|
27.4.2015
|
NL
|
Publicatieblad van de Europese Unie
|
C 138/56
|
Beroep ingesteld op 12 februari 2015 — Scandlines Øresund e.a./Commissie
(Zaak T-68/15)
(2015/C 138/73)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Scandlines Øresund I/S (Helsingør, Denemarken), HH Ferries Helsingor ApS (Helsingør, Denemarken), HH-Ferries Helsingborg AB (Helsingborg, Zweden) (vertegenwoordigers: M. Johansson, R. Azelius en P. Remnelid, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
—
|
het bestreden besluit nietig verklaren en
|
|
—
|
de Commissie verwijzen in de kosten.
|
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep, dat is ingesteld krachtens artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, strekt tot nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 15 oktober 2014 op grond van artikel 107, lid 3, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (zaken SA.36558 en SA.38371 — Denemarken, en SA.36662 — Zweden, steun aan Øresundsbro Konsortiet).
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen drie middelen aan.
|
1.
|
Eerste middel: onjuiste rechtsopvattingen en beoordelingsfouten
|
—
|
Met het eerste onderdeel van het eerste middel betogen verzoeksters dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te concluderen dat de financiering van de hinterlandfaciliteiten geen staatssteun inhield aangezien de betrokken maatregelen de mededinging niet konden verstoren en evenmin de handel tussen de lidstaten negatief konden beïnvloeden.
|
|
—
|
Met het tweede onderdeel betogen verzoeksters dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het onvoorwaardelijke karakter van de staatsgaranties en het wettelijk afdwingbare recht van het Consortium om door de staat gegarandeerde financiering te verkrijgen, alsook bij de beoordeling van het aantal staatgaranties.
|
|
—
|
Met het derde en vierde onderdeel stellen verzoeksters dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te concluderen dat de Zweedse garantiemaatregelen een steunregeling en bestaande steun vormen.
|
|
—
|
Met het vijfde onderdeel stellen verzoeksters dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij de vaststelling dat de staatsgaranties enkel betrekking hebben op de financiering van de vaste verbinding.
|
|
—
|
Met het zesde onderdeel van het eerste middel betogen verzoeksters dat artikel 107, lid 3, onder c), VWEU is geschonden, aangezien de Commissie onvoldoende gronden had om de betrokken steunmaatregelen verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren.
|
|
—
|
Met het zesde onderdeel stellen verzoeksters tevens dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet het cumulatieve effect te evalueren van alle verschillende steunmaatregelen die rechtstreeks of indirect aan het consortium zijn verleend.
|
|
—
|
Met het zevende onderdeel van het eerste middel betogen verzoeksters dat het vertrouwensbeginsel niet correct is toegepast.
|
|
|
2.
|
Tweede middel: niet-nakoming van de verplichting om de formele onderzoeksprocedure in te leiden
|
—
|
Het tweede middel omvat 19 onderdelen, in het kader waarvan verzoeksters stellen dat het door de Commissie verrichte onderzoek ontoereikend en onvolledig was en dat de Commissie op verschillende punten is afgeweken van haar eigen richtsnoeren en mededelingen. Deze gebreken vormen een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen waaruit blijkt dat de Commissie ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit niet in staat was om alle in het betrokken geval vastgestelde ernstige problemen op te lossen. De Commissie heeft dan ook ten onrechte geweigerd om de procedurele rechten die verzoeksters aan artikel 108, lid 2, VWEU ontlenen, te beschermen.
|
|
|
3.
|
Derde middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht
|
—
|
Met hun derde en laatste middel betogen verzoeksters dat het bestreden besluit berust op een ontoereikende motivering. De Commissie heeft zich er niet van vergewist dat de motivering van het bestreden besluit nauwkeurig genoeg was om verzoeksters in staat te stellen hun rechten te verdedigen en om het Hof in staat te stellen toezicht uit te oefenen. De motiveringsgebreken betreffen de beoordeling van de hinterlandfaciliteiten door de Commissie, de staatsgaranties, de Deense belastingvoordelen, de Deense staatsleningen en, ten slotte, het feit dat de conclusies van de Commissie betreffende de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt en het gewettigde vertrouwen op een cirkelredenering zijn gebaseerd.
|
|