7.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 294/70


Beroep ingesteld op 22 mei 2015 — Kiselev/Raad

(Zaak T-262/15)

(2015/C 294/85)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Dmitry Konstantinovich Kiselev (Korolev, Rusland) (vertegenwoordigers: T. Otty en B. Kennelly, Barristers, en J. Linneker, Solicitor)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

nietigverklaring van besluit (GBVB) 2015/432 van 13 maart 2015 van de Raad houdende wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen en van uitvoeringsverordening (EU) 2015/427 van 13 maart 2015 van de Raad tot uitvoering van verordening (EU) 269/2014 van de Raad betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen voor zover het van toepassing is op verzoeker;

verwijzing van verweerder in verzoekers kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker zes middelen aan.

1.

Eerste middel: kennelijke beoordelingsfout bij de vaststelling dat verzoeker voldeed aan het criterium voor opname op de lijst, zoals bepaald in artikel 1, lid 1, van het besluit (zoals gewijzigd) en artikel 2, lid 1, van de verordening (zoals gewijzigd).

Verzoeker voert aan dat de criteria van het besluit en van de verordening voor opname op de lijst in overeenstemming met het recht op vrije meningsuiting uitgelegd moeten worden met het oog op eerbiediging van artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Volgens verzoeker vereist het criterium dat een persoon „actief steun [verleent]” aan beleidsmaatregelen van de Russische regering met betrekking tot Oekraïne, dat die persoon een grotere mate van invloed heeft op de relevante beleidsmaatregelen dan alleen een mening uiten in een journalistieke context. Verzoeker stelt dat hij enkel journalist en de bestuurder van een mediabedrijf is en daarom niet de vereiste invloed of concrete impact heeft op, en verantwoordelijkheid draagt voor, de situatie in Oekraïne. Verzoeker heeft zelfs nooit steun betuigd aan „de inzet van Russische troepen in Oekraïne” , zoals de Raad aanvoert.

2.

Tweede middel: schending van het recht op vrije meningsuiting.

Volgens de verzoeker straffen de beperkende maatregelen hem voor de politieke mening die hij heeft geuit als journalist en als commentator. Ze beperken ook zijn vermogen om zijn recht op vrije meningsuiting uit te oefenen en de werking van het persagentschap Rossiya Segodnya, dat hij beheert. Verzoeker voert aan dat het feit alleen dat de Raad bezwaar heeft tegen de inhoud van een deel van verzoekers reportage geen rechtvaardigingsgrond voor beperkingen kan zijn. Er is bovendien geen enkel bewijs dat hij tot geweld heeft aangezet of iets gedaan zou hebben om een beperking van zijn recht op vrije meningsuiting te rechtvaardigen.

3.

Derde middel: schending van het recht van verdediging en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte van verzoeker.

Verzoeker voert aan dat hij nooit „ernstige en geloofwaardige bewijzen” of „concrete bewijzen en informatie” heeft ontvangen ter ondersteuning van een procedure die de hem opgelegde beperkende maatregelen zouden kunnen rechtvaardigen. Volgens verzoeker heeft hij (slechts een deel van) de „bewijzen” van de Raad pas ontvangen nadat hij opnieuw op de lijst was opgenomen.

4.

Vierde middel: ontoereikende motivering door de Raad van verzoekers opname op de lijst.

Verzoeker voert aan dat de motivering uitermate vaag is en niet aangeeft wat de eigenlijke en specifieke reden is om de beperkende maatregelen aan verzoeker op te leggen.

5.

Vijfde middel: subsidiair, onrechtmatigheid van de maatregel waarop de Raad zich baseert (in die mate dat het criterium voor opname op de lijst schending van verzoekers recht op vrije meningsuiting zou toelaten).

Verzoeker voert aan dat indien, anders dan in het eerste middel, het criterium aldus uitgelegd moet worden dat het toelaat dat natuurlijke personen die actief zijn in de media, op de lijst worden opgenomen louter omdat zij politieke meningen uiten die de Raad ontoelaatbaar vindt, dit aanwijzingscriterium rechtsgrondslag mist en/of onevenredig is met de doelstellingen van het besluit en de verordening.

6.

Zesde middel: schending van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en Rusland.

Verzoeker voert aan dat niet geprobeerd is om de schendingen van artikel 52 van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst als gevolg van de beperkingen van het vrije verkeer van de fondsen van (onder meer) verzoeker, te rechtvaardigen, noch om deze zaak voor te leggen aan de Samenwerkingsraad krachtens artikel 90.