bous/Commissie (T‑172/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:402), Georgsmarienhütte/Commissie (T‑176/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:414), Harz Guss Zorge/Commissie (T‑177/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:395) en Schmiedag/Commissie (T‑183/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:396), geoordeeld dat op de door verzoeksters in het hoofdgeding ingestelde beroepen niet meer hoefde te worden beslist omdat deze zonder voorwerp waren geraakt.

40

Bovendien gingen deze beroepen gepaard met verzoeken om aanpassing van de conclusies die verzoeksters in de loop van de procedure hadden ingediend, opdat die beroepen tevens zouden strekken tot nietigverklaring van het litigieuze besluit. Het Gerecht heeft deze verzoeken in de in het voorgaande punt genoemde beschikkingen evenwel niet‑ontvankelijk verklaard, op grond dat het litigieuze besluit het in punt 38 van dit arrest genoemde besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure niet had gewijzigd en niet daarvoor in de plaats was gekomen en omdat dit evenmin hetzelfde voorwerp had.

41

Voorts moet worden beklemtoond dat het Gerecht, op identieke wijze in punt 23 en punt 24 van de in punt 39 van dit arrest genoemde beschikkingen, heeft gepreciseerd dat de afwijzing van de verzoeken om aanpassing die strekten tot nietigverklaring van het litigieuze besluit, niet afdeed aan de mogelijkheid voor verzoeksters in het hoofdgeding om beroep in te stellen tegen dat besluit.

42

Verzoeksters in het hoofdgeding hebben evenwel geen nieuw beroep ingesteld bij het Gerecht.

43

Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat aangezien buiten twijfel staat dat verzoeksters in het hoofdgeding het recht hadden om beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit in te stellen in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, maar zij dit recht niet hebben uitgeoefend, zij niet tot staving van hun bij de verwijzende rechter ingestelde beroepen tegen de nationale maatregelen ter uitvoering van dat besluit de ongeldigheid van dit besluit kunnen aanvoeren.

44

In die omstandigheden is de geldigheid van het litigieuze besluit niet rechtsgeldig in twijfel getrokken bij de verwijzende rechter, zodat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is.

Kosten

45

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

Het door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main (bestuursrechter in eerste aanleg Frankfurt am Main, Duitsland) bij beslissing van 23 februari 2016 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing is niet-ontvankelijk.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.