Zaak C‑89/16
Radosław Szoja
tegen
Sociálna poisťovňa
en
WEBUNG, s.r.o.
(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Najvyšší súd Slovenskej republiky)
„Prejudiciële verwijzing – Toepassing van de socialezekerheidsregelingen – Migrerende werknemers – Persoon die werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst in twee verschillende lidstaten verricht – Vaststelling van de toepasselijke wetgeving – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Artikel 13, lid 3 – Verordening (EG) nr. 987/2009 – Artikel 14, lid 5 ter – Artikel 16 – Gevolgen van de besluiten van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels – Niet-ontvankelijkheid”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 juli 2017
Sociale zekerheid – Migrerende werknemers – Toepasselijke wetgeving – Persoon die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst in twee verschillende lidstaten uitoefent – Bepaling van de toepasselijke wetgeving – Verplichting om rekening te houden met de vereisten van artikel 14, lid 5 ter, en van artikel 16 van verordening nr. 987/2009
(Verordeningen van het Europees Parlement en de Raad nr. 883/2004, art. 13, lid 3, en nr. 987/2009, art. 14, lid 5 ter, en 16)
Artikel 13, lid 3, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012, moet aldus worden uitgelegd dat met het oog op de vaststelling van de nationale wetgeving die uit hoofde van die bepaling van toepassing is op een persoon als verzoeker in het hoofdgeding, die werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten in verschillende lidstaten, rekening moet worden gehouden met de vereisten van artikel 14, lid 5 ter, en van artikel 16 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 883/2004, zoals gewijzigd bij verordening nr. 465/2012.
Volgens de eerste in artikel 13, lid 3, van de basisverordening genoemde hypothese, die ertoe strekt vast te stellen welke nationale wetgeving van toepassing is op een persoon die in een lidstaat werkzaamheden in loondienst en in een andere lidstaat werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten, is deze persoon onderworpen aan de wetgeving van de lidstaat waarin hij werkzaamheden in loondienst verricht.
De toepassingsverordening, die tot doel heeft de toepassingsvoorwaarden van de basisverordening vast te stellen, bepaalt evenwel in artikel 14, lid 5 ter, ervan, dat voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving op grond van artikel 13 van de basisverordening marginale werkzaamheden buiten beschouwing worden gelaten.
Verder dient eraan te worden herinnerd dat uit artikel 14, lid 5 ter, van de toepassingsverordening volgt dat artikel 16 van die verordening op alle onder dit artikel 14 bedoelde gevallen van toepassing is. Derhalve moet in een geval als in het hoofdgeding aan de orde is, ook rekening worden gehouden met artikel 16 van deze verordening, dat aangeeft welke procedure moet worden gevolgd ter vaststelling van de toepasselijke wetgeving overeenkomstig artikel 13 van de basisverordening.
In dit verband zij eraan herinnerd dat de conflictregels van de basisverordening dwingend gelden voor de lidstaten, en dat niet kan worden toegestaan dat de sociaal verzekerden op wie die regels van toepassing zijn, de gevolgen ervan teniet kunnen doen doordat zij kunnen kiezen zich eraan te onttrekken (zie in die zin arrest van 14 oktober 2010, Van Delft e.a., C‑345/09, EU:C:2010:610, punt 52).
(zie punten 36, 38, 41, 42, 44 en dictum)