CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. WAHL
van 30 november 2017 ( 1 )
Zaak C‑426/16
Liga van Moskeeën en Islamitische Organisaties Provincie Antwerpen VZW e.a.
tegen
Vlaams Gewest
[verzoek van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van dieren bij het doden – Speciale slachtmethoden – Islamitisch Offerfeest – Verordening (EG) nr. 1099/2009 – Artikel 4, lid 4 – Verplichting om onverdoofd ritueel te slachten in erkende slachthuizen – Verordening (EG) nr. 853/2004 – Erkenningsvoorwaarden voor slachthuizen – Geldigheid – Artikel 13 VWEU – Eerbiediging van nationale gebruiken inzake religieuze riten – Artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Vrijheid van godsdienst – Beperking – Rechtvaardiging”
|
1. |
Ritueel slachten is in de Europese wetgeving inzake het doden van dieren reeds lang erkend als een uitvloeisel van de vrijheid van godsdienst. De wens van de Uniewetgever om de bescherming van de vrijheid van eredienst en de bescherming van het dierenwelzijn met elkaar te verzoenen kwam reeds tot uiting bij de vaststelling van richtlijn 74/577/EEG ( 2 ) en is nog steeds aanwezig in de thans geldende verordening (EG) nr. 1099/2009 ( 3 ). |
|
2. |
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de geldigheid van artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009. Met dit verzoek wordt het Hof verzocht een uitspraak te doen over de geldigheid, gelet op het grondrecht van de vrijheid van godsdienst, van de bepaling waarbij het onverdoofd slachten van dieren, dat door bepaalde religieuze voorschriften is vereist, alleen wordt toegestaan in een erkend slachthuis ( 4 ) dat aan alle ter zake toepasselijke bepalingen voldoet. |
|
3. |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds verschillende moslimverenigingen en overkoepelende verenigingen van moskeeën en een aantal particulieren in het Vlaamse Gewest (hierna: „verzoekers in het hoofdgeding”), en anderzijds het Vlaamse Gewest (België) met betrekking tot het besluit van de Vlaamse minister bevoegd voor dierenwelzijn om vanaf 2015 het onverdoofd ritueel slachten van dieren tijdens het islamitische Offerfeest (Aïd-el-Adha) ( 5 ) niet meer toe te staan in tijdelijke slachtinrichtingen in de gemeenten van dat gewest. |
|
4. |
Dadelijk moet de kwestie die in de onderhavige zaak juist aan de orde is, worden gepreciseerd. In casu gaat het helemaal niet om het volledige verbod van het onverdoofd slachten van dieren, waarover thans in een groot aantal lidstaten wordt gediscussieerd ( 6 ), maar wel om de materiële voorwaarden inzake uitrusting en operationele verplichtingen waaronder dat slachten op grond van de geldende Uniewetgeving moet worden verricht. Aldus rijst de vraag of het vereiste dat in een slachthuis in de zin van artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009 wordt geslacht, een regel die algemeen, ongeacht de gebruikte slachtmethode van toepassing is, de vrijheid van godsdienst beperkt. |
|
5. |
In casu kunnen mijns inziens geen van de feiten of omstandigheden die in de onderhavige zaak zijn aangevoerd de geldigheid van verordening nr. 1099/2009 aantasten. De regel volgens welke in beginsel enkel in erkende slachthuizen mag worden geslacht, is een volledig neutrale regel, die ongeacht de omstandigheden en de gekozen slachtmethode van toepassing is. Naar mijn mening heeft de aan het Hof voorgelegde problematiek meer te maken met een conjunctureel capaciteitsprobleem van de slachthuizen in bepaalde geografische gebieden ter gelegenheid van het islamitische Offerfeest – en uiteindelijk met een probleem van de kosten die moeten worden gedragen om aan een religieus voorschrift te voldoen – dan met de vereisten die voortvloeien uit de Uniewetgeving, die een evenwicht tot stand brengt tussen, enerzijds, het recht op vrijheid van godsdienst en, anderzijds, de vereisten die met name verband houden met de bescherming van de volksgezondheid, het dierenwelzijn en de voedselveiligheid. |
I. Toepasselijke bepalingen
A. Verordening nr. 1099/2009
|
6. |
In verordening nr. 1099/2009 worden de gemeenschappelijke regels voor de bescherming van het welzijn van de dieren bij het slachten of doden ervan in de Unie vastgesteld. |
|
7. |
Volgens artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009 geldt voor de toepassing van deze verordening als definitie van „slachthuis”„elke voor het slachten van landdieren gebruikte inrichting die onder verordening (EG) nr. 853/2004 valt”. |
|
8. |
Artikel 4 van verordening nr. 1099/2009 luidt: „1. Dieren worden uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in bijlage I. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid wordt aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden. […] 4. Indien dieren worden geslacht volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, zijn de voorschriften van lid 1 niet van toepassing mits het slachten plaatsvindt in een slachthuis.” |
B. Verordening nr. 853/2004
|
9. |
Artikel 4 van verordening nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong ( 7 ) bepaalt: „1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven brengen alleen in de Gemeenschap vervaardigde producten van dierlijke oorsprong in de handel, indien ze uitsluitend bewerkt en gehanteerd zijn in inrichtingen:
[…]” |
|
10. |
Artikel 10 van verordening nr. 853/2004, met het opschrift „Wijziging en aanpassing van de bijlagen II en III”, bepaalt in de leden 4 tot en met 8 dat de lidstaten onder bepaalde voorwaarden en volgens bepaalde modaliteiten nationale maatregelen kunnen treffen om de in bijlage III vastgestelde voorschriften, waaronder de in hoofdstuk II vermelde „Voorschriften voor slachthuizen”, aan te passen. |
II. Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
|
11. |
Het islamitische Offerfeest wordt jaarlijks gedurende drie dagen gevierd. ( 8 ) Praktiserende moslims beschouwen het als hun religieuze plicht om, bij voorkeur op de eerste dag van dat feest, een dier ( 9 ) te slachten of te laten slachten, waarvan het vlees vervolgens deels wordt gegeten door het gezin en deels wordt verdeeld onder behoeftigen, buren en familieleden. |
|
12. |
Zoals blijkt uit de aan het Hof overgelegde stukken, bestaat er een consensus bij de meerderheid van de moslims in België, die is uitgedrukt door de Raad der Theologen binnen het Executief van de Moslims van die staat, dat het ritueel slachten zonder verdoving en met inachtneming van de andere voorschriften van de ritus moet worden verricht. |
|
13. |
In uitvoering van artikel 16, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren bepaalt het koninklijk besluit van 11 februari 1988, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 maart 1998, dat, in België, de door een religieuze ritus voorgeschreven slachtingen slechts mogen plaatsvinden in reguliere slachthuizen (hierna: „erkende slachthuizen”) of „in inrichtingen erkend door de minister tot wiens bevoegdheid de landbouw behoort na overleg met de minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort”. ( 10 ) |
|
14. |
Met toepassing van deze regelgeving had de Belgische federale minister sinds 1998 elk jaar tijdelijke slachtinrichtingen erkend, die het samen met de erkende slachthuizen mogelijk hadden gemaakt de rituele slachtingen tijdens het islamitische Offerfeest te voltrekken en aldus het gebrek aan slachtcapaciteit in die slachthuizen ten gevolge van de stijging van de vraag tijdens die periode op te vangen. ( 11 ) Na overleg met de moslimgemeenschap had de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu op verschillende tijdstippen, tot in 2013, een Handleiding voor de Organisatie van het Islamitisch Offerfeest gepubliceerd, waarin aanbevelingen werden gegeven voor het openen en runnen van tijdelijke slachtinrichtingen, naast de erkende slachthuizen. |
|
15. |
Na de zesde staatshervorming is op 1 juli 2014 de bevoegdheid inzake het dierenwelzijn overgedragen aan de Gewesten. Het Vlaamse Gewest heeft bijgevolg om het islamitische Offerfeest van dat jaar op zijn grondgebied te organiseren op zijn beurt een aan de federale handleiding van 2013 soortgelijke handleiding vastgesteld, waarin was vermeld dat tijdelijke slachtinrichtingen via een individuele erkenning van de bevoegde minister voor een bepaalde periode konden worden toegestaan, op voorwaarde dat in de erkende slachthuizen op een redelijke afstand onvoldoende slachtcapaciteit was vastgesteld en voor zover zij voldeden aan een reeks uitrustingsvoorwaarden en operationele verplichtingen. |
|
16. |
Op 12 september 2014 heeft de voor dierenwelzijn bevoegde Vlaamse minister meegedeeld dat hij vanaf 2015 geen erkenningen meer zou afleveren aan tijdelijke slachtinrichtingen waar tijdens het islamitische Offerfeest ritueel zou kunnen worden geslacht, op grond dat dergelijke erkenningen in strijd waren met de Uniewetgeving, met name met de bepalingen van verordening nr. 1099/2009. ( 12 ) |
|
17. |
Op 4 juni 2015 heeft de minister aldus een rondzendbrief aan de Vlaamse burgemeesters gestuurd (hierna: „bestreden besluit”) waarin werd meegedeeld dat vanaf 2015 onverdoofde slachtingen van dieren, zelfs die welke plaatsvonden in het kader van het islamitische Offerfeest, enkel in erkende slachthuizen konden worden verricht. |
|
18. |
In die context hebben de verzoekers in het hoofdgeding verschillende rechtsvorderingen ingesteld en met name op 5 februari 2016 het Vlaamse Gewest gedagvaard voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België). |
|
19. |
Verzoekers in het hoofdgeding hebben aangevoerd dat zelfs wanneer verordening nr. 1099/2009 van toepassing zou worden verklaard op het ritueel slachten van dieren tijdens het islamitische Offerfeest – wat zij betwisten ( 13 ) –, de vraag dient te worden gesteld of de regel van artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009 geldig is, aangezien hij in strijd zou zijn met het recht op vrijheid van godsdienst, beschermd door artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”), en voorts de door artikel 13 VWEU beschermde Belgische gebruiken met betrekking tot religieuze riten van het islamitische Offerfeest niet zou eerbiedigen. |
|
20. |
De Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel overweegt dat het bestreden besluit, door de regel van artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009 toe te passen, een beperking op de uitoefening van de godsdienstvrijheid in het leven roept en inbreuk maakt op de Belgische gebruiken inzake religieuze riten, aangezien het moslims verplicht de rituele slachting tijdens het islamitische Offerfeest in overeenkomstig verordening nr. 853/2004 erkende slachthuizen te verrichten. Volgens die rechter is die beperking niet relevant om de rechtmatige doelstellingen van de bescherming van het dierenwelzijn en de volksgezondheid te bereiken, noch daarmee evenredig. |
|
21. |
Daarop heeft de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: „Is artikel 4, lid 4, samen gelezen met artikel 2, onder k), van verordening [nr. 1099/2009] ongeldig wegens een schending van artikel 9 van het [EVRM], artikel 10 van het [Handvest] en/of artikel 13 [VWEU], doordat zij bepalen dat dieren volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten slechts zonder bedwelming mogen worden geslacht in een slachthuis dat onder de toepassing valt van verordening [nr. 853/2004], terwijl in het Vlaamse Gewest onvoldoende capaciteit aanwezig is in dergelijke slachthuizen om te voldoen aan de vraag die jaarlijks ter gelegenheid van het islamitische Offerfeest ontstaat naar onbedwelmd ritueel geslachte dieren, en de lasten om tijdelijke, met het oog op het islamitische Offerfeest, door de overheid erkende en gecontroleerde slachtinrichtingen om te vormen naar slachthuizen die onder de toepassing vallen van verordening [nr. 853/2004], niet pertinent lijken om de nagestreefde doelstellingen van dierenwelzijn en volksgezondheid te bereiken en hiermee niet evenredig lijken te zijn?” |
|
22. |
De verenigingen Liga van Moskeeën en Islamitische Organisaties Provincie Antwerpen VZW e.a. en Global Action in the Interest of Animals VZW (hierna: „GAIA”), het Vlaamse Gewest, de Estse en de Nederlandse regering, en de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsook de Raad en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. |
|
23. |
Op 18 september 2017 vond een terechtzitting plaats, waaraan verzoekers in het hoofdgeding, GAIA, het Vlaamse Gewest, de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsook de Raad en de Commissie hebben deelgenomen. |
III. Analyse
|
24. |
De verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009 geldig is, gelet op een vermeende schending van artikel 10 van het Handvest, artikel 9 van het EVRM en artikel 13 VWEU. De beperking van de uitoefening van de vrijheid van godsdienst en de nationale gebruiken inzake religieuze riten zou voortvloeien uit het feit dat die bepalingen vereisen dat de rituele slachting van dieren ter gelegenheid van het islamitische Offerfeest enkel in erkende slachthuizen kan worden verricht. Die laatste zijn inrichtingen die onderworpen zijn aan een erkenning door de bevoegde nationale autoriteiten en die daartoe alle met name door bijlage III bij verordening nr. 853/2004 vereiste „specifieke voorschriften” met betrekking tot de bouw, de indeling en de uitrusting van de inrichtingen moeten naleven. |
|
25. |
De twijfels van de verwijzende rechter vloeien voort uit het feit dat het, aangezien de erkende slachthuizen in het Vlaamse Gewest niet beschikken over voldoende slachtcapaciteit om tegemoet te komen aan de toename van de vraag naar rituele slachtingen ter gelegenheid van het islamitische Offerfeest, noodzakelijk zou zijn te voorzien in nieuwe erkende inrichtingen. Om de oude tijdelijke slachtinrichtingen die in het tijdvak 1998‑2014 in gebruik waren ( 14 ) om te vormen tot in de zin van verordening nr. 853/2004 erkende slachthuizen zouden echter bijzonder hoge financiële investeringen nodig zijn, die naast het feit dat zij niet over het volledige jaar kunnen worden afgeschreven, overbodig zouden zijn voor het eerbiedigen van het dierenwelzijn en het waarborgen van de volksgezondheid. |
|
26. |
Volgens de verwijzende rechter verhindert de verplichting om enkel in erkende slachthuizen onverdoofd ritueel te slachten vele praktiserende moslims om hun religieuze plicht na te komen die erin bestaat de eerste dag van het islamitische Offerfeest een dier volgens de voorschriften van de ritus te slachten of te laten slachten. Aldus wordt de uitoefening van hun vrijheid van godsdienst op ongerechtvaardigde wijze beperkt en worden de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, alsook de nationale gebruiken inzake religieuze riten niet geëerbiedigd. |
|
27. |
In casu lijkt het aangewezen om alvorens de gegrondheid van de prejudiciële vraag te onderzoeken, na te gaan of zij ontvankelijk is, aangezien het Vlaamse Gewest, de Nederlandse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsook de Raad en de Commissie de ontvankelijkheid min of meer rechtstreeks hebben betwist. |
A. Ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag
1. Bij het Hof ingediende opmerkingen
|
28. |
In wezen hebben de uitgedrukte bezwaren en bedenkingen betrekking op de formulering van de gestelde vraag, waarin ten onrechte zou worden gesuggereerd dat de oorsprong van het probleem verordening nr. 1099/2009 is, en voorts, meer in het bijzonder, op de relevantie van de gestelde vraag, aangezien de problematiek van de ontoereikende capaciteit van de slachthuizen in het Vlaamse Gewest hoe dan ook geen verband houdt met de toepassing van de bepalingen van de verordeningen nr. 853/2004 en nr. 1099/2009. |
|
29. |
Wat om te beginnen de formulering van de gestelde vraag betreft, hebben sommige belanghebbenden (met name het Vlaamse Gewest en de regering van het Verenigd Koninkrijk) aangevoerd dat, aangezien de erkenningsvoorwaarden voor de slachthuizen bij verordening nr. 853/2004 waren bepaald, elke eventuele beperking van de uitoefening van de vrijheid van godsdienst slechts uit die verordening kon voortvloeien. De verwijzende rechter zou zijn prejudiciële vraag dus slecht hebben geformuleerd, aangezien zij integendeel ziet op de geldigheid van artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009. |
|
30. |
Wat vervolgens de relevantie van de gestelde vraag betreft, hebben sommige belanghebbenden (te weten het Vlaamse Gewest, de Nederlandse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, alsook de Commissie en de Raad) bepaalde bedenkingen geformuleerd met betrekking tot het nut van het antwoord van het Hof voor de beslechting van het hoofdgeding. Met name is aangevoerd dat de prejudiciële vraag is gebaseerd op interne feitelijke omstandigheden die geen verband houden met de bepalingen van de verordeningen nr. 1099/2009 en nr. 853/2004, en de geldigheid ervan dus niet kunnen aantasten. |
|
31. |
De aan de orde zijnde problematiek zou immers betrekking hebben op de ontoereikende capaciteit van de in het Vlaamse Gewest erkende slachthuizen tijdens het islamitische Offerfeest en de hoge financiële investering die nodig is om de erkenning van de vroegere tijdelijke slachtinrichtingen in overeenstemming met verordening nr. 853/2004 mogelijk te maken. In die context hebben de Raad en in mindere mate het Vlaamse Gewest aangevoerd dat het voor de verwijzende rechter nuttiger was geweest het Hof niet te verzoeken de geldigheid van de bepalingen van de verordeningen nr. 1099/2009 en nr. 853/2004 te beoordelen, maar het te vragen die bepalingen uit te leggen om verduidelijkingen te verkrijgen over de aan de lidstaten toe te kennen speelruimte, met name om de erkenningsvoorwaarden op basis van specifieke situaties aan te passen, zoals de situatie die zich tijdens het islamitische Offerfeest voordoet. |
2. Beoordeling
|
32. |
Volgens vaste rechtspraak kan het Hof slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudicieel verzoek van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen. ( 15 ) |
|
33. |
Wat in de eerste plaats de formulering van de vraag betreft, blijkt volgens mij niet duidelijk dat zij geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. |
|
34. |
In het bestreden besluit (zie punt 17 van deze conclusie) wordt immers aangekondigd dat het onverdoofd ritueel slachten vanaf 2015 tijdens het islamitische Offerfeest niet meer is toegestaan in de tijdelijke slachtinrichtingen die niet voldoen aan de voorschriften van verordening nr. 853/2004. Evenwel staat vast dat dit besluit is vastgesteld op grond van de regel van artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009, die zelf voorschrijft dat die rituele slachting moet worden uitgevoerd in inrichtingen die aan de vereisten van verordening nr. 853/2004 voldoen. |
|
35. |
Die twee verordeningen streven verschillende doelstellingen na: terwijl verordening nr. 853/2004 deel uitmaakt van het „hygiënepakket” ( 16 ), heeft verordening nr. 1099/2009 betrekking op het welzijn van dieren bij het doden. Zij zijn niettemin met elkaar verbonden aangezien zij de normen bepalen waaraan de bouw en de indeling van slachthuizen, alsook de daarin gebruikte apparatuur moeten beantwoorden. |
|
36. |
Het is daarom niet aangewezen de prejudiciële vraag niet-ontvankelijk te verklaren wegens de slechte formulering ervan. De ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag lijkt dus niet te kunnen worden betwist vanuit het oogpunt van de correcte identificatie van de bepaling van Unierecht die werkelijk aan de orde is in het hoofdgeding. |
|
37. |
In casu is het Hof in staat een nuttig antwoord te geven, aangezien de nationale rechter voldoende informatie lijkt te hebben gegeven over de feiten van de zaak, het toepasselijke Unierecht en de vastgestelde verbanden tussen dat recht en de toepasselijke nationale wetgeving. Die informatie heeft de partijen bij het geding, de regeringen van de lidstaten, alsook de andere belanghebbenden in staat gesteld hun opmerkingen bij het Hof in te dienen, wat trouwens uit de inhoud van de neergelegde memories blijkt. ( 17 ) |
|
38. |
Daarom en op gevaar af anders in overdreven formalisme te vervallen, is het Hof volgens mij in staat te bepalen welke onderdelen van het Unierecht, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging of in voorkomend geval een beoordeling van de geldigheid vereisen. |
|
39. |
Wat in de tweede plaats de twijfels in verband met de relevantie van de prejudiciële vraag betreft: deze kunnen beter worden geanalyseerd in het deel dat betrekking heeft op het onderzoek ten gronde van de zaak. |
|
40. |
Opgemerkt wordt dat in het hoofdgeding wordt ingegaan op de mogelijkheid om de verplichting om onverdoofd ritueel te slachten in een erkend slachthuis vanuit het oogpunt van het primaire recht en met name ten aanzien van de bepalingen van het Handvest en het VWEU met betrekking tot de vrijheid van godsdienst te betwisten, gelet op de eventuele financiële gevolgen van die verplichting voor de mogelijkheid om dergelijke slachtingen uit te voeren tijdens het islamitische Offerfeest. |
