ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

5 oktober 2017 ( *1 )

„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Tunesië – Maatregelen tegen personen die verantwoordelijk zijn voor het verduisteren van overheidsgelden en de geassocieerde personen of entiteiten – Bevriezing van tegoeden – Lijst van de personen, entiteiten en lichamen waarop de bevriezing van tegoeden van toepassing is – Handhaving van de plaatsing van verzoekers naam – Ontoereikende feitelijke basis – Kennelijk onjuiste beoordeling – Onjuiste rechtsopvatting – Eigendomsrecht – Beginsel van behoorlijk bestuur – Redelijke procestermijn – Vermoeden van onschuld – Verzoek om aanpassing – Bevestigende handeling – Niet-ontvankelijkheid”

In zaak T‑175/15,

Mohamed Marouen Ben Ali Ben Mohamed Mabrouk, wonende te Tunis (Tunesië), vertegenwoordigd door J.‑R. Farthouat, J.‑P. Mignard en N. Boulay, advocaten, en S. Crosby, solicitor,

verzoeker,

tegen

Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. de Elera-San Miguel Hurtado en G. Étienne, en vervolgens door A. de Elera-San Miguel Hurtado, als gemachtigden,

verweerder,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit (GBVB) 2015/157 van de Raad van 30 januari 2015 tot wijziging van besluit 2011/72/GBVB betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Tunesië (PB 2015, L 26, blz. 29), voor zover het betrekking heeft op verzoeker, van het besluit van de Raad van 16 november 2015 tot afwijzing van verzoekers verzoek van 29 mei 2015 om zijn naam te schrappen van de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72/GBVB van de Raad van 31 januari 2011 betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Tunesië (PB 2011, L 28, blz. 62), en van besluit (GBVB) 2016/119 van de Raad van 28 januari 2016 tot wijziging van besluit 2011/72 (PB 2016, L 23, blz. 65), voor zover het betrekking heeft op verzoeker,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: D. Gratsias (rapporteur), president, I. Labucka en I. Ulloa Rubio, rechters,

griffier: L. Grzegorczyk, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 december 2016,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding en feiten

1

Naar aanleiding van de politieke gebeurtenissen in Tunesië in december 2010 en januari 2011 heeft de Raad van de Europese Unie op 31 januari 2011 krachtens artikel 29 VEU besluit 2011/72/GBVB betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Tunesië (PB 2011, L 28, blz. 62) vastgesteld.

2

Overwegingen 1 en 2 van besluit 2011/72 vermelden het volgende:

„(1)

Op 31 januari 2011 heeft de Raad opnieuw uiting gegeven aan zijn volledige solidariteit en steun jegens Tunesië en zijn bevolking in hun inspanningen om te komen tot een stabiele democratie, een rechtsstaat, democratisch pluralisme en de volledige eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.

(2)

De Raad heeft voorts besloten restrictieve maatregelen vast te stellen tegen personen die verantwoordelijk zijn voor het verduisteren van Tunesische overheidsgelden, en daarmee de Tunesische bevolking beroven van de voordelen van een duurzame ontwikkeling van haar economie en samenleving, en de ontwikkeling van de democratie in het land ondermijnen.”

3

Artikel 1, leden 1 en 2, van besluit 2011/72 bepaalt het volgende:

„1.   Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van of in bezit zijn van personen die verantwoordelijk zijn voor het verduisteren van Tunesische overheidsgelden of van de met hen geassocieerde natuurlijke of rechtspersonen of entiteiten als vermeld in de bijlage worden bevroren.

2.   Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de in de bijlage vermelde natuurlijke of rechtspersonen of entiteiten.”

4

Artikel 2 van besluit 2011/72 luidt als volgt:

„1.   De Raad stelt op voorstel van een lidstaat of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de in de bijlage opgenomen lijst en eventuele wijzigingen daarin vast.

2.   De Raad stelt de betrokken persoon of entiteit in kennis van zijn besluit en van de motivering voor plaatsing op de lijst, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij middels de bekendmaking van een kennisgeving, zodat zij daarover opmerkingen kan indienen.

3.   Indien er opmerkingen worden ingediend of substantieel nieuw bewijsmateriaal wordt overgelegd, toetst de Raad zijn besluit en brengt hij de betrokken persoon of entiteit daarvan op de hoogte.”

5

Artikel 3, lid 1, van besluit 2011/72 bepaalt:

„In de bijlage worden de gronden voor opneming van personen en entiteiten in de lijst vermeld.”

6

Artikel 5 van besluit 2011/72 bepaalde in zijn oorspronkelijke versie het volgende:

„Dit besluit is van toepassing voor een periode van twaalf maanden. Het wordt voortdurend getoetst. Het kan zo nodig worden verlengd of gewijzigd indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn verwezenlijkt.”

7

Op de lijst die oorspronkelijk in de bijlage bij besluit 2011/72 was opgenomen kwamen alleen de naam van Zine el Abidine Ben Hamda Ben Ali, voormalig president van de Republiek Tunesië, en die van Leïla Bent Mohammed Trabelsi, zijn echtgenote, voor.

8

Op 4 februari 2011 heeft de Raad krachtens artikel 2, lid 1, van besluit 2011/72 en artikel 31, lid 2, VEU uitvoeringsbesluit 2011/79/GBVB tot uitvoering van besluit 2011/72 (PB 2011, L 31, blz. 40) vastgesteld. Artikel 1 van dit uitvoeringsbesluit bepaalde dat de bijlage bij besluit 2011/72 werd vervangen door de tekst in de bijlage bij dat besluit. Deze bijlage vermeldde de naam van 48 natuurlijke personen, waaronder, onder andere, op de eerste en de tweede regel de naam van de twee in punt 7 hierboven genoemde personen, en op de achtentwintigste regel de naam van verzoeker: Mohamed Marouen Ben Ali Ben Mohamed Mabrouk. Op de achtentwintigste regel van die bijlage was in de kolom met het opschrift „Informatie betreffende de identiteit” tevens het volgende vermeld: „Tunesiër, geboren op 11 maart 1972 te Tunis, zoon van Jaouida El BEJI, getrouwd met Sirine BEN ALI, president-directeur van een onderneming, woonachtig 8 rue du Commandant Béjaoui‑Carthage‑Tunis, houder van CNI nr. 04766495”, en in de kolom met het opschrift „Motivering”: „Persoon naar wie door de Tunesische autoriteiten een gerechtelijk onderzoek is ingesteld met betrekking tot het verwerven van onroerende en roerende goederen, het openen van bankrekeningen en het aanhouden van financiële activa in verschillende landen in het kader van operaties inzake het witwassen van geld.”

9

De oorspronkelijke opneming van verzoekers naam in de bijlage bij besluit 2011/72, zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit 2011/79, werd achtereenvolgens verlengd bij besluit 2012/50/GBVB van de Raad van 27 januari 2012 (PB 2012, L 27, blz. 11), besluit 2013/72/GBVB van de Raad van 31 januari 2013 (PB 2013, L 32, blz. 20) en besluit 2014/49/GBVB van de Raad van 30 januari 2014 (PB 2014, L 28, blz. 38).

10

Naar aanleiding van de arresten van 28 mei 2013, Trabelsi e.a./Raad (T‑187/11, EU:T:2013:273), 28 mei 2013, Chiboub/Raad (T‑188/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:274), en 28 mei 2013, Al Matri/Raad (T‑200/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:275), heeft de Raad de motivering voor plaatsing van de naam van de personen vermeld op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72, zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit 2011/79, gewijzigd. Wat verzoeker betreft, werd bij besluit 2014/49 de motivering voor plaatsing van zijn naam gewijzigd als volgt: „Persoon naar wie door de Tunesische autoriteiten een gerechtelijk onderzoek is ingesteld wegens medeplichtigheid aan de verduistering van overheidsgelden door een openbaar ambtsdrager; medeplichtigheid aan machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel voor een derde te verkrijgen en de overheid verlies toe te brengen, en medeplichtigheid aan de uitoefening van onrechtmatige invloed op een openbaar ambtsdrager teneinde direct of indirect een voordeel voor een derde te verkrijgen.”

11

Bij schrijven van 12 januari 2015 heeft de Raad verzoeker in kennis gesteld van zijn voornemen om de restrictieve maatregelen tegen deze laatste nogmaals te verlengen. Hij voegde bij dat schrijven een door de Tunesische autoriteiten overgelegd attest van 19 december 2014 betreffende een gerechtelijke procedure die in Tunesië ten aanzien van verzoeker liep. Bij schrijven van 15 januari 2015 heeft verzoeker zijn opmerkingen ingediend en de Raad om de in dat schrijven uiteengezette redenen verzocht hem te schrappen van de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72, zoals gewijzigd bij besluit 2014/49.

12

De Raad heeft op 30 januari 2015 besluit (GBVB) 2015/157 tot wijziging van besluit 2011/72 (PB 2015, L 26, blz. 29) vastgesteld. Artikel 1, lid 1, van dit besluit bepaalt dat de tekst van artikel 5 van besluit 2011/72 wordt vervangen door de volgende tekst: „Dit besluit is van toepassing tot en met 31 januari 2016. Het wordt voortdurend geëvalueerd. Het kan zo nodig worden verlengd of gewijzigd indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn verwezenlijkt.” Verzoekers naam en de desbetreffende motivering voor plaatsing op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72, zoals gewijzigd bij besluit 2014/49, werden gehandhaafd.

13

De Raad heeft bij schrijven van 4 februari 2015 geantwoord op verzoekers opmerkingen van 15 januari 2015. Hij was om de in dat schrijven uiteengezette redenen in wezen van mening dat de restrictieve maatregelen tegen verzoeker van kracht moesten blijven en voegde een kopie van besluit 2015/157 bij dat schrijven. De Raad kondigde evenwel aan dat hij die restrictieve maatregelen, gelet op verzoekers opmerkingen over de stand van het lopende gerechtelijk onderzoek ten aanzien van hem in Tunesië, vóór 31 juli 2015 aan een nieuw onderzoek zou onderwerpen.

