|
31.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 249/8 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 8 juni 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale Ordinario di Venezia — Italië) — Vinyls Italia SpA, in staat van faillissement/Mediterranea di Navigazione SpA
(Zaak C-54/16) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - Insolventieprocedures - Verordening (EG) nr. 1346/2000 - Artikelen 4 en 13 - Voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen - Omstandigheden waarin de betrokken rechtshandeling kan worden bestreden - Handeling onderworpen aan het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend - Handeling die niet op grond van dat recht kan worden bestreden - Verordening (EG) nr. 593/2008 - Artikel 3, lid 3 - Door partijen gekozen recht - Alle aanknopingspunten van de betrokken situatie bevinden zich in de lidstaat waar de procedure is geopend - Invloed])
(2017/C 249/11)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale Ordinario di Venezia
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Vinyls Italia SpA, in staat van faillissement
Verwerende partij: Mediterranea di Navigazione SpA
Dictum
|
1) |
Artikel 13 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures moet aldus worden uitgelegd dat de vorm waarin en de termijn waarbinnen diegene die voordeel heeft getrokken uit een voor het geheel van schuldeisers nadelige handeling, een exceptie op grond van dit artikel moet opwerpen om zich te verzetten tegen een vordering tot herroeping van die handeling volgens de bepalingen van de lex fori concursus, en de vraag of dit artikel ook ambtshalve mag worden toegepast door de bevoegde rechter, in voorkomend geval buiten de termijn waarover de betrokken partij beschikt, een zaak zijn van het procesrecht van de lidstaat op het grondgebied waarvan het geding aanhangig is. Dat recht mag evenwel niet ongunstiger zijn dan het recht dat voor soortgelijke situaties naar nationaal recht geldt (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mag de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel), hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan. |
|
2) |
Artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 moet aldus worden uitgelegd dat de partij op wie de bewijslast rust, moet bewijzen dat, wanneer de lex causae voorziet in de mogelijkheid om een als nadelig aangemerkte handeling te bestrijden, in concreto niet is voldaan aan de voorwaarden om een tegen die handeling ingesteld beroep te kunnen toewijzen, die verschillen van die van de lex fori concursus. |
|
3) |
Artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 kan geldig worden ingeroepen wanneer de contractspartijen, die zijn gevestigd in dezelfde lidstaat op het grondgebied waarvan zich ook alle overige relevante aanknopingspunten van de betrokken situatie bevinden, het recht van een andere lidstaat hebben aangewezen als het recht dat op de overeenkomst van toepassing is, mits die partijen dat recht niet op bedrieglijke of onrechtmatige wijze hebben gekozen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan. |