|
41. |
Hoewel de onderhavige prejudiciële verwijzing op basis van de voorafgaande bedenkingen van een groot aantal belanghebbenden niet onmiddellijk als niet-relevant voor de oplossing van het geding en dus als niet-ontvankelijk kan worden aangemerkt, dienen die bedenkingen zoals ik in de hiernavolgende uiteenzettingen zal uitleggen, echter alle aandacht te krijgen bij het onderzoek ten gronde van de onderhavige verwijzing. In dat onderzoek zal met name moeten worden vastgesteld of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen van het Unierecht werkelijk aan de oorsprong liggen van de vermeende beperking van de uitoefening van de vrijheid van godsdienst en de nationale gebruiken inzake religieuze riten. |
|
42. |
In dat kader zal dus moeten worden onderzocht of die bepalingen, die in feite enkel betrekking hebben op de wijze waarop elk soort slachting moet worden verricht, ongeacht het rituele karakter ervan, verband kunnen houden met de centrale problematiek van het hoofdgeding, die meer bepaald betrekking heeft op het vermogen van de thans bestaande, permanente erkende slachthuizen om te voldoen aan de volledige vraag naar rituele slachtingen tijdens het islamitische Offerfeest. ( 18 ) |
|
43. |
Gelet op al die overwegingen en in overeenstemming met de geest van samenwerking die de betrekkingen tussen de nationale rechtbanken en het Hof moet beheersen, ben ik van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing volledig ontvankelijk is. |
B. Ten gronde
1. Voorafgaande opmerkingen
|
44. |
Het is volgens mij belangrijk als achtergrondbeschouwing twee reeksen algemene opmerkingen te maken. De eerste hebben betrekking op de identificatie van de regels en beginselen ten aanzien waarvan de geldigheid van de bepalingen van verordening nr. 1099/2009 in casu wordt betwist. De tweede betreffen meer fundamenteel het feit dat, anders dan wat bepaalde bij het Hof ingediende opmerkingen kunnen suggereren, het Hof zich er in casu voor moet behoeden zich te mengen in een theologisch debat over de draagwijdte van de religieuze slachtverplichting tijdens het islamitische Offerfeest. |
a) Regels en beginselen ten aanzien waarvan de geldigheid van de bepalingen van artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009 wordt betwist
|
45. |
De verwijzende rechter verwijst in zijn prejudiciële vraag naar artikel 10 van het Handvest, naar artikel 9 van het EVRM en ten slotte naar artikel 13 VWEU. |
|
46. |
In dit verband moet het Hof volgens mij ermee kunnen volstaan het bestaan van een beperking van de in artikel 10 van het Handvest neergelegde vrijheid „van gedachte, geweten en godsdienst” te beoordelen. |
|
47. |
Wat de verwijzing naar artikel 9 van het EVRM betreft, blijkt immers uit vaste rechtspraak van het Hof dat, hoewel de door het EVRM gewaarborgde grondrechten, zoals artikel 6, lid 3, VEU bevestigt, als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie en artikel 52, lid 3, van het Handvest bepaalt dat rechten uit het Handvest die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door dit verdrag aan worden toegekend, dit laatste, zolang de Unie er geen partij bij is, geen formeel in de rechtsorde van de Unie opgenomen rechtsinstrument is. ( 19 ) |
|
48. |
Bijgevolg moet het onderzoek van de geldigheid van het secundaire recht van de Unie uitsluitend aan de hand van de door het Handvest gewaarborgde grondrechten worden verricht. ( 20 ) Uit artikel 52, lid 3, van het Handvest en de toelichting ad artikel 10 van het Handvest blijkt echter dat het door artikel 10, lid 1, van het Handvest gewaarborgde recht correspondeert met het door artikel 9 van het EVRM gewaarborgde recht. Het heeft dezelfde inhoud en reikwijdte als dat artikel. De uitlegging van dat recht door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) kan dus een zeker belang hebben – en op zijn minst een inspiratiebron zijn – voor de uitlegging van artikel 10 van het Handvest. Het Hof heeft aldus geoordeeld dat de rechtspraak van het EHRM in aanmerking moet worden genomen bij de uitlegging van het Handvest. ( 21 ) |
|
49. |
Wat de verwijzing naar artikel 13 VWEU betreft, een bepaling die in het bijzonder van de lidstaten verlangt dat zij rekening houden met het welzijn van dieren, onder eerbiediging van „de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten met betrekking tot met name godsdienstige riten”, moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter niet precies aanduidt naar welke gebruiken of bepalingen hij verwijst. |
|
50. |
Zelfs indien uit de verwijzingsbeslissing wordt afgeleid dat hij in feite verwijst naar de praktijk die tot 2014 in het Vlaamse Gewest is gevolgd, volgens welke kon worden gebruikgemaakt van niet-erkende tijdelijke slachtplaatsen om te voldoen aan de piek in de vraag naar rituele slachtingen ter gelegenheid van het islamitische Offerfeest, blijkt duidelijk dat, zelfs indien die praktijk als godsdienstig gebruik kan worden aangemerkt, het onderzoek ervan in wezen samenvalt met dat van de geldigheid van de litigieuze bepalingen van de verordening ten aanzien van de in artikel 10 van het Handvest bedoelde vrijheid van godsdienst. |
b) Reikwijdte van de religieuze verplichting tot (onverdoofd) slachten tijdens het islamitische Offerfeest.
|
51. |
In het kader van de onderhavige zaak is aangevoerd dat het onverdoofd slachten, en meer in het bijzonder de verplichting tot slachten ter gelegenheid van het islamitische Offerfeest, niet noodzakelijk hoefde te worden opgevat als een onaantastbare verplichting van het islamitische geloof en dat de prejudiciële vraag dus op een onjuiste premisse steunde. |
|
52. |
Immers, er is op gewezen, in het bijzonder door GAIA, dat bepaalde vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap van mening zijn dat elektronarcose of elk ander soortgelijk verdovingsprocedé vóór het slachten dat geen gevolgen heeft voor de vitale functies van het dier, en in het bijzonder voor de bloedafvoer van het dier (wat betekent dat het terug bij bewustzijn zou kunnen komen als het verbloeden niet heeft plaatsgevonden), in overeenstemming is met de islamitische geloofsvoorschriften. ( 22 ) |
|
53. |
In dezelfde zin is opgemerkt dat een aantal moslimlanden vlees met halallabel afkomstig van onder verdoving geslachte dieren invoeren en produceren. ( 23 ) |
|
54. |
Tot slot is ook, meer in het bijzonder met betrekking tot de religieuze verplichting tot het slachten van een dier tijdens het islamitische Offerfeest, aangevoerd dat talrijke moslimgeleerden en praktiserende moslims van mening zijn dat die slachting niet noodzakelijk op de eerste dag van dat feest moet plaatsvinden. Er zou ook sprake zijn van een stijgende tendens, met name bij de jongste praktiserende moslims, dat het slachten van een dier tijdens dat feest kan worden vervangen door een gift. |
|
55. |
Volgens mij staat het niet aan het Hof om een uitspraak te doen over de vraag of de islamitische godsdienst werkelijk verbiedt om de dieren te verdoven, dan wel of het verbod daarentegen, zoals GAIA ter terechtzitting heeft benadrukt, enkel binnen bepaalde religieuze stromingen bestaat. |
|
56. |
Ik kan dus enkel nota nemen van het feit dat er volgens de aan het Hof overgelegde stukken bij de meerderheid van de moslims in België ter zake een consensus lijkt te bestaan, die is uitgedrukt door de Raad der Theologen binnen het Executief van de Moslims van die staat, volgens welke het ritueel slachten zonder verdoving moet worden verricht, ongeacht het omkeerbare karakter ervan. |
|
57. |
Evenmin lijkt het aangewezen om te bepalen of dit vereiste door alle moslims als een fundamentele religieuze verplichting wordt beschouwd, dan wel of er een alternatief bestaat om die verplichting na te leven. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, kan alleen maar akte worden genomen van het bestaan van bepaalde religieuze stromingen. Het staat niet aan het Hof zich uit te spreken over de orthodoxie of de heterodoxie van bepaalde religieuze uitspraken of voorschriften. |
|
58. |
Zoals de verwijzende rechter dit met andere woorden heeft geformuleerd, is het onverdoofd slachten ter gelegenheid van het islamitische Offerfeest dus inderdaad een religieus voorschrift dat onder de bescherming van de vrijheid van godsdienst valt, ongeacht het eventuele bestaan van verschillende stromingen binnen de islam of van alternatieve oplossingen indien dat voorschrift niet kan worden nageleefd. ( 24 ) |
|
59. |
In dit verband kan ik mij enkel aansluiten bij het standpunt van de verwijzende rechter en de meeste belanghebbende partijen, volgens hetwelk het ritueel slachten tijdens het islamitische Offerfeest inderdaad een „religieuze rite” is in de zin van artikel 2, onder g), van verordening nr. 1099/2009 en aldus als uitdrukking van een religieuze overtuiging onder de uitoefening van de in artikel 10 van het Handvest en artikel 9 van het EVRM verankerde vrijheid van godsdienst valt. |
|
60. |
Dit standpunt is volgens mij overigens volledig in overeenstemming met de rechtspraak van het EHRM, waarin wordt geoordeeld dat rituele slachtingen onder de godsdienstige praktijk vallen, zodat zij vallen binnen de werkingssfeer van de hierboven genoemde bepalingen. ( 25 ) |
|
61. |
In dezelfde zin en hoewel bepaalde belanghebbenden meenden dat het noodzakelijk was dit aspect te onderzoeken om te bepalen of er in het Vlaamse Gewest tijdens het islamitische Offerfeest al dan niet een probleem met betrekking tot de slachtcapaciteit bestond, is het volgens mij niet wenselijk dat het Hof de vraag behandelt of de rituele slachting vanuit theologisch oogpunt noodzakelijkerwijze de eerste dag van dat feest moet plaatsvinden, dan wel of die ook tijdens de drie volgende dagen kan worden verricht. ( 26 ) |
|
62. |
Na deze voorafgaande opmerkingen moet de vraag worden gesteld of de verplichting om het onverdoofd slachten in erkende slachthuizen te laten plaatsvinden, waarvan sprake in artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009, al dan niet een beperking meebrengt van de uitoefening van die vrijheid van godsdienst. |
2. Bestaan van een beperking van de uitoefening van de vrijheid van godsdienst en de nationale gebruiken in verband met religieuze riten
|
63. |