14

Verzoeker heeft op 18 februari, 29 mei en 7 september 2015 opmerkingen ingediend. Bij schrijven van 16 november 2015 heeft de Raad op die opmerkingen geantwoord. In de eerste plaats wees de Raad het verzoek om toegang tot het dossier van verzoeker, dat deze laatste bij zijn schrijven van 18 februari 2015 had ingediend, af, waarbij hij erop wees dat hij op basis van het in punt 11 hierboven bedoelde attest had beslist om de maatregelen tegen verzoeker te verlengen en dat hij niet over andere documenten beschikte. In de tweede plaats verklaarde de Raad dat hij uittreksels van twee van de Tunesische autoriteiten afkomstige documenten van 11 mei 2015 betreffende de gerechtelijke procedures ten aanzien van verzoeker bij zijn schrijven voegde. In de derde plaats gaf de Raad, na te hebben geantwoord op de argumenten die verzoeker in zijn opmerkingen van 29 mei 2015 had aangedragen en diens verzoek om te worden gehoord te hebben afgewezen, te kennen dat de restrictieve maatregelen tegen verzoeker moesten worden gehandhaafd.

15

Op 30 november 2015 heeft verzoeker weer opmerkingen ingediend, waarop de Raad bij schrijven van 18 december 2015 heeft geantwoord. De Raad wees aan het einde van zijn brief erop dat hij voornemens was de restrictieve maatregelen tegen verzoeker te verlengen en de motivering voor plaatsing van verzoekers naam te wijzigen als volgt: „Persoon naar wie door de Tunesische autoriteiten een gerechtelijk onderzoek is ingesteld wegens medeplichtigheid aan de verduistering van overheidsgelden door een openbaar ambtsdrager, medeplichtigheid aan machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel voor een derde te verkrijgen en de overheid verlies toe te brengen, en uitoefening van onrechtmatige invloed op een openbaar ambtsdrager teneinde direct of indirect een voordeel voor een derde te verkrijgen.” Verzoeker heeft op 5 januari 2016 in antwoord op dit schrijven nieuwe opmerkingen ingediend.

16

De Raad heeft op 28 januari 2016 besluit (GBVB) 2016/119 tot wijziging van besluit 2011/72 (PB 2016, L 23, blz. 65) vastgesteld, waarbij overeenkomstig artikel 1, lid 1, ervan besluit 2011/72 werd verlengd tot 31 januari 2017. Overeenkomstig artikel 1, lid 2, ervan wordt de bijlage bij besluit 2011/72 vervangen door de bijlage bij besluit 2016/119. Verzoekers naam komt voor op de achtentwintigste regel van die nieuwe bijlage. De bewoordingen van de desbetreffende motivering voor plaatsing van zijn naam zijn identiek aan die welke de Raad in zijn schrijven van 18 december 2015 aan verzoeker had meegedeeld. Zoals de Raad in zijn schrijven van 29 januari 2016 aan verzoeker heeft meegedeeld, is de nieuwe tekst gebaseerd op een bij dat schrijven gevoegd attest van de Tunesische autoriteiten van 20 oktober 2015.

Procedure en conclusies van partijen

17

Bij een op 10 april 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.

18

Op 2 juli 2015 heeft de Raad het verweerschrift ingediend.

19

De repliek en dupliek zijn ingediend op respectievelijk 14 september 2015 en 8 januari 2016.

20

Op 25 januari 2016 heeft verzoeker krachtens artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een eerste memorie houdende aanpassing ingediend om het besluit van de Raad van 16 november 2015, waarbij deze laatste verzoekers verzoek van 29 mei 2015 om zijn naam te schrappen van de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72 had afgewezen, op te nemen in de conclusies van het verzoekschrift. Op 4 april 2016 heeft verzoeker een tweede memorie houdende aanpassing ingediend, waarin hij vraagt om besluit 2016/119 op te nemen in de conclusies van het verzoekschrift.

21

Op 30 maart 2016 heeft de Raad opmerkingen bij de eerste memorie houdende aanpassing ingediend en op 4 mei 2016 heeft hij opmerkingen bij de tweede memorie houdende aanpassing ingediend.

22

Na de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de onderhavige zaak bij besluit van 3 oktober 2016 opnieuw aan de Vijfde kamer toegewezen.

23

Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.

24

Partijen zijn ter terechtzitting van 14 december 2016 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.

25

Verzoeker verzoekt het Gerecht:

besluit 2015/157, voor zover het op hem betrekking heeft, het besluit van de Raad van 16 november 2015 tot afwijzing van verzoekers verzoek van 29 mei 2015 om zijn naam te schrappen van de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72, en besluit 2016/119, voor zover het op hem betrekking heeft, nietig te verklaren;

de Raad te verwijzen in de kosten.

26

De Raad verzoekt het Gerecht:

het beroep in zijn geheel te verwerpen;

verzoeker te verwijzen in de kosten.

In rechte

Conclusies van het verzoekschrift die strekken tot nietigverklaring van besluit 2015/157

27

Verzoeker voert formeel zes middelen aan om zijn verzoek te staven. Met het eerste middel, dat in wezen is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting, stelt verzoeker dat de ten aanzien van hem in Tunesië lopende gerechtelijke procedure geen toereikende feitelijke grondslag biedt om de opneming van zijn naam in de bijlage bij besluit 2011/72 te handhaven. Dat eerste middel bestaat uit twee onderdelen, waarmee ten eerste wordt aangevoerd dat de Raad geen rekening houdt met de gunstige ontwikkeling van de verschillende gerechtelijke procedures ten aanzien van verzoeker in Tunesië, ten tweede dat deze instelling er geen rekening mee houdt dat het beginsel van de redelijke procestermijn in het kader van voornoemd gerechtelijk onderzoek is geschonden. Het tweede middel is gebaseerd op schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) aangezien de Raad zelf het beginsel van de redelijke procestermijn schendt. Met zijn derde middel betoogt verzoeker dat besluit 2015/157 zonder voorwerp is geraakt. Het eerste onderdeel van dat middel is ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten inzake de ontwikkeling van het democratische proces in Tunesië en de noodzaak van restrictieve maatregelen tegen onderdanen van dit derde land die verantwoordelijk zijn voor de verduistering van overheidsgelden. Subsidiair beroept verzoeker zich op een ontoereikende motivering. Het tweede onderdeel van dat middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting aangezien de Raad heeft overwogen dat uit de door de Tunesische autoriteiten verstrekte gegevens bleek dat er vervolgingen tegen verzoeker waren ingesteld. Het vierde middel bestaat uit twee onderdelen: 1) schending van artikel 48 van het Handvest en 2) schending van artikel 41, lid 1, van het Handvest. In het eerste onderdeel van dat middel beroept verzoeker zich op schending van het vermoeden van onschuld door een persbericht van de Raad van 31 januari 2011. In het tweede onderdeel van dat middel beroept verzoeker zich op schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het recht op een onpartijdige behandeling. Voor het geval dat de voornoemde middelen zouden worden afgewezen, voert verzoeker subsidiair een vijfde middel aan dat is ontleend aan een „kennelijke beoordelingsfout” die erin bestaat dat de Raad onvoldoende rekening houdt met het „strafrechtelijk aspect” van besluit 2015/157. Het zesde middel berust op schending van het eigendomsrecht en artikel 17 van het Handvest.

28

Allereerst moet worden opgemerkt dat het tweede onderdeel van het derde middel, dat betrekking heeft op een fout van de Raad bij de beoordeling of de Tunesische autoriteiten voldoende bewijsmateriaal hebben overgelegd, in feite verband houdt met het eerste middel. Het moet dus worden geacht het derde onderdeel van het eerste middel te vormen. Evenzo houdt het vierde middel in zijn geheel in feite verband met het tweede middel aangezien verzoeker daarmee aanvoert dat zijn grondrechten in de procedure tot vaststelling van besluit 2015/157 zijn geschonden. Het tweede middel moet dus worden geacht te bestaan uit drie onderdelen die zijn ontleend aan schendingen door de Raad van respectievelijk de artikelen 47 en 48 en artikel 41, lid 1, van het Handvest. Ten slotte volgt uit het voorgaande dat het vijfde en het zesde middel moeten worden geacht het vierde respectievelijk het vijfde middel te zijn.

Eerste middel: onjuiste rechtsopvatting aangezien de Raad ten onrechte van mening was dat het in Tunesië ten aanzien van verzoeker lopende gerechtelijk onderzoek een toereikende feitelijke grondslag vormde

29

Met het eerste middel stelt verzoeker in wezen dat het lopende gerechtelijk onderzoek ten aanzien van hem in Tunesië op de datum waarop besluit 2015/157 is vastgesteld niet meer kon dienen als grondslag voor de handhaving van de beperkende maatregelen die de Raad tegen hem had vastgesteld. Volgens hem heeft deze instelling blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen rekening te houden met de gegevens die hij daaromtrent aan de Raad had verstrekt. Zoals hij uiteenzet in de aanhef van dat middel, erkent verzoeker dat de Raad volgens de punten 77 en 84 van het arrest van 5 maart 2015, Ezz e.a./Raad (C‑220/14 P, EU:C:2015:147), beschikt over een grondslag om beperkende maatregelen ter zake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) vast te stellen aangezien er een gerechtelijke procedure wegens verduistering van overheidsgelden loopt. Hij is echter van mening dat de ontwikkeling van die gerechtelijke procedure en het onregelmatige karakter ervan van belang zijn voor de beoordeling van de wettigheid van de handhaving van de betrokken maatregelen.

30

Dienaangaande moet om te beginnen eraan worden herinnerd dat in het arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad (T‑256/11, EU:T:2014:93), in hogere voorziening bevestigd bij arrest van 5 maart 2015, Ezz e.a./Raad (C‑220/14 P, EU:C:2015:147), een ruime uitlegging is gegeven aan de algemene criteria in artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172/GBVB van de Raad van 21 maart 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte (PB 2011, L 76, blz. 63) (arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punt 67, in hogere voorziening bevestigd bij arrest van 5 maart 2015, Ezz e.a./Raad, C‑220/14 P, EU:C:2015:147, punten 72, 77, 82 en 84).

