Zaak T‑522/15 R
(gedeeltelijke publicatie)
CCPL – Consorzio Cooperative di Produzione e Lavoro SC e.a.
tegen
Europese Commissie
„Kort geding — Mededinging — Mededingingsregelingen — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel — Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd — Bankgarantie — Verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging — Fumus boni juris — Spoedeisendheid — Belangenafweging”
Samenvatting – Beschikking van de president van het Gerecht van 15 december 2015
Kort geding — Opschorting van de tenuitvoerlegging — Voorwaarden voor toekenning — Fumus boni juris — Opschorting van de verplichting om een bankgarantie te stellen als voorwaarde voor het niet onmiddellijk invorderen van een geldboete die is opgelegd wegens schending van de mededingingsregels — Middel inzake de onderschatting door de Commissie van de ernst van de financiële situatie van de betrokken onderneming — Prima facie voldoende waarschijnlijk dat de Unierechter de opgelegde geldboeten verlaagt — Middel dat prima facie niet ongegrond is
(Art. 261 VWEU en 278 VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 31; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 156, lid 3)
Kort geding — Opschorting van de tenuitvoerlegging — Opschorting van de verplichting om een bankgarantie te stellen als voorwaarde voor het niet onmiddellijk invorderen van een geldboete die is opgelegd wegens schending van de mededingingsregels — Voorwaarden voor toekenning — Buitengewone omstandigheden — Bewijslast — Weigering van de banken om een dergelijke bankgarantie te verstrekken — Toelaatbaarheid als bewijs van de objectieve onmogelijkheid om een dergelijk financieel instrument te verkrijgen
(Art. 278 VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 156, lid 3)
Kort geding — Opschorting van de tenuitvoerlegging — Opschorting van de verplichting om een bankgarantie te stellen als voorwaarde voor het niet onmiddellijk invorderen van een geldboete die is opgelegd wegens schending van de mededingingsregels — Voorwaarden voor toekenning — Buitengewone omstandigheden — Inaanmerkingneming van de financiële situatie van het concern waartoe de onderneming behoort
(Art. 278 VWEU)
Kort geding — Opschorting van de tenuitvoerlegging — Opschorting van de verplichting om een bankgarantie te stellen als voorwaarde voor het niet onmiddellijk invorderen van een geldboete die is opgelegd wegens schending van de mededingingsregels — Afweging van alle betrokken belangen
(Art. 278 VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 156, lid 3)
Aangezien het gaat om een verzoek in kort geding dat tot doel heeft vrijgesteld te worden van de verplichting om een bankgarantie te stellen als noodzakelijke voorwaarde ter voorkoming van de onmiddellijke invordering van de door de Commissie wegens schending van de mededingingsregels opgelegde geldboeten, is voldaan aan de voorwaarde inzake fumus boni juris, aangezien er verschillende elementen zijn die erop wijzen dat de Commissie de ernst van de deficitaire financiële situatie van de bestrafte onderneming in het bestreden besluit heeft onderschat.
In ieder geval kan de rechter in kort geding alleen maar vaststellen dat de beoordeling van de vermelde gegevens grondig moet worden onderzocht door de feitenrechter in de hoofdprocedure. Krachtens artikel 261 VWEU en artikel 31 van verordening nr. 1/2003 heeft de Unierechter immers volledige rechtsmacht ter zake van beroep tegen besluiten van de Commissie waarin een geldboete of een dwangsom wordt vastgesteld. Bij de uitoefening van zijn wijzigingsbevoegdheid kan de rechter met volledige rechtsmacht rekening houden met de feitelijke en juridische situatie op de datum waarop hij uitspraak doet.
Derhalve is aan de voorwaarde inzake fumus boni juris voldaan wanneer de rechter in kort geding van oordeel is dat het op het eerste gezicht voldoende waarschijnlijk is dat de feitenrechter de onderneming een aanzienlijke verlaging van de opgelegde geldboeten zal toekennen die groter is dan de door de Commissie bij het bestreden besluit toegekende vermindering.
(cf. punten 14, 34, 41‑43)
Aangezien de mogelijkheid om een bankgarantie te eisen als voorwaarde om de wegens schending van de mededingingsregels opgelegde geldboeten niet onmiddellijk in te vorderen, aan een redelijke algemene gedragslijn van de Commissie beantwoordt, kan een bestrafte onderneming slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden vrijgesteld van de verplichting om een dergelijke garantie te stellen. Om het bestaan aan te tonen van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden moet die onderneming in beginsel het bewijs leveren dat het voor haar objectief onmogelijk is om een bankgarantie te stellen of dat het stellen ervan haar bestaan in gevaar zou brengen. Die twee uitzonderlijke omstandigheden zijn alternatieve en geen cumulatieve omstandigheden. Aangezien het gaat om een door de bestrafte onderneming ingediend verzoek in kort geding dat tot doel heeft vrijgesteld te worden van de verplichting om een dergelijke garantie te stellen, moet de spoedeisendheid van de gevraagde opschorting van de tenuitvoerlegging derhalve worden erkend indien die onderneming rechtens genoegzaam kan aantonen dat het voor haar objectief onmogelijk is om voor de opgelegde geldboeten een bankgarantie te stellen.
Voorts moet die onderneming worden geacht rechtens genoegzaam te hebben aangetoond dat het voor haar objectief onmogelijk is om een bankgarantie te verkrijgen, aangezien twaalf financiële instellingen haar een bankgarantie hebben geweigerd.
(cf. punten 49‑51, 66)
Op het gebied van het kort geding berust de inaanmerkingneming van de draagkracht van het concern waartoe de partij behoort die om voorlopige maatregelen verzoekt, op de idee dat de objectieve belangen van die partij niet onderscheiden zijn van de belangen van de personen die zeggenschap uitoefenen over die partij of die lid zijn van hetzelfde concern, waarbij moet worden gepreciseerd dat dit, rekening houdend met de aandeelhoudersstructuur van het concern, zelfs voor minderheidsaandeelhouders geldt die 50 %, 40 %, of zelfs maar 30 % van het kapitaal van de betrokken vennootschap in handen hebben. Het begrip concern is echter niet van toepassing in de context van coöperatieve verenigingen wanneer de belangen van de coöperatieve verenigingen, enerzijds, en van de moedermaatschappij en de zustercoöperaties, anderzijds, niet voldoende gelijkgericht zijn.
(cf. punten 69, 70)
Zie de tekst van de beslissing.
(cf. punten 77, 78)