Eerst zal ik in grote lijnen de algemene regels uiteenzetten die van toepassing zijn inzake het slachten van dieren ongeacht de gekozen slachtmethode (dit wil zeggen met of zonder verdoving van het dier) en volgen uit verordening nr. 853/2004 in het kader van de vaststelling van het „hygiënepakket”. Vervolgens zal ik uitleggen waarom de bepalingen van artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009, die zoals gezegd, hoofdzakelijk de bescherming van het dierenwelzijn beoogt, geen beperking van de vrijheid van godsdienst kunnen inhouden. |
a) Algemene regels die op grond van verordening nr. 853/2004 op alle slachtmethoden van toepassing zijn
|
64. |
Levensmiddelen van dierlijke oorsprong moeten, ongeacht de gekozen slachtmethode, worden geproduceerd en in de handel gebracht volgens strikte normen die als hoofddoel hebben de voedselhygiëne en -veiligheid te garanderen. ( 27 ) |
|
65. |
De voornaamste en essentiële doelstelling van de vaststelling in verordening nr. 853/2004 van precieze hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong, levensmiddelen die specifieke risico’s kunnen inhouden, is de invoering van strenge hygiënenormen om schade aan de volksgezondheid te voorkomen. ( 28 ) Deze regels bevatten aldus gemeenschappelijke beginselen. „Zo stellen zij met name soortgelijke regels vast met betrekking tot de verantwoordelijkheden van fabrikanten en bevoegde autoriteiten, de structurele, operationele en hygiënevoorschriften waaraan inrichtingen moeten voldoen, de procedures voor de erkenning van inrichtingen, en de voorwaarden voor opslag en vervoer, en keurmerken.” ( 29 ) Verordening nr. 853/2004 voorziet in die zin in specifieke voorschriften in het bijzonder met betrekking tot de bouw, de indeling en de uitrusting van slachthuizen. Enkel de slachthuizen die aan deze voorschriften voldoen, kunnen in overeenstemming met die verordening worden erkend. |
|
66. |
Om ervoor te zorgen dat het ingevoerde systeem stabiel en doeltreffend is en de goede werking van de interne markt te waarborgen ( 30 ), lijkt het noodzakelijk dat die voorschriften in alle lidstaten en door alle producenten en exploitanten van de sector worden geëerbiedigd ( 31 ). Hoewel een zekere flexibiliteit kan worden aanvaard, mag deze de doelstellingen inzake levensmiddelenhygiëne niet in het gedrang brengen. ( 32 ) |
|
67. |
Het is dus essentieel dat de voorschriften met betrekking tot slachthuizen die op grond van verordening nr. 853/2004 kunnen worden erkend, van toepassing zijn ongeacht het feit of het slachten met verdoving gepaard gaat. De algemene verplichting om gebruik te maken van erkende slachthuizen houdt maar weinig verband met de gevolgde slachtmethode (dit wil zeggen of zij al dan niet ritueel is). Bovendien steunt die verplichting niet uitsluitend op overwegingen met betrekking tot de bescherming van het dierenwelzijn, maar vloeit zij voort uit de vereisten van het hygiënepakket, zoals die met name in verordening nr. 853/2004 worden vermeld. |
|
68. |
Het vereiste dat voortvloeit uit artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1099/2009, volgens hetwelk het slachten in een erkend slachthuis moet plaatsvinden dat aan alle door bijlage III van die verordening vastgestelde voorschriften voldoet, draagt er immers toe bij dat de voedselveiligheid wordt gewaarborgd, ongeacht de gebruikte slachtmethode. Dat laatste vereiste, dat, zoals verzoekers in het hoofdgeding hebben bevestigd, overigens niet in strijd is met de voorschriften van de islamitische godsdienst, wordt niet minder belangrijk omdat een dier zonder voorafgaande verdoving wordt geslacht. |
b) Onderzoek van de gevolgen voor de godsdienstvrijheid van de uit de bepalingen van verordening nr. 1099/2009 voortvloeiende regels inzake dierenwelzijn
|
69. |
De betwisting van de geldigheid van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1099/2009 in het hoofdgeding vindt ontegenzeglijk haar oorsprong in de aankondiging op 12 september 2014 van de Vlaamse minister bevoegd voor dierenwelzijn, volgens welke hij vanaf 2015 geen erkenningen meer zou afleveren aan tijdelijke slachtinrichtingen, op grond dat die erkenningen in strijd zijn met de bepalingen van die verordening. ( 33 ) |
|
70. |
Een betwisting van de geldigheid van laatstgenoemde bepalingen vanuit het oogpunt van de vrijheid van godsdienst is volgens mij minstens paradoxaal. |
|
71. |
Er zij immers aan herinnerd dat op grond van het thans geldende recht het beginsel van het verdoofd slachten geldt. Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1099/2009 schrijft in die zin voor dat dieren uitsluitend mogen worden gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en toepassingsvoorschriften beschreven in bijlage I bij die verordening. |
|
72. |
Om de vrijheid van eredienst en het dierenwelzijn met elkaar in evenwicht te brengen en rekening houdend met de doelstelling van verordening nr. 1099/2009, met name een harmonisering van de normen met betrekking tot het welzijn van dieren bij het doden, voorziet artikel 4, lid 4, van deze verordening thans echter in een uitzondering voor het onverdoofd ritueel slachten van dieren in slachthuizen. |
|
73. |
Zoals in overweging 18 van verordening nr. 1099/2009 is gepreciseerd, steunt artikel 4, lid 4, van deze verordening door in een uitzondering te voorzien op de in lid 1 van dat artikel bepaalde algemene regel volgens welke dieren uitsluitend worden gedood nadat zij zijn bedwelmd, in feite het onverdoofd ritueel slachten, met het oog op de naleving van bepaalde religieuze voorschriften. |
|
74. |
Daarentegen en anders dan uit de argumentatie van verzoekers in het hoofdgeding zou kunnen blijken, voorziet deze bepaling in geen enkele aanvullend specifiek vereiste dat slechts op rituele slachtingen en niet op andere slachtingen van toepassing zou zijn. |
|
75. |
In dergelijke omstandigheden kan die bepaling volgens mij enkel ongeldig worden verklaard vanuit het oogpunt van de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst, als bewezen is dat het gebruik zelf van erkende slachthuizen in strijd is met bepaalde religieuze voorschriften, of als is aangetoond dat de voorwaarden van die bepaling de mogelijkheid om dieren in overeenstemming met bepaalde religieuze riten te slachten, objectief in het gedrang brengen. |
|
76. |
Ik herinner er echter aan dat verzoekers in het hoofdgeding, zoals uit de stukken blijkt en ter terechtzitting is bevestigd, niet beweren dat de verplichting om rituele slachtingen in een slachthuis te verrichten, op zich onverenigbaar is met hun geloofsovertuigingen. |
|
77. |
Bovendien verklaren verzoekers in het hoofdgeding niet om welke principiële redenen – dit wil zeggen los van de vermeende capaciteitsproblemen van de thans bestaande slachthuizen en vooral van de kosten die moeten worden gemaakt voor het opzetten van nieuwe slachthuizen of voor de omvorming van bestaande inrichtingen in overeenstemming met de wettelijke voorschriften – de voorwaarde volgens welke dieren moeten worden geslacht in erkende slachthuizen problematisch is vanuit het oogpunt van de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst. |
|
78. |
Zoals de Raad en de Commissie er met name op hebben gewezen, is de verplichting om ervoor te zorgen dat alle slachtinrichtingen zijn erkend en dus voldoen aan de voorwaarden van verordening nr. 853/2004, volledig neutraal en geldt zij voor alle slachtorganisatoren. Wetgeving die op neutrale wijze, zonder enig verband met de geloofsovertuigingen, van toepassing is, kan in beginsel niet als een beperking van de uitoefening van de vrijheid van godsdienst worden beschouwd. ( 34 ) |
|
79. |
Het feit dat het gebruik van die erkende inrichtingen extra kosten meebrengt ten opzichte van de tijdelijke slachtvloeren die tot dan toe in het Vlaamse Gewest waren toegestaan, is volgens mij dus irrelevant. Wel van belang is erop te wijzen dat de kosten voor het opzetten van erkende slachthuizen hetzelfde zijn voor slachthuizen die bestemd zijn voor rituele slachtingen als voor die welke daar niet voor zijn bestemd. |
|
80. |
In dit verband heeft het EHRM geoordeeld dat een maatregel geen inmenging in een grondrecht inhoudt op grond dat hij kosten meebrengt voor een groep die bepaalde geloofsvoorschriften volgt of -overtuigingen aanhangt. ( 35 ) Dat is des te meer het geval wanneer de kosten voor de eerbiediging van een geloofsvoorschrift in beginsel hetzelfde zijn als die welke verschuldigd zijn door personen die dat voorschrift niet volgen. |
|
81. |
Een dergelijke regel leidt er op zich dus niet toe dat de mogelijkheid om ritueel te slachten wordt uitgesloten of beperkt, maar brengt slechts in herinnering dat elke slachting moet plaatsvinden in een inrichting die aan de in de bijlage bij verordening nr. 853/2004 vermelde normen voldoet. |
|
82. |
Verzoekers in het hoofdgeding willen zich met hun argumenten volgens mij uiteindelijk niet alleen beroepen op de uitzondering voor rituele slachtingen, maar ook nog op een uitzondering op de verplichting om die slachtingen in erkende slachthuizen te verrichten. |
|
83. |
De belangrijkste reden die de verwijzende rechter ertoe lijkt te hebben aangezet de prejudiciële vraag te stellen, vloeit immers voort uit de omstandigheid dat de thans in het Vlaamse Gewest bestaande permanente erkende slachthuizen tijdens het islamitische Offerfeest niet over voldoende slachtcapaciteit beschikken wegens een stijging van de slachtaanvragen, en dat de kosten voor het bouwen van dergelijke slachthuizen of voor het omvormen van tijdelijke slachtinrichtingen in erkende permanente inrichtingen zeer hoog blijken te zijn. |
|
84. |
Deze ontoereikende capaciteit en de kosten die eventueel moeten worden gemaakt voor het opzetten van nieuwe erkende slachthuizen staan echter los van de toepassing van de bepalingen van verordening nr. 1099/2009. |
|
85. |
Volgens mij bestaat er evenmin een direct of indirect verband tussen de conjuncturele problemen inzake de slachtcapaciteit op een bepaald grondgebied, zoals die welke naar verluidt ( 36 ) worden vastgesteld in het Vlaamse Gewest gelet op de grote vraag naar rituele slachtingen gedurende enkele dagen ter gelegenheid van het islamitische Offerfeest, en de verplichting om gebruik te maken van in de zin van verordening nr. 853/2004 erkende slachthuizen. Die problemen doen, zoals de Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben opgemerkt, veeleer de vraag rijzen wie de kosten moet dragen voor het opzetten van dergelijke inrichtingen om tegemoet te kunnen komen aan de piek in de vraag naar rituele slachtingen tijdens het islamitische Offerfeest. |
|