31

Daarenboven moet in herinnering worden gebracht dat het Gerecht in verschillende arresten in zaken betreffende de nietigverklaring van beperkende maatregelen van de Raad vanwege de situatie in Tunesië hetzelfde beginsel van ruime uitlegging heeft toegepast op artikel 1, lid 1, van besluit 2011/72, waarvan de bewoordingen bijna identiek zijn aan die van artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172 (arresten van 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punt 114; 30 juni 2016, CW/Raad, T‑224/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:375, punt 91; 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 85, en 30 juni 2016, CW/Raad, T‑516/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:377, punt 71).

32

In dit verband strekt besluit 2011/72, zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, ervan, tot het bevriezen van de activa van personen die verantwoordelijk zijn voor het verduisteren van Tunesische overheidsgelden en van de met hen geassocieerde personen, wier namen voorkomen op de bijlage bij dit besluit. Volgens de bewoordingen van overweging 2 van dat besluit „beroven” die verduisteringen van overheidsgelden, door het functioneren van de Tunesische overheidsinstellingen en overheidsorganen te belemmeren, namelijk „de Tunesische bevolking van de voordelen van een duurzame ontwikkeling van haar economie en samenleving, en ondermijnen [zij] de ontwikkeling van de democratie in het land”.

33

Bovendien volgt volgens de rechtspraak uit artikel 1, lid 1, van besluit 2011/72, gelezen in het licht van de overwegingen 1 en 2 ervan, dat de in dit besluit geregelde bevriezing van vermogensbestanddelen niet beoogt de laakbare praktijken te bestraffen waaraan de genoemde personen zich zouden hebben schuldig gemaakt en evenmin bedoeld is om deze personen onder dwang ervan te doen afzien zich over te geven aan dergelijke praktijken. Die bevriezing van vermogensbestanddelen is alleen bedoeld om de vaststelling door de Tunesische autoriteiten van gepleegde verduisteringen van overheidsgelden te vergemakkelijken en deze autoriteiten in staat te stellen de opbrengst van die verduisteringen in te vorderen. Dientengevolge is de bevriezing een zuiver bewarende maatregel die geen strafrechtelijke connotatie heeft (arresten van 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punten 81 en 82, en 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punten 62 en 64; zie ook in die zin en naar analogie arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punten 77, 78 en 206).

34

Gelet op de doelstellingen van besluit 2011/72 moet inzonderheid het begrip „personen die verantwoordelijk zijn voor het verduisteren van Tunesische overheidsgelden” niet alleen de personen omvatten die verantwoordelijk zijn bevonden voor dergelijke feiten, maar ook de personen naar wie gerechtelijke onderzoeken lopen om die verantwoordelijkheid vast te stellen (arresten van 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punt 124; 30 juni 2016, CW/Raad, T‑224/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:375, punt 100; 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 86, en 30 juni 2016, CW/Raad, T‑516/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:377, punt 80).

35

De verschillende onderdelen van het eerste middel dienen dus op basis van deze uitlegging van artikel 1, lid 1, van besluit 2011/72, die overigens door verzoeker niet ter discussie wordt gesteld (zie punt 29 hierboven), te worden onderzocht. Tevens moet worden benadrukt dat het eerste middel, ondanks het feit dat de terminologie van het verzoekschrift soms incoherent is, moet worden geacht betrekking te hebben op een onjuiste juridische kwalificatie van de gegevens die de feitelijke grondslag voor de litigieuze beperkende maatregelen vormen en niet op het ontbreken van een rechtsgrondslag voor deze maatregelen.

– Eerste onderdeel van het eerste middel: de Raad heeft geen rekening gehouden met de gunstige ontwikkelingen van de verschillende gerechtelijke procedures ten aanzien van verzoeker in Tunesië

36

In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel stelt verzoeker in wezen dat de voor hem gunstige ontwikkelingen van de gerechtelijke procedures tot gevolg hebben dat het onwaarschijnlijk is dat hij in het kader van een proces zal worden berecht. Hij baseert dit betoog op drie gronden. In de eerste plaats baseert hij zich op een arrest van de Tunesische Cour de cassation (hoogste rechterlijke instantie) van 1 juli 2014, waarin werd geoordeeld dat de activa die hij van zijn vader had geërfd in de zin van het Tunesische wetsbesluit nr. 2011‑47 van 31 mei 2011, de opbrengsten uit die activa en de herinvestering ervan omvatten. Volgens hem toont dat arrest aan dat hij zijn Tunesische activa rechtmatig heeft verkregen. In de tweede plaats beroept hij zich op drie arresten van Tunesische rechterlijke instanties van respectievelijk 28 mei 2013, 21 augustus 2014 en 17 december 2014, waarbij de tegen hem uitgevaardigde verboden om het land te verlaten werden opgeheven. In de derde plaats stelt hij dat hij niet wordt beschuldigd van het bezit van illegale activa buiten Tunesië. In zijn repliek voegt hij daaraan toe dat de Raad zich ervan diende te vergewissen of hij binnen een redelijke termijn kon worden berecht, en als dat niet het geval was, diende de Raad de litigieuze beperkende maatregelen in te trekken op het gevaar af betrokken te raken bij de onrechtmatige praktijken van de Tunesische autoriteiten, die volgens hem erin bestaan de gerechtelijke procedures ten aanzien van hem oneindig te verlengen.

37

De Raad brengt hier als verweer om te beginnen tegen in dat het arrest van de Tunesische Cour de cassation van 1 juli 2014, anders dan verzoeker beweert, niet aantoont dat hij al zijn activa in Tunesië rechtmatig heeft verkregen. Voorts verklaart de Raad dat verzoekers argumenten betreffende de opheffing van de tegen hem uitgevaardigde verboden om naar het buitenland te reizen en het ontbreken van een verband tussen de tegen hem geuite beschuldigingen en de activa die hij buiten Tunesië bezit niet relevant zijn. Volgens de Raad stelt verzoeker aldus de litigieuze beperkende maatregelen ten onrechte gelijk met rechtsbijstandsvoorzieningen.

38

In dat opzicht moet verzoekers argumentatie in het kader van het eerste onderdeel, gelet op de in de bovenstaande punten 33 en 34 aangehaalde rechtspraak, worden afgewezen.

39

De Raad moet in casu namelijk nagaan of op basis van het bewijsmateriaal in zijn bezit kan worden aangetoond dat ten aanzien van verzoeker een of meerdere gerechtelijke procedures lopen wegens feiten die als verduistering van overheidsgelden kunnen worden aangemerkt, en voorts of verzoeker op grond van die procedure(s) kan worden gekwalificeerd als een persoon die verantwoordelijk is voor dergelijke verduistering of als een persoon die met een dergelijke verantwoordelijke persoon is geassocieerd, in de zin van artikel 1, lid 1, van besluit 2011/72 (zie in die zin arresten van 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punt 156, en 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 65).

40

Aldus staat het in het kader van dit besluit in beginsel niet aan de Raad om zelf te onderzoeken en te beoordelen of de gegevens waarop de gerechtelijke procedures ten aanzien van de personen wier naam in de bijlage bij dat besluit is opgenomen relevant en exact zijn. Zoals hierboven in punt 33 is uiteengezet, beoogt de Raad met de vaststelling van dat besluit en de latere besluiten immers niet zelf de verduisteringen van overheidsgelden waarnaar de Tunesische autoriteiten onderzoek doen te bestraffen, maar tracht hij deze autoriteiten in staat stellen die verduisteringen vast te stellen en de opbrengst ervan in te vorderen. Het staat dus aan de bevoegde Tunesische autoriteiten om die gegevens te onderzoeken en daaruit de passende conclusies te trekken (zie in die zin arresten van 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punt 158, en 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 66). In beginsel moet de Raad of het Gerecht dus niet nagaan of dergelijke procedures gegrond zijn, maar alleen of het besluit tot bevriezing van fondsen, gelet op de door de Tunesische autoriteiten verstrekte gegevens, gegrond is (zie in die zin en naar analogie arrest van 5 maart 2015, Ezz e.a./Raad, C‑220/14 P, EU:C:2015:147, punt 77).

41

Het is juist dat de Raad de vaststellingen van de Tunesische rechterlijke instanties in de stukken die deze instanties hebben overgelegd niet zonder meer kan bevestigen. Uit de rechtspraak volgt namelijk dat de Raad het bewijsmateriaal dat hem door de bevoegde autoriteiten, in casu de Tunesische autoriteiten, is toegezonden, zorgvuldig en onpartijdig dient te onderzoeken in het licht van, met name, de door verzoeker ingediende opmerkingen en eventuele bewijzen à décharge. Deze verplichting vloeit eveneens voort uit het in artikel 41 van het Handvest neergelegde beginsel van behoorlijk bestuur (zie in die zin en naar analogie arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 99 en 114; 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punten 158 en 159, en 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punten 58 en 67).

42

Uit dezelfde rechtspraak volgt evenwel dat de Raad, om zijn verplichting tot een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek na te komen, moet oordelen of het al dan niet nodig is dat de bevoegde autoriteiten, rekening houdend met verzoekers opmerkingen en de door hem aangedragen feitelijke gegevens, aanvullende inlichtingen of bewijsstukken verschaffen. Hoewel het niet aan de Raad staat om in de plaats van de Tunesische rechterlijke instanties te beoordelen of het lopende gerechtelijk onderzoek ten aanzien van verzoeker gegrond is, kan met name niet worden uitgesloten dat deze instelling moet vragen om verduidelijkingen betreffende de gegevens waarop dat onderzoek is gebaseerd (zie in die zin en naar analogie arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 115, en 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 68).