86. |
Op de vraag ter terechtzitting of er in het algemeen voldoende halalvlees voorhanden was buiten de periode van het islamitische Offerfeest, hebben verzoekers in het hoofdgeding bevestigend geantwoord. Zij hebben ook bevestigd dat het probleem volgens hen voortvloeit uit het feit dat het bouwen van nieuwe erkende slachthuizen om in het bijzonder te voldoen aan de piek van de vraag naar rituele slachtingen tijdens dat feest, geen economisch rendabele optie zou zijn over het hele jaar. |
|
87. |
Dat bevestigt dat de eventuele capaciteitsproblemen, vanuit het oogpunt zowel van het aanbod als van de vraag, niet door artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1099/2009 zijn veroorzaakt, maar het gevolg zijn van een samenloop van verschillende bijzondere omstandigheden die volledig losstaan van de werkingssfeer van die bepaling en die hoofdzakelijk voortvloeien uit een sterke concentratie van de vraag naar rituele slachtingen op een zeer precies moment van het jaar en gedurende een zeer korte periode. |
|
88. |
Zoals de Commissie er volgens mij volkomen terecht op heeft gewezen, dient bij de beoordeling van de geldigheid van een bepaling van het Unierecht echter te worden uitgegaan van de specifieke kenmerken van die bepalingen en niet van de bijzondere omstandigheden van een bepaald geval. ( 37 ) |
|
89. |
Tot besluit en ondanks de door de verwijzende rechter geuite twijfels, komt het mij voor dat er geen overtuigend argument voorhanden is om aan te nemen dat de litigieuze regeling, die, zoals ik herhaal, volledig neutraal en algemeen van toepassing is, een beperking van de vrijheid van godsdienst inhoudt. |
3. Rechtvaardiging van de eventueel vastgestelde beperking van de vrijheid van godsdienst
|
90. |
Aangezien volgens mij niet tot de conclusie kan worden gekomen dat er een beperking van de vrijheid van godsdienst bestaat die voortvloeit uit de algemene verplichting om gebruik te maken van erkende slachthuizen, is de vraag of een dergelijke beperking gerechtvaardigd is, niet meer aan de orde. |
|
91. |
Indien het Hof het echter niet eens is met die conclusie en dus van oordeel is dat de verplichting om gebruik te maken van erkende slachthuizen, de enige in casu aan de orde gestelde kwestie, een inmenging in de vrijheid van godsdienst vormt, aangezien die verplichting praktiserende moslims verhindert hun religieuze plicht tijdens het Offerfeest te vervullen, ben ik van mening dat geen enkel rechtmatig doel van algemeen belang dan het bestaan van een beperking van die vrijheid kan rechtvaardigen. |
|
92. |
Deze laatste conclusie, die, gelet op mijn analyse in het gedeelte over de vaststelling van een beperking van de vrijheid van godsdienst, op het eerste gezicht verrassend kan lijken, kan worden verklaard door de hiernavolgende overwegingen. |
|
93. |
Het idee dat met de beperking van de mogelijkheden van rituele slachtingen als gevolg van de verplichting om gebruik te maken van erkende slachthuizen, rechtmatige doelstellingen van openbare orde en volksgezondheid worden nagestreefd, te weten de bescherming van het dierenwelzijn, de volksgezondheid en de voedselveiligheid, is zeker a priori verdedigbaar. |
|
94. |
Voor zover wordt geoordeeld dat de verplichting om gebruik te maken van erkende slachthuizen tijdens het islamitische Offerfeest in strijd is met de vrijheid van godsdienst, zou dan echter een onmogelijke afweging moeten worden gemaakt tussen die vrijheid en de vereisten inzake de bescherming van het dierenwelzijn, de volksgezondheid en de voedselveiligheid, die zoals gezegd de drie algemene doelstellingen zijn die met de verplichting om gebruik te maken van erkende slachthuizen worden nagestreefd. Dat zou uiteindelijk neerkomen op de invoering van een hiërarchie tussen de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en het noodzakelijke nastreven van die rechtmatige doelstellingen van algemeen belang, terwijl de wetgever juist een evenwicht wilde vinden tussen de eerbiediging van de godsdienstvrijheid en het nastreven van die verschillende doelstellingen, met name in de bewoordingen van de bepalingen van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1099/2009. |
|
95. |
Met andere woorden, indien wordt geoordeeld dat die laatste bepaling, die getuigt van het streven van de Europese wetgever naar een juist evenwicht tussen de vrijheid van godsdienst en het nastreven van de rechtmatige doelstellingen van algemeen belang, namelijk de bescherming van de volksgezondheid, de voedselveiligheid en het dierenwelzijn ( 38 ), een beperking van de vrijheid van godsdienst vormt, zie ik niet goed in hoe kan worden aangenomen dat die beperking juist door die vereisten wordt gerechtvaardigd in het bijzondere kader van de viering van het islamitische Offerfeest. |
|
96. |
Hoewel de overwegingen met betrekking tot de menselijke gezondheid in beginsel voorrang moeten krijgen boven die met betrekking tot het dierenwelzijn, blijkt dat er in casu bijzondere aandacht is besteed aan de bevordering van het dierenwelzijn als rechtmatig doel van algemeen belang dat specifiek is beoogd bij de vaststelling van de bepalingen van artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met die van artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009. |
|
97. |
Daarom zal ik hierna in de eerste plaats uiteenzetten in welke mate de bescherming van het dierenwelzijn geen doelstelling vormt die een beperking van de vrijheid van godsdienst kan rechtvaardigen wanneer zou worden geoordeeld dat artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1099/2009 een dergelijke beperking inhoudt en, in de tweede plaats, waarom een dergelijke beperking evenmin doeltreffend en evenredig is om de voedselveiligheid en de volksgezondheid te garanderen in het zeer specifieke kader van het islamitische Offerfeest. |
a) Vrijheid van godsdienst en bescherming van het dierenwelzijn in het onderzoek van artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009
|
98. |
Hoewel ik mij moeilijk kan vinden in de conclusie volgens welke artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009 problematisch is vanuit het oogpunt van de vrijheid van godsdienst, kan ik alleen maar instemmen met het door verzoekers in het hoofdgeding in hun schriftelijke opmerkingen aan het Hof ingenomen standpunt dat voorzichtigheid is geboden wanneer de doelstelling van de bescherming van het dierenwelzijn mogelijk in strijd is met een grondrecht. |
|
99. |
Het volstaat in dit verband te verwijzen naar artikel 13 VWEU, volgens hetwelk „de Unie en de lidstaten ten volle rekening [houden] met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten met betrekking tot met name godsdienstige riten” ( 39 ). |
|
100. |
In casu kan volgens mij moeilijk worden geconcludeerd dat, hoewel de verplichting op grond van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1099/2009 om gebruik te maken van in de zin van verordening nr. 853/2004 erkende slachthuizen, een beperking van de vrijheid van godsdienst meebrengt, zij noodzakelijk is voor en evenredig is aan het nastreven van een rechtmatig doel. |
|
101. |
Alvorens de vragen met betrekking tot de noodzakelijkheid en de evenredigheid van de litigieuze bepaling een voor een te onderzoeken, dient volgens mij een algemene inleidende opmerking te worden gemaakt over het vinden van een evenwicht tussen, enerzijds, de mogelijkheden die de toepasselijke wetgeving biedt om onverdoofd te slachten teneinde bepaalde geloofsovertuigingen te eerbiedigen en, anderzijds, de bescherming van het dierenwelzijn. |
|
102. |
Tijdens de onderhavige procedure is – dikwijls met vaste overtuiging en op besliste toon – verklaard dat het slachten van een niet-verdoofd dier voor dat dier onmiskenbaar meer pijn en lijden meebrengt. ( 40 ) |
|
103. |
Ik meen echter dat de vanuit theoretisch oogpunt zeer begrijpelijke instemming met die premisse niet mag leiden tot het oordeel dat de religieuze gemeenschappen die het onverdoofd slachten van dieren aanbevelen, geen rekening houden met het dierenwelzijn door vast te houden aan archaïsche, barbaarse praktijken die moeilijk in overeenstemming kunnen worden gebracht met de in moderne democratische maatschappijen erkende beginselen. |
|
104. |
Het volstaat overigens nota te nemen van het feit dat de Uniewetgever met de vaststelling van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1099/2009 juist heeft beslist om vast te houden aan de mogelijkheid voor de lidstaten om speciale, door religieuze riten voorgeschreven slachtmethoden toe te staan. Nogmaals moet worden benadrukt dat het vereiste dat rituele slachtingen op grond van die bepaling alleen in een „slachthuis” mogen worden uitgevoerd, enkel een herhaling is van de algemene regel, die van toepassing is ongeacht de voor het slachten van het dier gekozen methode en die op grond van verordening nr. 853/2004 moet worden nageleefd. |
|
105. |
In dit verband wil ik eraan herinneren dat de „beperking” die in casu aan de orde is, niet het onverdoofd slachten betreft, maar wel de meer algemene verplichting om gebruik te maken van erkende slachthuizen in de zin van verordening nr. 853/2004. |
|
106. |
Zoals reeds in de discussies op nationaal niveau kon worden opgemerkt, verschijnt op de achtergrond van de specifieke kwestie van het ritueel slachten zeer snel het historisch hoge risico van stigmatisering, dat niet mag worden aangewakkerd. ( 41 ) |
|
107. |
Het is geenszins uitgesloten dat een onverdoofde slachting die onder goede omstandigheden is uitgevoerd ( 42 ), minder pijnlijk kan zijn voor dieren dan een slachting met voorafgaande verdoving die onder omstandigheden wordt uitgevoerd, waarin om duidelijke rendabiliteitsredenen en gelet op de sterke industrialisering in de sector van de productie van levensmiddelen van dierlijke oorsprong, de stress en het lijden van de dieren bij het doden worden verergerd. ( 43 ) |
|
108. |
Op het gevaar af te herhalen wat vanzelfsprekend is, wijs ik erop dat alle vormen van het doden van dieren uit hun aard gewelddadig zijn en dus problematisch vanuit het oogpunt van het dierenleed. ( 44 ) |
|
109. |
Persoonlijk ben ik er niet van overtuigd – hetgeen ook blijkt uit vele studies en onderzoeken ( 45 ) – dat het gebruikmaken van erkende slachthuizen steeds een zeer doeltreffende bescherming tegen dierenleed biedt, die op zich een beperking van de vrijheid van godsdienst zou rechtvaardigen. |
1) Noodzakelijkheid van een beperking van de vrijheid van godsdienst om het dierenwelzijn te beschermen