43

In casu zij eraan herinnerd dat de Raad, zoals in punt 11 hierboven is uiteengezet, zich voor de verlenging van de plaatsing van verzoekers naam op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72 heeft gebaseerd op een attest van de Tunesische autoriteiten van 19 december 2014 betreffende het lopende gerechtelijk onderzoek ten aanzien van verzoeker. Dit attest, dat bij het verzoekschrift is gevoegd, is afkomstig van de tribunal de première instance de Tunis (rechtbank in eerste aanleg Tunis, Tunesië) en is ondertekend door de griffier van de eerste onderzoeksrechter (kabinet nr. 1). In dat attest staat dat „het vooronderzoek met referentie nr. 19592/1 naar Zine El Abidine Ben Haj Hamda Ben Haj Hassen Ben Ali en consorten in behandeling is en betrekking heeft op de genoemde Mohamed Marouen Ben Ali Ben Mohamed Mabrouk, die met name wordt vervolgd wegens medeplichtigheid aan de verduistering van overheidsgelden door een openbaar ambtsdrager; medeplichtigheid aan machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel voor een derde te verkrijgen en de overheid verlies toe te brengen, en medeplichtigheid aan de uitoefening van onrechtmatige invloed op een openbaar ambtsdrager teneinde direct of indirect een voordeel voor een derde te verkrijgen”.

44

Verzoeker betwist niet dat dat attest volstaat om aan te tonen dat in Tunesië een gerechtelijk onderzoek ten aanzien van hem loopt om uit te maken of hij betrokken was bij feiten die als verduistering van overheidsgelden te kwalificeren zijn. De door verzoeker aangevoerde bewijzen à décharge beogen immers alleen aan te tonen, zoals hij zelf te kennen geeft, dat wat hem betreft aan het einde van dat onderzoek geen redelijk vooruitzicht voor berechting bestaat. Met andere woorden, verzoeker lijkt te stellen dat het onderzoek bewoog in de richting van een verzwakking van het voor hem belastende bewijsmateriaal tot zelfs de vaststelling dat er geen voor hem belastend bewijsmateriaal was. Daarentegen stelt hij helemaal niet te beschikken over gegevens die aantonen dat de Tunesische rechterlijke instanties dat onderzoek hebben afgesloten op grond dat hij niet hoefde te worden berecht voor de feiten waarop het onderzoek betrekking had.

45

Anders dan verzoeker stelt, kan, aangezien dat gerechtelijk onderzoek niet is beëindigd, het feit dat er sprake is van ontwikkelingen van de gerechtelijke procedures die erop wijzen dat het voor hem belastende bewijsmateriaal minder zwaar uitvalt, gesteld al dat dit bewezen is, de Raad er echter niet toe verplichten verzoekers naam te schrappen van de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72 zodra hij kennis heeft van die bewijzen.

46

Zoals hierboven in punt 40 is uiteengezet, staat het immers niet aan de Raad maar aan de bevoegde Tunesische autoriteiten om de gegevens te onderzoeken waarop dat gerechtelijk onderzoek is gebaseerd en om daaraan de nodige gevolgen te verbinden met het oog op de te nemen beslissing. In het andere geval zouden er situaties kunnen bestaan waarin de Raad voorbarige conclusies over de gegrondheid van dat onderzoek zou moeten trekken die kunnen afwijken van die van de Tunesische autoriteiten zelf. Een dergelijke situatie zou kunnen leiden tot het paradoxale resultaat dat op het ogenblik waarop de betrokken persoon door die autoriteiten wordt berecht en, in voorkomend geval, verantwoordelijk wordt bevonden voor verduistering van overheidsgelden, niet langer sprake is van bevriezing van zijn activa in de Europese Unie, waardoor de opbrengst van de hem aangerekende verduistering kan worden ingevorderd. In dat geval zou het nuttig effect van besluit 2011/72 vanzelfsprekend niet gegarandeerd zijn (zie in die zin en naar analogie arresten van 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punt 124, en 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 86).

47

Bovendien volgt uit de rechtspraak dat, ofschoon het aan de bevoegde autoriteit van de Unie staat om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon in aanmerking genomen redenen gegrond zijn en het niet aan deze laatste staat om aan te tonen dat die redenen ongegrond zijn, rekening moet worden gehouden met de aard en de specifieke draagwijdte van de beperkende maatregelen en de doelstelling ervan om de aard, de vorm en de intensiteit te beoordelen van het bewijs dat van de Raad kan worden verlangd (zie in die zin arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 121; 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punten 7485, en 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punten 50 en 74).

48

In het onderhavige geval dient verzoeker, gelet op het feit dat de Raad bewijzen heeft aangedragen voor het bestaan van een lopend gerechtelijk onderzoek ten aanzien van verzoeker en de betrouwbaarheid van die bewijzen niet wordt betwist, aan te geven op welke concrete elementen hij zich beroept om de gegrondheid van dat onderzoek ter discussie te stellen (zie in die zin en naar analogie arrest van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 74). Het is juist, zoals verzoeker in zijn repliek betoogt, dat de verplichting van de Raad om verificaties te verrichten kan worden gerechtvaardigd door het feit dat de Raad moet vermijden betrokken te raken bij eventuele onrechtmatige praktijken van de Tunesische autoriteiten, die erin bestaan dat zij dat onderzoek oneindig laten lopen terwijl zij helemaal geen voor hem belastend bewijs hebben. Dat kan echter niet het geval zijn wanneer geen concrete gegevens zijn verstrekt die bij de Raad legitieme vragen oproepen over de redenen waarom dat onderzoek niet is afgesloten.

49

Anders dan verzoeker stelt, zijn de door hem overgelegde bewijzen à décharge niet van dien aard dat zij legitieme vragen doen rijzen bij het vooruitzicht dat het jegens hem gevoerde gerechtelijk onderzoek zal uitmonden in een vonnis of over de redenen waarom dat onderzoek niet is afgesloten.

50

In de eerste plaats heeft verzoeker geen gegevens verstrekt waaruit kan worden afgeleid op welke wijze het arrest van de Tunesische Cour de cassation van 1 juli 2014 een invloed kan hebben op de beoordeling van zijn betrokkenheid bij de strafrechtelijke inbreuken waarop het jegens hem lopende gerechtelijk onderzoek betrekking heeft.

51

Volgens de verklaringen van verzoekers advocaat in Tunesië, die zijn opgenomen in zijn bij het verzoekschrift gevoegde brief van 2 september 2014, heeft de Tunesische Cour de cassation in dat verband geoordeeld dat de uit de nalatenschap afkomstige goederen die op grond daarvan waren uitgesloten van de werkingssfeer van de in het wetsbesluit nr. 2011‑47 van 31 mei 2011 geregelde confiscatie van goederen, niet alleen de goederen omvatten die door vererving waren overgegaan, maar ook de inkomsten uit deze goederen en de opbrengsten van allerhande herinvesteringen ervan. In de voormelde brief leidt verzoekers advocaat in Tunesië uit dat arrest af dat „de toepassing [ervan] ertoe zal leiden dat alle goederen [van verzoeker] uitgesloten zijn van de werkingssfeer van het wetsbesluit inzake confiscatie, gelet op het feit dat die goederen rechtstreeks afkomstig zijn van de nalatenschap van zijn vader of voortvloeien uit de herinvestering van die uit de nalatenschap afkomstige goederen en de inkomsten ervan”.

52

Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat louter op basis van de voornoemde overwegingen van het arrest van de Tunesische Cour de cassation van 1 juli 2014 helemaal niet kan worden uitgesloten dat in het kader van het lopende gerechtelijk onderzoek ten aanzien van verzoeker tot de conclusie wordt gekomen dat hij verantwoordelijk is voor verduistering van Tunesische overheidsgelden.

53

Uit die overwegingen kan immers alleen worden afgeleid dat de inkomsten uit verzoekers goederen die hij door vererving heeft verworven en de opbrengsten van hun herinvestering niet het voorwerp kunnen zijn van de confiscatie als bedoeld in het wetsbesluit nr. 2011‑47 van 31 mei 2011. Daarentegen kunnen daaraan geen gevolgen worden verbonden ter zake van de uitkomst van het aan de orde zijnde gerechtelijk onderzoek. De bewering van verzoeker, gesteld al dat zij is bewezen, dat hij als gevolg van dat arrest vrij kan beschikken over zijn Tunesische tegoeden, loopt dus geenszins vooruit op de uitkomst van dat onderzoek, die, gelet op de feiten waarop het betrekking heeft, de rechtmatigheid van het bezit door verzoeker van bepaalde van zijn activa op de helling kan zetten.

54

Verzoeker was overigens niet in staat om duidelijk het verband te leggen tussen, enerzijds, dat besluit en de civiele procedure in het kader waarvan de Tunesische Cour de cassation op 1 juli 2014 uitspraak heeft gedaan en, anderzijds, het aan de orde zijnde gerechtelijk onderzoek. Zo heeft hij als antwoord op de daaromtrent ter terechtzitting gestelde vragen slechts bevestigd dat het wetsbesluit nr. 2011‑47 van 31 mei 2011, behalve op hem, ook van toepassing is op een bepaald aantal personen naar wie vergelijkbare gerechtelijke onderzoeken lopen en dat het mogelijk was dat de zaak waarin dat arrest was uitgesproken, niet alleen op hem, maar ook op sommige van die personen betrekking had. Het feit dat – parallel met de gerechtelijke onderzoeken ten aanzien van verzoeker en andere personen – de werkingssfeer van de bestuurlijke maatregelen tot confiscatie van goederen, die de Tunesische autoriteiten tegen hen hebben genomen, door een beslissing van de Tunesische Cour de cassation is ingeperkt, volstaat niet om legitieme vragen op te roepen over de gegrondheid van die gerechtelijke onderzoeken.

55

In de tweede plaats lijkt de opheffing van de ten aanzien van verzoeker uitgevaardigde verboden om Tunesië te verlaten door drie arresten van Tunesische rechterlijke instanties van 28 mei 2013, 21 augustus 2014 en 17 december 2014 evenmin van aard te zijn om dergelijke vragen op te roepen. Uit verzoekers verklaringen en de processtukken komt immers naar voren dat de betrokken arresten zijn uitgesproken in het kader van zaken die losstaan van de strafzaak die aanleiding heeft gegeven tot dat onderzoek, dat op de datum van vaststelling van besluit 2015/157 nog steeds liep. Overigens stelt verzoeker geenszins dat die arresten zijn uitgesproken in zaken die op een of andere manier samenhangen met dat onderzoek. Bovendien is de omstandigheid dat verzoeker als gevolg van dezelfde arresten Tunesië vrij zou mogen verlaten, gesteld al dat dit zo zou zijn, volslagen irrelevant.