|
110. |
Volgens thans vaste rechtspraak ( 46 ) van het Hof kan de bescherming van het dierenwelzijn een rechtmatig doel van algemeen belang zijn waarvan het belangrijke karakter met name tot uitdrukking kwam in de vaststelling door de lidstaten van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren ( 47 ). Met dit Protocol komt thans artikel 13 VWEU overeen, een bepaling van algemene toepassing van het VWEU, die is opgenomen in het eerste deel van dat Verdrag, waarin het gaat over de beginselen. ( 48 ) |
|
111. |
De vraag rijst of, wanneer er sprake is van een beperking van de vrijheid van godsdienst, de verplichting om gebruik te maken van erkende slachthuizen, in de bijzondere context van het islamitische Offerfeest gerechtvaardigd is door de noodzaak het dierenwelzijn te beschermen. |
|
112. |
Daaraan kan volgens mij worden getwijfeld. |
|
113. |
Het is zeker van algemeen belang „wilde” slachtingen die in, vanuit het oogpunt van het dierenwelzijn, twijfelachtige omstandigheden worden uitgevoerd, te vermijden, wat a priori inhoudt dat het slachten van de dieren bij voorkeur plaatsvindt in inrichtingen die door de overheid worden gecontroleerd ( 49 ) of voldoen aan precieze normen op het gebied van uitrusting en logistiek. |
|
114. |
Dat hoeft echter niet te leiden tot de overtuiging dat het bij die inrichtingen in het zeer specifieke kader van de viering van het islamitische Offerfeest noodzakelijkerwijze moet gaan om erkende slachthuizen in de zin van verordening nr. 853/2004. |
|
115. |
Op het gevaar af in herhaling te vallen, meen ik dat hier niet de vraag rijst of onverdoofd slachten op grond van het dierenwelzijn moet worden verboden, maar wel moet worden bepaald of in het kader van de in artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1099/2009 bepaalde afwijking, het gebruikmaken van erkende slachthuizen, naar aanleiding van de viering van het islamitische Offerfeest op het gebied van dierenwelzijn een meerwaarde biedt ten aanzien van een niet-erkende tijdelijke slachtinrichting. |
|
116. |
Wat in het bijzonder de tot 2014 in het Vlaamse Gewest geboden mogelijkheid om ritueel te slachten betreft, dient te worden opgemerkt dat de Commissie er, na de audit die tussen 24 november en 3 december 2014 door haar diensten in België was uitgevoerd ter beoordeling van de controles van het dierenwelzijn tijdens het slachten in tot dan toe toegestane tijdelijke inrichtingen, zelf heeft op gewezen dat die inrichtingen voldoende garanties boden, waarbij zij nota nam van de inspanningen die de Belgische autoriteiten hadden geleverd om de situatie te verbeteren. |
|
117. |
In het auditrapport van 30 juli 2015 heeft de Commissie aldus opgemerkt dat de bevoegde autoriteiten het nodige deden om ervoor te zorgen dat dezelfde voorwaarden inzake dierenwelzijn werden nageleefd in de tijdelijke slachtinrichtingen waarvan zij kennis had genomen. Volgens dat rapport was vastgesteld dat, hoewel het onbedwelmd doden van dieren voor religieuze riten buiten erkende slachthuizen niet overeenstemde met verordening nr. 1099/2009, de bevoegde nationale autoriteiten veel inspanningen hadden gedaan om bij religieuze feesten in gereguleerde plaatsen dezelfde voorwaarden inzake dierenwelzijn te garanderen. |
|
118. |
Met die vaststelling lijken de diensten van de Commissie impliciet te hebben aangenomen dat de tijdelijke slachtinrichtingen die bepaalde kenmerken hadden, zonder noodzakelijkerwijze te voldoen aan de definitie van erkende slachthuizen in de zin van artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009, voldoende garanties kunnen bieden op het gebied van dierenwelzijn voor de slachtingen tijdens de viering van het islamitische Offerfeest. Aangezien het een feest betreft dat slechts eenmaal per jaar plaatsvindt en rekening houdend met het feit dat het in beginsel niet de bedoeling is dat de tijdens dat feest geslachte dieren lang in de slachtinrichtingen aanwezig blijven, lijkt de oprichting van dergelijke erkende slachthuizen geen werkelijk relevant vereiste. De voorwaarden waaraan de inrichtingen, met name op grond van verordening nr. 853/2004, moeten voldoen, zijn immers ontworpen voor inrichtingen die bedoeld zijn voor de dagelijkse vraag- en aanbodmarkt. |
|
119. |
Bovendien kan in de specifieke context van een piek in de vraag naar slachtingen, zoals die welke tijdens het islamitische Offerfeest kan worden vastgesteld, zelfs de vraag worden gesteld of met het toestaan van slachtingen in tijdelijke inrichtingen die aan specifieke gezondheidsnormen beantwoorden, zonder echter te voldoen aan de definitie van erkende slachthuizen in de zin van artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009, niet beter kan worden tegemoetgekomen aan de bezorgdheden met betrekking tot het dierenwelzijn. Het opzetten van dergelijke inrichtingen kan, aangezien het de erkende slachtinrichtingen ontlast, ertoe bijdragen dat uiteindelijk wordt geslacht onder vanuit het oogpunt van geleden stress voor het dier betere omstandigheden. |
2) Evenredigheid van een beperking van de vrijheid van godsdienst met het oog op de bescherming van het dierenwelzijn
|
120. |
Volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest moet de beperking op de uitoefening van de door het Handvest erkende rechten en vrijheden bij wet worden gesteld en evenredig zijn. |
|
121. |
De in casu aan de orde zijnde beperking, te weten die welke zou voortvloeien uit de in artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1099/2009 bepaalde verplichting om gebruik te maken van erkende slachthuizen, dit wil zeggen inrichtingen die voldoen aan de vereisten van verordening nr. 853/2004, vloeit ontegenzeglijk voort uit de wet. |
|
122. |
Daarentegen, en voor zover wordt geoordeeld dat er sprake is van een beperking van de vrijheid van godsdienst en dat die beperking gerechtvaardigd is, betwijfel ik dat een dergelijke beperking kan worden geacht evenredig te zijn aan het nagestreefde doel. |
|
123. |
Volgens vaste rechtspraak van het Hof verlangt het evenredigheidsbeginsel dat de handelingen van de instellingen van de Unie niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat de door deze regeling veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel ( 50 ), en dat, wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt ( 51 ). |
|
124. |
Ik ben van mening dat de verplichting om in een erkend slachthuis te slachten verder kan gaan dan wat strikt noodzakelijk is om de doelstelling van de bescherming van het dierenwelzijn te verwezenlijken wanneer het gaat om het slachten van een dier in het kader van de vervulling van een religieuze rite tijdens een zeer precieze periode van het jaar. |
|
125. |
In dit verband moet worden opgemerkt dat bijlage III bij verordening nr. 853/2004 talrijke voorschriften bevat waaraan slachthuizen moeten voldoen om op grond van die verordening te worden erkend. |
|
126. |
Echter kan de vraag worden gesteld of het, wanneer de vrijheid van godsdienst wordt beperkt, noodzakelijk is aan al die voorschriften te voldoen in de zeer specifieke context van de gerichte toename van de vraag naar slachtingen tijdens het islamitische Offerfeest. |
|
127. |
Zonder aanspraak te maken op volledigheid, blijkt dus dat bepaalde in bijlage III bij verordening nr. 853/2004 neergelegde normen, zoals de structurele voorschriften die met name betrekking hebben op uitsnijderijen of de gekoelde opslag voor vlees, overbodig kunnen blijken om het hoofd te bieden aan de piek in de vraag naar rituele slachtingen ter gelegenheid van het islamitische Offerfeest, aangezien het gaat om inrichtingen die slechts eenmaal per jaar worden gebruikt en waarin het vlees in beginsel direct aan de eindgebruiker wordt afgeleverd. |
|
128. |
Gelet op het voorgaande en indien wordt geoordeeld dat de litigieuze bepalingen de vrijheid van godsdienst beperken, ben ik van mening dat er zeker een oplossing bestaat die minder belasting met zich brengt dan die welke verplicht gebruik te maken van erkende slachthuizen tijdens het islamitische Offerfeest. |
b) Vrijheid van godsdienst en bescherming van de voedselveiligheid en de volksgezondheid
|
129. |
Indien wordt vastgesteld dat de regel van artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009 een beperking van de vrijheid van godsdienst vormt, rijst ook de vraag of die beperking kan worden gerechtvaardigd door rechtmatige redenen van algemeen belang die verband houden met de voedselveiligheid en de volksgezondheid. |
|
130. |
Verordening nr. 853/2004, waarnaar verordening nr. 1099/2009 verwijst, streeft immers in de eerste plaats doelstellingen inzake voedselveiligheid na, die uiteindelijk rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid. |
|
131. |
In overeenstemming met wat ik hierboven heb uiteengezet, zou evenwel het volledige verbod op slachten buiten volgens de normen van bijlage III bij verordening nr. 853/2004 erkende inrichtingen, vanuit het oogpunt van de voedselveiligheid en de volksgezondheid onvoldoende relevant kunnen blijken om de beperking op het vervullen van de religieuze verplichting om een dier te slachten of te laten slachten tijdens een zeer specifiek jaarlijks evenement, in casu ter gelegenheid van het islamitische Offerfeest, te rechtvaardigen. |
|
132. |
Zoals de Commissie met name in het auditrapport van 30 juli 2015 heeft vastgesteld, kunnen tijdelijke slachtinrichtingen die aan bepaalde precieze gezondheidsnormen beantwoorden, vanuit het oogpunt van de volksgezondheid en de voedselveiligheid voldoende garanties bieden om te voldoen aan de grote, maar zeer kortstondige vraag naar slachtingen tijdens het islamitische Offerfeest. |
|
133. |
Uit de voorgaande overwegingen volgt mijns inziens dat niet kan worden geconcludeerd dat artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009, een beperking van de vrijheid van godsdienst inhoudt. Enkel wanneer daarentegen zou worden geoordeeld dat die beperking wel bestaat, ben ik echter van mening dat niet kan worden aangenomen dat zij gerechtvaardigd is op grond van rechtmatige doelstellingen van algemeen belang van het dierenwelzijn en van de bescherming van de volksgezondheid en de voedselveiligheid. In ieder geval kan volgens mij niet worden aangenomen dat die beperking evenredig is aan het nastreven van die doelstellingen. |
4. Verzoek om beoordeling van de geldigheid en/of verzoek tot uitlegging van de bepalingen van artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009?
|
134. |
In casu heeft de verwijzende rechter beslist zijn prejudiciële vraag te beperken tot een verzoek om de geldigheid te beoordelen van de bepalingen van artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening nr. 1099/2009. |
|
135. |
Zoals de Raad in zijn schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, was het voor de verwijzende rechter wellicht nuttiger geweest het Hof te verzoeken de bepalingen van verordeningen nr. 1099/2009 en nr. 853/2004 uit te leggen, in het bijzonder wat de flexibiliteit betreft die de lidstaten wordt geboden met betrekking tot de regels voor de erkenning van slachthuizen, en met name om te bepalen in hoeverre lidstaten rekening kunnen houden met specifieke situaties, zoals de situatie die zich in een lidstaat (of in een deel daarvan) kan voordoen ter gelegenheid van het islamitische Offerfeest. |
|
136. |
Ik ben niet volledig overtuigd van een dergelijke aanpak, die uiteindelijk erop neerkomt dat wordt teruggekomen op de regel die in de huidige stand van het Unierecht algemeen van toepassing is en volgens welke dieren in erkende slachthuizen moeten worden geslacht. |
|
137. |
Hoewel de verordeningen nr. 1099/2009 en nr. 853/2004 inderdaad bepaalde vormen van flexibiliteit toestaan, in de zin dat zij niet alleen voorzien in bepaalde uitzonderingen op de verplichting om gebruik te maken van erkende slachthuizen, maar ook in uitzonderingen op de naleving van bepaalde, aan de slachtinrichtingen opgelegde technische voorschriften ( 52 ), met name voor de „mobiele slachthuizen” en de „kleine slachthuizen” die zich bezighouden met de directe verkoop ( 53 ), twijfel ik eraan dat het in de onderhavige zaak mogelijk is om precies en los van een grondig onderzoek van alle uit die verordeningen voortvloeiende voorschriften, de omstandigheden vast te stellen waarin kan worden afgeweken van de aan de slachtinrichtingen opgelegde structurele voorschriften, die zeer belangrijk zijn in de uitwerking van die verordeningen. |
|
138. |
In dat verband wil ik eraan herinneren dat in casu hooguit een probleem van conjuncturele aard aan de orde is, dat volgens mijn inzicht in het dossier sindsdien lijkt te zijn opgelost. |
|
139. |
Meer in het bijzonder blijkt dat verzoekers in het hoofdgeding in feite een versoepeling eisen van de gezondheidsnormen en -voorschriften die van toepassing zijn in de sector van de levensmiddelen van dierlijke oorsprong, aangezien zij weinig bereid zijn om de kosten voor de naleving van die voorschriften te dragen. |
|
140. |
Het lijkt niet aangewezen om in een dergelijke context te proberen algemene richtlijnen voor de uitlegging uit te werken die uiteindelijk afbreuk zouden kunnen doen aan de precieze regels van de thans geldende regeling inzake het doden van dieren. |
IV. Conclusie
|
141. |
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel gestelde vraag te beantwoorden als volgt: „Bij het onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 4, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 2, onder k), van verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden, in het licht van het recht op vrijheid van godsdienst zoals dat is verankerd in artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en zoals dat in artikel 13 VWEU met betrekking tot het dierenwelzijn in aanmerking is genomen.” |
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Richtlijn van de Raad van 18 november 1974 betreffende de verdoving van dieren vóór het slachten (PB 1974, L 316, blz. 10). In de considerans van deze richtlijn is met name vermeld dat „het verdoven met geschikte middelen algemeen moet worden gemaakt” en dat „evenwel rekening moet worden gehouden met bijzondere gebruiken die eigen zijn aan bepaalde godsdienstige riten”.
( 3 ) Verordening van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PB 2009, L 303, blz. 1). Overweging 18 van deze verordening luidt als volgt: „[…] Aangezien de communautaire voorschriften die van toepassing zijn op religieus slachten, afhankelijk van de nationale contexten verschillend zijn omgezet en gezien het feit dat in de nationale regels rekening wordt gehouden met dimensies die verder gaan dan het doel van deze verordening, is het van belang dat de uitzondering op het bedwelmen voorafgaand aan het slachten gehandhaafd blijft; hierbij behouden de lidstaten echter een bepaalde mate van subsidiariteit. Deze verordening respecteert derhalve de vrijheid van godsdienst, evenals het recht voor iedereen om zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften zoals verankerd in artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.”
( 4 ) Ik merk op dat de voorheen geldende wetgeving niet voorzag in gedetailleerde criteria voor de erkenning van slachthuizen, zodat de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikten om de, eventueel tijdelijke, inrichtingen te bepalen die konden worden erkend als met slachthuizen gelijk te stellen inrichtingen [zie met name artikel 5, lid 2, van richtlijn 93/119/EG van de Raad van 22 december 1993 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden (PB 1993, L 340, blz. 21), zoals gewijzigd].
( 5 ) Met dat feest, ook het Grote Feest (Aïd-el-Kebir) genoemd, wordt de kracht van het geloof van Ibrahim (Abraham in de Bijbelse traditie) gevierd, die wordt gesymboliseerd door het feit dat hij op bevel van God ermee instemt zijn enige zoon Ismaël (Isaak in de Bijbelse traditie) te offeren. Nadat Ibrahim het goddelijke bevel heeft aanvaard, stuurt God de aartsengel Jibril (Gabriël), die het kind op het laatste moment vervangt door een ram, die als offer dient. Ter herinnering aan die toewijding van Ibrahim aan zijn God offert elk moslimgezin een dier volgens bepaalde regels.
( 6 ) In overeenstemming met de bepalingen van artikel 26, lid 2, onder c), van verordening nr. 1099/2009, staan bepaalde lidstaten het onverdoofd slachten niet toe. Zo staan het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Slovenië en het Koninkrijk Zweden het slachten van dieren volgens mij alleen maar toe met voorafgaande verdoving. Recentelijk lijkt er in het Vlaamse en het Waalse Gewest een politiek akkoord te zijn bereikt om het onverdoofd slachten van dieren vanaf 2019 te verbieden.
( 7 ) PB 2004, L 139, blz. 55, met rectificatie in PB 2004, L 226, blz. 22.
( 8 ) Op een verschuivende datum vanaf de zeventigste dag na het einde van de islamitische maand ramadan.
( 9 ) Volgens de islamitische traditie is het voor moslims tijdens het Offerfeest mogelijk om te kiezen welke dieren kunnen worden geofferd: het kan een dier van het schapenras (schaap, ooi of ram), een rund (koe, stier of kalf) of een dier van het geitenras (geit of bok) zijn.
( 10 ) Volgens de parlementaire voorbereiding van de wijzigende wet van 1995 was deze laatste mogelijkheid ingegeven door het gebrek aan slachtcapaciteit van verschillende slachthuizen in bepaalde perioden.
( 11 ) In die context dienden de vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap de slachtcapaciteiten van een specifiek geografisch gebied te beoordelen en het betrokken gemeentebestuur daarover in te lichten.
( 12 ) In dat kader heeft de betrokken minister met name verwezen naar een op 30 juli 2015 gepubliceerd eindrapport van een audit die de diensten van de Europese Commissie van 24 november tot en met 3 december 2014 in België hadden uitgevoerd teneinde de controles op dierenwelzijn bij het slachten en tijdens de daarmee verband houdende activiteiten te evalueren [DG(SANTE) 2014‑7059 – RM] (hierna: „auditrapport van 30 juli 2015”). Dat rapport vermeldde in het bijzonder dat „het onbedwelmd doden van dieren voor religieuze riten buiten slachthuizen niet overeenstemt met de verordening”.
( 13 ) Verzoekers in het hoofdgeding beroepen zich op artikel 1, lid 3, onder a), iii), van verordening nr. 1099/2009, dat bepaalt dat de verordening niet van toepassing is indien dieren worden gedood tijdens „culturele of sportieve evenementen”. In overeenstemming met artikel 2, onder h), van die verordening betreft het evenementen die in wezen en hoofdzakelijk verband houden met lang gevestigde culturele tradities of sportieve activiteiten, waarbij er geen sprake is van de productie van vlees of andere dierlijke producten of waarbij die productie slechts marginaal is in verhouding tot het evenement en ook niet economisch van belang is.
( 14 ) Uit het dossier blijkt dat er 59 tijdelijke slachtinrichtingen bestonden. Slechts twee ervan zijn omgevormd tot slachthuizen in 2015 en drie ervan in 2016.
( 15 ) Zie met name arresten van 21 december 2016, Vervloet e.a. (C‑76/15, EU:C:2016:975, punt 57en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 27 juni 2017, Congregación de Escuelas Pías Provincia Betania (C‑74/16, EU:C:2017:496, punt 25).
( 16 ) Onder deze term wordt de volledige Europese regelgeving met betrekking tot de levensmiddelenhygiëne verstaan, die op 1 januari 2006 in werking is getreden om de in de Unie geldende wetgeving te vereenvoudigen en te harmoniseren.
( 17 ) Zie met name arrest van 8 september 2015, Taricco e.a. (C‑105/14, EU:C:2015:555, punt 31).
( 18 ) Zie in dit verband met name de argumentatie van het Vlaamse Gewest, dat aanvoert dat de kwestie betrekking heeft op een zuiver interne omstandigheid, namelijk de vermeend ontoereikende slachtcapaciteit van de erkende slachthuizen in een bepaalde regio tijdens een zeer precieze periode. Zie ook de opmerkingen van de Nederlandse regering, die stelt dat de mogelijkheid om te voorzien in een dergelijke beschikbaarheid van halalvlees een zaak van de lidstaten is, en dat deze kwestie niet onder de werkingssfeer van de verordeningen nr. 1099/2009 en nr. 853/2004 valt.