56

Het is waar dat de in het eerste van voornoemde arresten uitgesproken opheffing van het verbod om het Tunesische grondgebied te verlaten blijkens de processtukken volgt op de vrijspraak – in datzelfde arrest – van verzoeker in een zaak waarin hij voor de betrokken rechterlijke instantie was gedaagd voor feiten die vergelijkbaar zijn met die welke het voorwerp van het betrokken gerechtelijk onderzoek zijn. Het is niet aangetoond of zelfs maar beweerd dat de vrijspraak van verzoeker in die zaak zijn vrijspraak zou meebrengen in de zaak waarop dat onderzoek betrekking heeft of een bewijs à décharge in deze laatste zaak zou vormen.

57

In de derde plaats moet ter zake van verzoekers argument dat hij niet ervan wordt „beschuldigd” van het bezit van illegale activa buiten Tunesië, eraan worden herinnerd dat het feit dat het aan de orde zijnde gerechtelijk onderzoek betrekking heeft op feiten die te kwalificeren zijn als verduistering van overheidsgelden, een toereikende feitelijke basis biedt om de bevriezing van zijn activa in de Unie te rechtvaardigen. Zoals in punt 33 hierboven te kennen is gegeven, is deze maatregel immers alleen bedoeld om de vaststelling door de Tunesische autoriteiten van verduistering van overheidsgelden te vergemakkelijken en om deze autoriteiten in staat te stellen de opbrengst van die verduistering in te vorderen. Zij is dus niet bedoeld om de vaststelling van een misdrijf van bezit van illegale activa buiten Tunesië, en meer specifiek in de Unie, mogelijk te maken. Daarenboven wordt niet betwist dat de feiten waarop dat onderzoek betrekking heeft, in het bijzonder de feiten inzake medeplichtigheid aan de verduistering van overheidsgelden door een openbaar ambtsdrager, een directe en duidelijke band vertonen met het begrip „verduistering van overheidsgelden” in de zin van artikel 1, lid 1, van besluit 2011/72. Bijgevolg is de omstandigheid dat het attest van de Tunesische autoriteiten van 19 december 2014, waarop de Raad zich baseert, en derhalve de motivering voor plaatsing van verzoekers naam, niet verwijst naar feiten inzake het bezit van illegale activa buiten Tunesië, en met name in de Unie, niet van belang (zie in die zin en naar analogie arrest van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 116).

58

Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

– Tweede onderdeel van het eerste middel: de Raad heeft geen rekening gehouden met de schending van het beginsel van een redelijke procestermijn in het kader van het ten aanzien van verzoeker lopende gerechtelijk onderzoek

59

In het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel stelt verzoeker dat het in Tunesië ten aanzien van hem lopende gerechtelijk onderzoek het beginsel van een redelijke procestermijn niet in acht neemt. Hij benadrukt in dit verband dat dit beginsel is neergelegd in artikel 7, lid 1, onder d), van het Afrikaanse handvest van de rechten van de mens en de volkeren, dat op 27 juni 1981 in Nairobi (Kenia) is goedgekeurd (hierna: „Afrikaans Handvest”) en door de Republiek Tunesië werd geratificeerd. Voorts voert hij aan dat het onderzoek in de onderhavige zaak al meer dan vier jaar duurt zonder enig vooruitzicht op de afsluiting ervan. Hij voegt daaraan toe dat die termijn uitsluitend te wijten is aan de Tunesische autoriteiten. Ten slotte komt hij tot het besluit dat het onderzoek, gelet op de duur ervan en de voor hem tussentijdse gunstige ontwikkelingen, ten onrechte nog niet is afgesloten. Volgens verzoeker worden deze argumenten bevestigd door het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) van 3 mei 2012, Masár tegen Slowakije (CE:ECHR:2012:0503JUD006688209). In zijn repliek preciseert verzoeker in wezen dat de controle die de Raad volgens hem moet uitoefenen op de regelmatigheid van de gerechtelijke procedure in Tunesië, moet leiden tot de schrapping van zijn naam van de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72 op grond dat er ingevolge de verlenging van die procedure geen sprake meer is van een redelijke termijn.

60

De Raad antwoordt hierop dat het niet aan hem staat om het gedrag van derde staten te beoordelen, maar alleen om te oordelen of het door de autoriteiten van deze staten overgelegde bewijsmateriaal ter zake doet en toereikend is. Volgens de Raad heeft hij op basis van deze beginselen aan verzoeker in de hem op 4 februari 2015 toegezonden brief te kennen gegeven dat hij nota nam van zijn argumenten en dat hij de situatie vóór juli 2015 aan een nieuw onderzoek zou onderwerpen. In zijn dupliek heeft de Raad daaraan toegevoegd dat hij over gegevens beschikt die aantonen dat de gerechtelijke procedure ten aanzien van verzoeker in Tunesië loopt en dat de termijnen van die procedure, gelet op de complexiteit van alle betrokken zaken, niet onredelijk zijn. Hij voegt de documenten waarin die gegevens zijn vermeld toe aan de dupliek.

61

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de wettigheid van een handeling van de Unie moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de juridische situatie op de datum waarop die handeling werd vastgesteld (zie arresten van 3 september 2015, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Commissie, C‑398/13 P, EU:C:2015:535, punt 22en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 september 2015, NIOC e.a. /Raad, T‑577/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:596, punt 112en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu kunnen de in het kader van dit onderdeel geformuleerde grieven van verzoeker niet worden onderzocht in het licht van gegevens die dateren van na besluit 2015/157. Dat is het geval voor het schrijven van 4 februari 2015 van de Raad aan verzoeker en des te meer voor het nieuwe onderzoek van verzoekers situatie, dat de Raad – in dat schrijven – had beloofd later te verrichten. Evenzo zijn de bij de dupliek gevoegde documenten, waarop de Raad zich in de dupliek baseert om aan te tonen dat de duur van de gerechtelijke procedure ten aanzien van verzoeker in Tunesië niet onredelijk is, door de Tunesische autoriteiten op 11 mei 2015 opgesteld. Bijgevolg waren die documenten op datum van vaststelling van besluit 2015/157 niet bekend bij de Raad en kunnen zij niet in aanmerking worden genomen door het Gerecht.

62

Ten gronde betoogt verzoeker in het kader van dit onderdeel in wezen dat de Raad, gelet op het feit dat de gerechtelijke procedure ten aanzien van hem niet in overeenstemming is met het beginsel van een redelijke procestermijn en daardoor onrechtmatig is, de vermelding van zijn naam in de bijlage bij besluit 2011/72 niet kon handhaven op grond van die procedure. Derhalve moet het Gerecht in het kader van het onderhavige onderdeel alleen toetsen of de Raad al dan niet terecht van mening was dat de duur van die gerechtelijke procedure geen reden was om de beperkende maatregelen ten aanzien van verzoeker te beëindigen.

63

Om dezelfde redenen als die welke in punt 46 hierboven zijn vermeld, moet in dat verband worden opgemerkt dat de Tunesische rechterlijke instanties uitspraak moeten doen over een eventuele schending van het beginsel van een redelijke procestermijn in het kader van de gerechtelijke procedure ten aanzien van verzoeker. Zoals verzoeker zelf te kennen geeft, is de Republiek Tunesië met name partij bij het Afrikaans Handvest en het recht op berechting door een onpartijdige rechterlijke instantie binnen een redelijke termijn is neergelegd in artikel 7, lid 1, onder d), van dit internationaal verdrag. Bijgevolg dienen de Tunesische rechterlijke instanties, in voorkomend geval nadat verzoeker beroep bij hen heeft ingesteld, te bepalen of dit artikel in het kader van die gerechtelijke procedure in acht is genomen. Overigens zijn noch de Unie, noch de lidstaten partij bij het Afrikaans Handvest, zodat de Raad en het Gerecht dat internationaal verdrag niet kunnen uitleggen of toepassen (zie in die zin arrest van 21 december 2011, Air Transport Association of America e.a., C‑366/10, EU:C:2011:864, punten 52 en 62).

64

Het is waar dat uit de rechtspraak volgt dat de beginselen van de rechtsstaat, de mensenrechten en de menselijke waardigheid bij elk optreden van de Unie in acht dienen te worden genomen, ook op het gebied van het GBVB, zoals blijkt uit de gecombineerde bepalingen van artikel 21, lid 1, eerste alinea, artikel 21, lid 2, onder b), artikel 21, lid 3, en artikel 23 VEU (zie in die zin arrest van 14 juni 2016, Parlement/Raad, C‑263/14, EU:C:2016:435, punt 47). In het bijzonder moet erop worden gewezen dat artikel 21, lid 1, VEU bepaalt dat het internationaal optreden van de Unie gericht is op de wereldwijde verspreiding van, onder andere, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de eerbiediging van het internationaal recht. Het beginsel van een eerlijke procestermijn is een onderdeel van het recht op een eerlijk proces, dat beschermd wordt door de bepalingen van verschillende rechtens bindende instrumenten van het internationaal recht, met name door artikel 14, lid 3, onder c), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat op 16 december 1966 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarbij alle lidstaten en de Republiek Tunesië partij zijn. Daarenboven zijn blijkens overweging 1 van besluit 2011/72 dit besluit en de daaropvolgende besluiten vastgesteld in het kader van een beleid ter ondersteuning van Tunesië, dat met name is gebaseerd op de doelstellingen van bevordering van de eerbiediging van de in artikel 21, lid 2, onder b), VEU vermelde rechten van de mens en de rechtsstaat.

65

Bijgevolg kan niet worden uitgesloten dat wanneer objectieve, betrouwbare, precieze en eensluidende gegevens voorhanden zijn die legitieme vragen kunnen oproepen over de eerbiediging van verzoekers recht op een redelijke procestermijn in het kader van het lopende gerechtelijk onderzoek ten aanzien van hem, en die de grondslag bieden voor de bevriezing van zijn activa in de Unie, de Raad de nodige verificaties verricht

66

Dit onderdeel van het eerste middel berust evenwel op het postulaat dat de Raad, gelet op de buitensporige duur van dat gerechtelijk onderzoek – dat volgens verzoeker reeds had moeten afgesloten zijn – en dus op het onrechtmatige karakter van dat onderzoek, de bevriezing van zijn activa in de Unie onmiddellijk had moeten beëindigen. Dit postulaat kan echter niet worden aanvaard.

67

In de eerste plaats moet namelijk worden opgemerkt dat niet is aangetoond of zelfs maar beweerd dat naar Tunesisch recht schending van het beginsel van de redelijke procestermijn in het kader van een strafprocedure leidt tot de beëindiging of de annulering van die procedure.

68

Bovendien verwijst verzoeker naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: „EHRM”) ter zake van de toepassing in strafprocedures van het beginsel van de eerlijke procestermijn, dat is neergelegd in artikel 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”). Die rechtspraak is in casu inderdaad een relevant vergelijkingspunt aangezien artikel 6, lid 1, van het EVRM dat beginsel op dezelfde wijze beschermt als artikel 14, lid 3, onder c), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en als artikel 7, lid 1, onder d), van het Afrikaans Handvest. Niettemin moet worden vastgesteld dat het EHRM, in het kader van die rechtspraak, uit dit beginsel niet heeft afgeleid dat de nationale autoriteiten een buitensporig lange strafprocedure dienen te beëindigen (zie in die zin EHRM, arrest van 28 juni 2016, O’Neill en Lauchlan tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2016:0628JUD004151610, punt 87).

69

Overigens moet worden opgemerkt dat het EHRM zelfs in het kader van de toepassing van artikel 5, lid 3, EVRM, dat bepaalt dat eenieder die is gearresteerd of gedetineerd, binnen een redelijke termijn moet worden berecht, niet van oordeel is dat schending van dat vereiste tot de beëindiging van het betrokken gerechtelijk onderzoek leidt. Het EHRM is inderdaad van oordeel dat de zaak van de betrokken persoon in dat geval bijzonder snel moet worden behandeld. Hij is evenwel ook van oordeel dat de bijzondere spoed waarop een aangehouden verdachte bij het onderzoek van zijn zaak recht heeft, de inspanningen van de magistraten om zich met de gepaste zorgvuldigheid van hun taak te kwijten niet mag ondermijnen (EHRM, arresten van 11 december 2007, Pecheur tegen Luxembourg, CE:ECHR:2007:1211JUD001630802, punt 62, en 5 november 2009, Shabani tegen Zwitserland, CE:ECHR:2009:1105JUD002904406, punt 65).

70

Bijgevolg is er geen reden om aan te nemen dat de eventuele schending van verzoekers recht op een redelijke procestermijn in het kader van de gerechtelijke procedure ten aanzien van hem in Tunesië tot de beëindiging of annulering van die procedure moet leiden.

71

In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat, gelet op de rechtspraak van het EHRM, de eerbiediging van het recht op een redelijke procestermijn, zoals neergelegd in het internationaal recht, moet worden onderzocht in het licht van de omstandigheden van het individuele geval, die globaal moeten worden beoordeeld, met name op basis van de criteria in verband met de complexiteit van de zaak en het gedrag van de verzoeker en de bevoegde autoriteiten (zie EHRM, arrest van 28 juni 2016, O’Neill en Lauchlan tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2016:0628JUD004151610, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Soortgelijke beginselen gelden wanneer in de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie wordt onderzocht of het in artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van de redelijke procestermijn in acht is genomen (zie in die zin arrest van 26 november 2013, Group Gascogne/Commissie, C‑58/12 P, EU:C:2013:70, punten 85 en 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72

Gesteld al dat de Raad een dergelijke globale beoordeling in het licht van de omstandigheden van de onderhavige zaak zou kunnen verrichten, dan zou hij daartoe noodzakelijkerwijs aanvullende inlichtingen over de betrokken gerechtelijke procedure bij de Tunesische autoriteiten moeten inwinnen. Uit de punten 43, 44 en 45 hierboven blijkt immers dat de Raad, om de opneming van verzoekers naam in de bijlage bij besluit 2011/172 te handhaven, in casu alleen bewijzen moet aandragen voor het bestaan van een lopende gerechtelijke procedure ten aanzien van verzoeker voor feiten die te kwalificeren zijn als verduistering van overheidsgelden. Gelet op de in punt 71 hierboven vermelde vereisten, volstaan dergelijke bewijzen evenwel uiteraard niet om te oordelen of verzoekers recht op een redelijke procestermijn is geschonden in het kader van die procedure. Bovendien waren de door verzoeker verstrekte gegevens, gesteld al dat zij van aard zijn om legitieme vragen over de eerbiediging van dat recht op te roepen, voor de Raad hoe dan ook niet toereikend om te concluderen tot schending van dat recht.

73

De Raad kon dus niet gehouden zijn verzoekers naam in de bijlage bij besluit 2011/72 te schrappen zonder de passende verificaties bij de Tunesische autoriteiten te hebben verricht.

74

In het bijzonder moet erop worden gewezen dat verzoeker in zijn opmerkingen van 15 januari 2015 de gegevens aan de Raad heeft verstrekt die hij in het kader van het onderhavige beroep aanvoert ter ondersteuning van zijn stelling dat de Tunesische autoriteiten zijn recht op een redelijke procestermijn hebben geschonden. Volgens artikel 1, lid 1, van besluit 2014/49 liep de verlenging van de uit dit besluit voortvloeiende beperkende maatregelen tegen verzoeker echter af op 31 januari 2015. Daarenboven is besluit 2015/157 op dezelfde dag in werking getreden. Zelfs indien die gegevens van aard zouden zijn geweest om verificaties door de Raad bij de Tunesische autoriteiten te rechtvaardigen, kon van deze instelling bijgevolg niet worden verlangd dat zij die controles had verricht en daaruit de conclusies had getrokken binnen de termijn van amper twee weken waarover zij beschikte voordat besluit 2014/49 niet langer effect sorteerde ten aanzien van verzoeker en voor de vaststelling van een nieuw soortgelijk besluit.

75

Uit een en ander volgt dat verzoeker dus ten onrechte stelt dat de Raad louter op basis van die gegevens zijn naam in de bijlage bij besluit 2011/172 had moeten schrappen.

76

Die gegevens waren hoe dan ook niet van aard om bij de Raad legitieme vragen op te roepen die konden rechtvaardigen dat hij zou overgaan tot aanvullende verificaties bij de Tunesische autoriteiten.

77

De duur van de betrokken gerechtelijke procedure, die volgens verzoeker vier jaar bedraagt, is op het eerste gezicht namelijk niet kennelijk buitensporig lang, aangezien in casu, zoals uit de bij het verzoekschrift gevoegde documenten blijkt, sprake is van een procedure wegens verduistering van overheidsgelden die verband houdt met andere verknochte gerechtelijke procedures waarbij talrijke andere personen zijn betrokken en waarvoor onderzoeken in het buitenland moeten worden gevoerd. Bovendien kan het door verzoeker ter ondersteuning van zijn betoog aangehaalde voorbeeld betreffende de behandeling door de Tunesische autoriteiten van zijn verzoek om zijn zaak en die van andere personen afzonderlijk te behandelen, louter op zichzelf geen belangrijke aanwijzing vormen voor een buitensporige duur van de gerechtelijke procedure in haar geheel. Hieraan moet worden toegevoegd dat verzoeker in zijn opmerkingen van 15 januari 2015 verklaart dat de feiten waarvoor de Tunesische rechterlijke instanties jegens hem een onderzoek voeren, tijdens het vooronderzoek anders zijn gekwalificeerd. Een dergelijke omstandigheid kan een extra element in de zaak zijn die de duur van die procedure kan verklaren. Daarenboven lijkt de beëindiging van die procedure, anders dan verzoeker stelt, om de in de punten 49 tot en met 58 hierboven vermelde redenen niet te kunnen worden gerechtvaardigd door de verschillende voor verzoeker gunstige ontwikkelingen van de gerechtelijke procedures, waarop hij zich beroept in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel.

78

Aan de voorgaande overwegingen kan geen afbreuk worden gedaan door het arrest van het EHRM van 3 mei 2012, Masár tegen Slowakije (CE:ECHR:2012:0503JUD006688209), waarnaar verzoeker verwijst om het onderhavige onderdeel te staven. Die zaak betreft immers een strafprocedure wegens feiten die helemaal niet overeenstemmen met die waarop het in Tunesië jegens verzoeker lopende gerechtelijk onderzoek betrekking heeft. Het feit dat het EHRM in dat arrest heeft geoordeeld dat de duur van de betrokken strafprocedure, die vergelijkbaar was met die van voormeld onderzoek, niet verenigbaar was met het in artikel 6, lid 1, EVRM neergelegde beginsel van een eerlijke procestermijn, doet dus niet ter zake. Dezelfde redenering geldt voor de arresten van dezelfde rechterlijke instantie die verzoeker ter terechtzitting heeft aangehaald.

79

Uit een en ander volgt dat het tweede onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.

– Derde onderdeel van het eerste middel: de Raad heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangezien hij ten onrechte van mening was dat de door de Tunesische autoriteiten verstrekte gegevens aantoonden dat er vervolgingen ten aanzien van verzoeker waren ingesteld

80

Ter ondersteuning van het onderhavige onderdeel stelt verzoeker dat de Raad ten onrechte heeft overwogen dat het attest van de Tunesische autoriteiten van 19 december 2014 aantoonde dat er ten aanzien van hem in Tunesië vervolgingen waren ingesteld, terwijl in dat attest alleen sprake is van een lopend onderzoek. Dat attest bood aldus geen toereikende feitelijke basis voor besluit 2015/157.

81

Dit betoog kan niet worden aanvaard.