( 19 ) Zie arresten van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson (C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 44); 3 september 2015, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Commissie (C‑398/13 P, EU:C:2015:535, punt 45), en 15 februari 2016, N. (C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 45).
( 20 ) Zie met name arrest van 15 februari 2016, N. (C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 46en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 21 ) Zie met name arrest van 30 juni 2016, Toma en Biroul Executorului Judecătoresc Horațiu-Vasile Cruduleci (C‑205/15, EU:C:2016:499, punt 41en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 22 ) GAIA verwijst in het bijzonder naar een studie van de universiteit van Bristol, waaruit zou blijken dat 95 % van de moslimgeleerden het eens zijn over het feit dat een verdoving die niet leidt tot de dood van het te slachten dier, halal is (zie Fuseini, A., e.a., „The Perception and Acceptability of Pre-Slaughter and Post-Slaughter Stunning for Halal Production: the Views of UK Islamic Scholars and Halal Consumers”, Meat Science, nr. 123, 2017, blz. 143‑153).
( 23 ) Bepaalde moslimlanden, zoals Jordanië en Maleisië, zouden een verdoving bij ritueel slachten dulden, op voorwaarde dat die omkeerbaar is, dit wil zeggen niet tot de dood van het dier leidt. Bovendien wordt dikwijls het geval van Nieuw-Zeeland genoemd (dat wereldwijd de grootse producent van schapenvlees is), dat vlees afkomstig van onder verdoving geslachte dieren uitvoert naar moslimlanden.
( 24 ) Zoals het EHRM in zijn arrest van 17 december 2013 (Vartic tegen Roemenië, CE:ECHR:2013:1217JUD001415008, § 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak) heeft geoordeeld, is het publieke autoriteiten ingevolge de neutraliteitsverplichting verboden de geldigheid en de legitimiteit van geloofsovertuigingen of van de wijze waarop deze tot uitdrukking worden gebracht, te beoordelen.
( 25 ) Zie met name het arrest van het EHRM van 27 juni 2000, Cha’are Shalom Ve Tsedek tegen Frankrijk (CE:ECHR:2000:0627JUD002741795, § 73). Zie meer in het algemeen wat door godsdienst gemotiveerde voedingsvoorschriften betreft, arresten van het EHRM van 7 december 2010, Jakóbski tegen Polen (CE:ECHR:2010:1207JUD001842906), en 17 december 2013, Vartic tegen Roemenië (CE:ECHR:2013:1217JUD001415008).
( 26 ) De drie dagen die volgen op het Offerfeest worden in de moslimtraditie aangeduid als de dagen van de Tashriq. In dat verband heeft GAIA ter terechtzitting de verschillende ter zake bestaande stromingen beschreven.
( 27 ) Zie in dit verband de toelichting bij het voorstel van de Commissie voor de hygiëneverordening [COM(2000) 438 definitief, blz. 10] dat een concrete vorm heeft gekregen door de vaststelling van verordening nr. 853/2004. Daarin wordt gewezen op het grote belang om gebruik te maken van op grond van strikte hygiënenormen erkende slachthuizen.
( 28 ) Zie in die zin overweging 2 van verordening nr. 853/2004.
( 29 ) Zie overweging 4 van verordening nr. 853/2004.
( 30 ) Zie in die zin overweging 9 van verordening nr. 853/2004.
( 31 ) Zie overweging 18 van verordening nr. 853/2004, volgens welke „de structurele en hygiënevoorschriften van deze verordening van toepassing zijn op alle soorten inrichtingen, inclusief kleine bedrijven en mobiele slachthuizen”.
( 32 ) Zie met name overweging 19 van verordening nr. 853/2004. In deze overweging staat te lezen dat de procedure op grond waarvan lidstaten flexibiliteit kunnen hanteren, volledig transparant moet zijn en moet voorzien in overleg met het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid om, zo nodig, meningsverschillen op te lossen.
( 33 ) In deze context verwijst de verwijzende rechter met name naar het auditrapport van 30 juli 2015. Dat rapport vermeldde immers dat „het onbedwelmd doden van dieren voor religieuze riten buiten slachthuizen niet overeenstemt met de verordening”, hoewel de centrale bevoegde autoriteit „veel inspanningen [heeft] gedaan om bij religieuze feesten in gereguleerde plaatsen dezelfde voorwaarden inzake dierenwelzijn te garanderen”.
( 34 ) De Commissie vermeldt in die context de rechtspraak van het EHRM [zie met name EHRM, 3 december 2009, Skugar e.a. tegen Rusland (CE:ECHR:2009:1203DEC004001004)], betreffende het gebruik van een fiscaal identificatienummer.
( 35 ) Zie in die zin arrest van EHRM van 30 juni 2011, Association des Témoins de Jéhovah tegen Frankrijk (CE:ECHR:2011:0630JUD000891605, § 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak), volgens hetwelk „de vrijheid van godsdienst niet betekent dat kerken of hun volgelingen een ander fiscaal statuut krijgen dan dat van andere belastingplichtigen”.
( 36 ) Verschillende betrokkenen, met name het Vlaamse Gewest, hebben erop gewezen dat dit ontoereikend aantal slachtplaatsen in casu niet was aangetoond.
( 37 ) Zie in deze zin arrest van 28 juli 2016, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a. (C‑543/14, EU:C:2016:605, punt 29).
( 38 ) En dat niettegenstaande de mogelijkheid voor de lidstaten om op grond van artikel 26, lid 2, van verordening nr. 1099/2009 „nationale voorschriften [aan te nemen] die strekken tot uitgebreidere bescherming van dieren bij het doden dan die van [die] verordening”. Ik herinner eraan dat in overweging 18 van die verordening in die zin wordt gepreciseerd dat „het van belang [is] dat de uitzondering op het bedwelmen voorafgaand aan het slachten gehandhaafd blijft; hierbij behouden de lidstaten echter een bepaalde mate van subsidiariteit”.
( 39 ) Mijn cursivering.
( 40 ) Zie het standpunt van de regering van het Verenigd Koninkrijk die aanvoert dat het wetenschappelijk bewezen is dat het verdoven van dieren zodat zij bewusteloos zijn op het ogenblik waarop zij worden gedood, een doeltreffende methode is om het dierenleed te verzachten. In dezelfde zin heeft de Estse regering verwezen naar een studie getiteld „Report on Good and Adverse practices – Animal Welfare Concerns in Relation to Slaughter Practices from the Viewpoint of Veterinary Sciences”, die in het kader van het Europese DIALREL-project („Encouraging Dialogue on issues of Religious Slaughter”) is uitgevoerd en beschikbaar is op het volgende adres: http://www.dialrel.eu/dialrel-results/veterinary-concerns.html
( 41 ) Ik neem bijna letterlijk de conclusies over van een verslag dat is opgesteld namens de onderzoekscommissie van de Franse Assemblée nationale (parlement) van 20 september 2016 over de omstandigheden waaronder slachtvee in de Franse slachthuizen wordt geslacht (http://www2.assemblee-nationale.fr/14/autres-commissions/commissions-d-enquete/conditions-d-abattage-des-animaux-de-boucherie-dans-les-abattoirs-francais/).
( 42 ) In deze context is het volgens mij interessant erop te wijzen dat de handeling van het doden van dieren juist vanuit het respect voor dieren en het belang dat aan hun welzijn wordt toegekend, in de joodse en islamitische tradities is geritualiseerd.
( 43 ) Dierenbeschermingsorganisaties wijzen regelmatig op de zeer afkeurenswaardige omstandigheden waarin het slachten in nochtans erkende slachthuizen wordt uitgevoerd. In het hierboven in voetnoot 41 vermelde verslag stelt de verslaggever „de verleiding [vast] bij bepaalde actoren van de sector om de kwesties die door het ritueel slachten aan de orde worden gesteld, te gebruiken om de zeer ernstige problemen […] te doen vergeten die het traditionele slachten op het gebied van dierenwelzijn meebrengt”.
( 44 ) Zoals blijkt uit overweging 2 van verordening nr. 1099/2009, „[kan h]et doden van dieren […] pijn, angst, spanning of andere vormen van lijden bij de dieren veroorzaken, zelfs onder de beste beschikbare technische omstandigheden. Bepaalde activiteiten die verband houden met dat doden, kunnen stress meebrengen en elke bedwelmingstechniek heeft nadelen.”
( 45 ) Bij mijn opzoekingen heb ik kunnen vaststellen dat, hoewel de thans algemeen geldende regel is dat in erkende slachthuizen moet worden geslacht, vele veehouders en dierenbeschermingsorganisaties voorstander zijn van het idee dat het slachten dat zo dicht mogelijk bij de plaats waar de dieren worden gehouden, wordt uitgevoerd, vanuit het oogpunt van het dierenwelzijn zeker de meest geschikte oplossing is.
( 46 ) Zie met name arresten van 17 januari 2008, Viamex Agrar Handel en ZVK (C‑37/06 en C‑58/06, EU:C:2008:18, punten 22 en 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 19 juni 2008, Nationale Raad van Dierenkwekers en Liefhebbers en Andibel (C‑219/07, EU:C:2008:353, punt 27), en 23 april 2015, Zuchtvieh-Export (C‑424/13, EU:C:2015:259, punt 35).
( 47 ) PB 1997, C 340, blz. 110.
( 48 ) Zie arrest van 23 april 2015, Zuchtvieh-Export (C‑424/13, EU:C:2015:259, punt 35).
( 49 ) Zie in die zin arrest van het EHRM van 27 juni 2000, Cha’are Shalom Ve Tsedek tegen Frankrijk (CE:ECHR:2000:0627JUD002741795, § 77).
( 50 ) Zie met name arresten van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a. (C‑293/12 en C‑594/12, EU:C:2014:238, punt 46en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 februari 2016, N. (C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 54).
( 51 ) Zie met name arresten van 17 oktober 2013, Schaible (C‑101/12, EU:C:2013:661, punt 29), en 9 juni 2016, Pesce e.a. (C‑78/16 en C‑79/16, EU:C:2016:428, punt 48).
( 52 ) Zie in dat verband artikel 10, leden 3 tot en met 8, van verordening nr. 853/2004.
( 53 ) Zie de overwegingen 40 en 47 van verordening nr. 1099/2009.