82

In de eerste plaats heeft verzoekers betoog namelijk betrekking op de brief van de Raad van 4 februari 2015, waarin de Raad te kennen geeft dat het attest van de Tunesische autoriteiten van 19 december 2014 bevestigt dat verzoeker op basis van de artikelen 32, 87, 96 en 99 van het Tunesisch strafwetboek wordt vervolgd voor medeplichtigheid aan verduistering van overheidsgelden. Het gaat daarbij evenwel om een document dat dateert van na de vaststelling van besluit 2015/157. Voorts wordt in de motivering voor opneming van verzoekers naam in de bijlage bij besluit 2011/72, zoals gewijzigd bij besluit 2014/49 en verlengd bij besluit 2015/157, niet vermeld dat vervolgingen ten aanzien van verzoeker zijn ingesteld, maar alleen dat er gerechtelijke onderzoeken ten aanzien van hem lopen. De handhaving van de beperkende maatregelen ten aanzien van verzoeker uit hoofde van besluit 2015/157 berust dus niet op het feit dat verzoeker wordt vervolgd wegens de feiten die in die motivering voor plaatsing zijn vermeld.

83

In de tweede plaats vormde het feit dat er gerechtelijke onderzoeken wegens feiten in verband met publieke verduistering lopen, waarop die motivering voor plaatsing is gebaseerd, zoals in punt 34 hierboven in herinnering is gebracht en zoals verzoeker zelf in het kader van het onderhavige middel erkent, in beginsel een toereikende grondslag om de beperkende maatregelen vast te stellen. In deze omstandigheden zou die onjuiste rechtsopvatting, zelfs indien de Raad ten onrechte van mening zou zijn geweest dat het attest van de Tunesische autoriteiten van 19 december 2014 aantoonde dat gerechtelijke vervolgingen ten aanzien van verzoeker waren ingesteld, zonder gevolg blijven.

84

Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat voormeld attest, dat verzoeker zelf bij het verzoekschrift heeft gevoegd, vermeldt dat er vervolgingen ten aanzien van verzoeker zijn ingesteld. In de tekst van het attest, opgesteld in het Frans, wordt immers bepaald dat „de onderzoekszaak met als referentie nr. 19592/1 [...] in behandeling is en betrekking heeft op de genoemde Mohamed Marouen Ben Ali Ben Mohamed Mabrouk, die met name wordt vervolgd wegens medeplichtigheid aan de verduistering van overheidsgelden door een openbaar ambtsdrager; medeplichtigheid aan machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel voor een derde te verkrijgen en de overheid verlies toe te brengen, en medeplichtigheid aan de uitoefening van onrechtmatige invloed op een openbaar ambtsdrager teneinde direct of indirect een voordeel voor een derde te verkrijgen”. De feitelijke premisse waarop het onderhavige onderdeel van het eerste middel is gebaseerd, is dus onjuist.

85

Derhalve moeten het derde onderdeel van het eerste middel en daarmee het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen.

Tweede middel: schendingen van verzoekers grondrechten in de procedure tot vaststelling van besluit 2015/157

– Eerste onderdeel van het tweede middel: schending van artikel 47 van het Handvest op grond dat de Raad zelf het beginsel van een eerlijke procestermijn niet heeft geëerbiedigd

86

Ter onderbouwing van het eerste onderdeel van het tweede middel stelt verzoeker in wezen dat artikel 47 van het Handvest in casu van toepassing is omdat de beperkende maatregelen die de Raad tegen hem heeft genomen verband houden met een gerechtelijke procedure. Om aan te tonen dat het beginsel van de redelijke procestermijn is geschonden, verwijst hij naar zijn betoog in het kader van het eerste middel. Volgens verzoeker is de verplichting van de Raad om het in artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van de redelijke procestermijn te eerbiedigen, bevestigd in de rechtspraak van het Hof. In zijn repliek bestrijdt hij de argumenten van de Raad door te stellen dat het niet van belang is dat de Raad in casu niet heeft gehandeld in het kader van zijn rechterlijke bevoegdheden. Volgens verzoeker doet het daarenboven evenmin ter zake dat het nieuwe onderzoek door de Raad aan de vereisten van artikel 47 van het Handvest voldoet, aangezien de Raad geen onpartijdige en onafhankelijk rechterlijke instantie is.

87

De Raad van zijn kant voert als verweer aan dat hij bij zijn optreden in de onderhavige zaak geen rechtsprekende functies heeft uitgeoefend aangezien die functies in het kader van het institutionele stelsel van de Unie voorbehouden zijn aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Daarenboven heeft het Gerecht al geoordeeld dat maatregelen zoals de litigieuze beperkende maatregelen niet van rechterlijke aard waren. Voorts is de Raad van mening dat, gesteld al dat het in artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van een redelijke procestermijn voor hem zou gelden, de duur van de voor hem aanhangige procedure geen schending van het vereiste van een redelijke termijn heeft opgeleverd, aangezien hij elk jaar opnieuw heeft onderzocht of verzoekers naam moest worden gehandhaafd op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72.

88

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoekers betoog in het kader van dit middel niet kan worden onderzocht in het licht van artikel 47 van het Handvest.

89

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens de bewoordingen van artikel 47, lid 2, eerste volzin, van het Handvest eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Daarenboven moet eveneens in herinnering worden gebracht dat het Handvest volgens artikel 51, lid 1, ervan gericht is tot de instellingen, organen en instanties van de Unie alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Voorts bepaalt lid 2 van dit laatste artikel dat het Handvest het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uitbreidt dan de bevoegdheden van de Unie reiken, geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie schept, noch de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken wijzigt.

90

In het licht van artikel 51, leden 1 en 2, van het Handvest moeten de bepalingen van artikel 47 ervan aldus worden uitgelegd dat zij alleen in procedures waarin de door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden op het spel staan, betrekking hebben op het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming (zie in die zin en naar analogie arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 52).

91

Aldus is artikel 47 van het Handvest in casu in die zin van toepassing dat deze bepaling verzoeker garandeert dat de bevriezing van litigieuze activa aan een doeltreffende rechterlijke toetsing door het Gerecht zal worden onderworpen, wat met name betekent dat zal worden gecontroleerd of het besluit tot vaststelling van die maatregelen berust op een voldoende solide feitelijke grondslag (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119). Een dergelijke controleplicht uit hoofde van artikel 47 van het Handvest rust dus op het Gerecht en niet op de Raad.

92

De bepalingen van artikel 47 van het Handvest kunnen daarentegen niet van toepassing zijn op verzoekers recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming in het kader van de gerechtelijke procedure ten aanzien van hem in Tunesië, dat een derde land is. Daarenboven levert het feit dat het besluit tot vaststelling van de beperkende maatregelen tegen verzoeker op die gerechtelijke procedure is gebaseerd geen gegronde reden op om de rechtmatigheid ervan in het licht van die bepalingen te toetsen. Dat besluit gaat immers uit van een instelling van de Unie, die door de Verdragen niet gemachtigd is om rechtsprekende functies uit te oefenen. Voorts is dat besluit, dat trouwens in het kader van het GBVB is vastgesteld, niet van rechterlijke aard aangezien het niet dient om uitspraak te doen op een beroep, noch om een geding te beslechten (zie in die zin en naar analogie beschikking van 24 maart 2011, Bengtsson, C‑344/09, EU:C:2011:174, punten 2224 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

93

Aan deze uitlegging wordt geen afbreuk gedaan door de punten 178 tot en met 184 en 188 van het arrest van 16 juli 2009, Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie (C‑385/07 P, EU:C:2009:456), die verzoeker aanhaalt om dit onderdeel te staven. Uit deze punten, in het bijzonder uit punt 188, komt immers duidelijk naar voren dat het Hof het beginsel van de redelijke procestermijn van artikel 47, lid 2, eerste volzin, van het Handvest alleen heeft toegepast op de behandeling van een beroep in rechte door het Gerecht in het kader van de procedure voor deze rechterlijke instantie, en dat beginsel niet heeft willen toepassen op instellingen van de Unie zonder rechterlijke bevoegdheid (zie in die zin arrest van 16 juli 2009, Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, C‑358/07 P, EU:C:2009:456, punten 178184 en punt 188 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

94

Het is juist dat de Raad de zaken van personen tegen wie hij beperkende maatregelen heeft vastgesteld, binnen een redelijke termijn moet behandelen overeenkomstig artikel 41, lid 1, van het Handvest, waarin het recht van eenieder op behoorlijk bestuur is neergelegd.

95

Gesteld dat dit onderdeel, ondanks verzoekers betoog, aldus kan worden uitgelegd dat het betrekking heeft op schending door de Raad van artikel 41, lid 1, van het Handvest, volgt uit de elementen die hierboven in de punten 62 tot en met 78 zijn uiteengezet echter dat het hoe dan ook ongegrond moet worden verklaard.

96

Zelfs indien die elementen gegronde redenen voor de Raad waren geweest om bij de Tunesische autoriteiten te informeren naar de stand van het lopende gerechtelijk onderzoek ten aanzien van verzoeker, konden zij om de redenen uiteengezet in de punten 66 tot en met 75 hierboven immers niet tot gevolg hebben dat de Raad een einde moest maken aan de bevriezing van zijn activa in de Unie. Voorts konden de gegevens die verzoeker vóór de vaststelling van besluit 2015/157 had verstrekt, zoals in de punten 76, 77 en 78 hierboven is uiteengezet, geen legitieme vragen oproepen over de eerbiediging van het beginsel van de redelijke procestermijn door de Tunesische autoriteiten. Ten slotte moet worden toegevoegd dat de Raad, anders dan verzoeker beweert, om dezelfde redenen niet kan worden verweten dat hij de Tunesische autoriteiten niet heeft ingelicht over de beperkingen van de duur van de bevriezing van verzoekers activa in de Unie en over het feit dat het gerechtelijk onderzoek zo snel mogelijk moet worden afgerond.

97

Zoals reeds blijkt uit de bewoordingen van het verzoekschrift en de repliek, verwijt verzoeker de Raad in het kader van dit middel alleen dat hij zijn recht op een redelijke procestermijn heeft geschonden doordat hij niet de onder zijn bevoegdheid vallende maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de gerechtelijke procedure in Tunesië ten aanzien van hem onredelijk lang duurt.

98

Aangezien uit de gegevens die verzoeker aan de Raad heeft verstrekt niet volgt dat de duur van die gerechtelijke procedure blijk geeft van een dergelijke onregelmatigheid, kan deze onregelmatigheid evenmin gevolgen hebben voor de duur van de bevriezing van verzoekers activa in de Unie.

99

Bovendien voert verzoeker niet aan dat hij vóór zijn schrijven van 15 januari 2015 gegevens aan de Raad heeft verstrekt die voor deze instelling grond hadden kunnen opleveren om bij de Tunesische autoriteiten stappen te ondernemen om zich ervan te vergewissen dat verzoekers recht op een redelijke procestermijn in het kader van het lopende gerechtelijk onderzoek ten aanzien van hem wordt geëerbiedigd. Verzoeker kan de Raad dus niet verwijten dat hij in de periode voorafgaand aan het schrijven van 15 januari 2015 in dat opzicht onzorgvuldig heeft gehandeld.

100

Uit een en ander volgt dat het eerste onderdeel van het tweede middel moet worden afgewezen.

– Tweede onderdeel van het tweede middel: schending van het vermoeden van onschuld door het persbericht van de Raad van 31 januari 2011

101

Verzoeker voert tot staving van het tweede onderdeel van het tweede middel aan dat het persbericht van de Raad van 31 januari 2011 het vermoeden van onschuld schendt aangezien het het publiek ertoe aanzet te geloven dat de in het persbericht aangewezen personen schuldig zijn omdat zij verantwoordelijk zijn voor het verduisteren van overheidsgelden. In punt 126 van het verzoekschrift verzoekt hij het Gerecht om „te verklaren dat die verklaring in strijd met artikel 48 van het Handvest het vermoeden van zijn onschuld schendt”. In repliek antwoordt hij op de als verweer door de Raad aangevoerde argumenten dat het feit dat het persbericht een document is dat losstaat van besluit 2015/157, geen afbreuk doet aan het feit dat er sprake is van schending „ook al vindt de rechterlijke vaststelling afzonderlijk plaats”. Evenzo heeft het feit dat er geen beroep tot nietigverklaring van dat persbericht is ingesteld, niet tot gevolg dat het effect ervan wijzigt. Ten slotte doet het feit dat het persbericht in kwestie dateert van vier jaar vóór dat besluit niet ter zake aangezien dat besluit voorziet in de handhaving van de beperkende maatregelen die op dezelfde dag als het betrokken persbericht zijn vastgesteld. Verzoeker voegt toe dat het door de vermelde schending van het vermoeden van onschuld moeilijk kan worden om in Tunesië een eerlijk proces te krijgen daar de schending van invloed kan zijn op de handelwijze van de Tunesische autoriteiten jegens hem.

102

De Raad van zijn kant voert als verweer aan dat hij met de vaststelling van besluit 2015/157 verzoeker niet schuldig heeft verklaard aan verduistering van overheidsgelden en niet is vooruitgelopen op de beoordeling van de feiten door de bevoegde rechter in Tunesië. Hij voegt hieraan toe dat het persbericht, waarop verzoekers grief in het kader van dit onderdeel ziet, losstaat van dat besluit en dat er geen beroep tot nietigverklaring tegen is ingesteld. Hij voegt toe dat het persbericht in juridisch opzicht hoe dan ook verschilt van dat besluit en dat de wettigheid van het persbericht en het besluit afzonderlijk moet worden onderzocht. In dupliek betoogt hij in wezen dat de door verzoeker ter onderbouwing van deze grief aangehaalde zin in het licht van de algemene context van dat persbericht niet kan worden geacht het vermoeden van onschuld te schenden.

103

Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het bij het verzoekschrift gevoegde document waarop het onderhavige onderdeel van het tweede middel betrekking heeft, een persbericht van de Raad van 31 januari 2011 (5881/1/2011 REV 1) is, waarin de Raad de conclusies van de vergadering van de op dezelfde dag gehouden Raad voor buitenlandse zaken openbaar heeft gemaakt. Op de eerste bladzijde van dat document staat een tekst in een kadertje, waarvan de tweede alinea de volgende verklaring bevat:

„De Raad heeft eveneens de situatie in Tunesië besproken en conclusies goedgekeurd waarin de EU zich bereid verklaart steun te verlenen bij de overgang naar de democratie, in het bijzonder bij de voorbereiding van verkiezingen. Tevens heeft hij beperkende maatregelen vastgesteld om de tegoeden van hen die overheidsmiddelen hebben verduisterd, te bevriezen.”

104

Daarenboven verklaart de Raad op bladzijde 8, punt 6, van het in punt 103 hierboven bedoelde persbericht dat „[hij] in overleg met de Tunesische autoriteiten beperkende maatregelen [heeft] genomen die gericht zijn tegen personen die verantwoordelijk zijn voor de verduistering van overheidsmiddelen”.

105

Volgens verzoeker leveren deze twee verklaringen schending van het vermoeden van onschuld op. Wat de eerste verklaring betreft, is verzoeker namelijk van mening dat zij zodanig is verwoord dat de indruk wordt gewekt dat de betrokken personen reeds zijn veroordeeld voor verduistering van overheidsgelden. Wat de tweede verklaring betreft, verwijt verzoeker – niet zonder te erkennen dat het Gerecht reeds heeft geoordeeld dat dergelijke verklaringen niet vooruitliepen op de beoordeling van de feiten door de bevoegde rechter (arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punt 83) – de Raad in wezen dat hij aan de uitdrukking „personen die verantwoordelijk zijn voor de verduistering van overheidsmiddelen” een „absoluut” karakter heeft gegeven door niet te preciseren dat hij zich baseerde op procedures waarin de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van die personen nog niet was vastgesteld.

106

Om te beginnen moet erop worden gewezen dat verzoeker in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting heeft gepreciseerd dat het in punt 26 van het verzoekschrift geformuleerde verzoek, dat ertoe strekt dat het Gerecht oordeelt dat de twee betrokken verklaringen het vermoeden van onschuld hadden geschonden, geen vordering was die losstaat van de vordering tot nietigverklaring van besluit 2015/157, maar moest worden uitgelegd als een aanvulling van deze laatste vordering. Daaruit moet dus noodzakelijkerwijs worden afgeleid dat verzoeker van mening is dat de aangevoerde schending van zijn recht op eerbiediging van het vermoeden van onschuld als gevolg van die verklaringen, de wettigheid van besluit 2015/157 kan aantasten.

107

In dit verband moet worden opgemerkt dat het litigieuze persbericht, zoals de Raad in wezen stelt, een handeling vormt die losstaat van de besluiten 2011/72 en 2015/157, en niet dient om het publiek in te lichten over de inhoud van besluit 2011/72. Voorts gaat het niet om een handeling in het kader van de procedure tot vaststelling van een van deze besluiten. Ten slotte betwist verzoeker niet dat die besluiten op zichzelf het vermoeden van onschuld ten aanzien van hem niet schenden. Hij kan zich dus niet met succes beroepen op een vermeende schending van dat vermoeden van onschuld door de verklaringen in het litigieuze persbericht om de wettigheid van besluit 2015/157 in twijfel te trekken (zie in die zin en naar analogie arrest van 5 april 2006, Degussa/Commissie, T‑279/02, EU:T:2006:103, punten 413 en 423). Dit onderdeel van het tweede middel is derhalve niet ter zake dienend.

108

Het onderhavige onderdeel van het tweede middel berust in ieder geval op een letterlijke lezing van de twee hierboven in de punten 103 en 104 vermelde verklaringen, die geen rekening houdt met de context waarvan zij deel uitmaken.

109

De lezing van de inhoud van het betrokken persbericht bevestigt namelijk dat het, zoals uit het opschrift ervan blijkt, alleen dient om het publiek te informeren over de conclusies van de vergadering van de Raad voor buitenlandse zaken van 31 januari 2011, in het bijzonder over de vaststelling van besluit 2011/72.

110

Bij de uitlegging van de twee betrokken verklaringen moet dus worden gezien naar de inhoud van besluit 2011/72. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 1, lid 1, van dit besluit bepaalt dat alle activa van personen die verantwoordelijk zijn voor het verduisteren van Tunesische overheidsgelden of van de met hen geassocieerde natuurlijke of rechtspersonen of entiteiten worden bevroren. Het begrip „personen die verantwoordelijk zijn voor het verduisteren van Tunesische overheidsgelden” in de zin van artikel 1, lid 1, van dat besluit moet evenwel, zoals in punt 34 hierboven is uiteengezet, niet alleen de personen omvatten die reeds voor dergelijke feiten verantwoordelijk zijn bevonden, maar ook de personen naar wie gerechtelijke onderzoeken lopen om hun verantwoordelijkheid vast te stellen.

111

Daarenboven moet voor het begrip van die verklaringen ook worden gezien naar de motivering voor plaatsing van de naam van de personen die voorkomen op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72. Wat verzoeker betreft, vermeldt die motivering sinds de eerste plaatsing van zijn naam op die lijst uitdrukkelijk dat ten aanzien van hem gerechtelijke onderzoeken lopen wegens feiten die als verduistering van overheidsgelden kunnen worden gekwalificeerd.

112

Bijgevolg stelt verzoeker ten onrechte dat die verklaringen laten geloven dat de personen wier naam op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72 voorkomt, schuldig zijn, aangezien de inhoud van die verklaringen verwijst naar die van dat besluit dat, zoals zonet is opgemerkt, niet ziet op verzoeker als iemand die reeds verantwoordelijk is bevonden voor verduistering van Tunesische overheidsgelden, maar als iemand ten aanzien van wie gerechtelijke onderzoeken inzake dergelijke verduistering lopen. Om dezelfde redenen kunnen die verklaringen niet worden geacht van invloed te zijn op de bevoegde Tunesische autoriteiten, noch vooruit te lopen op de beoordeling van de feiten door de bevoegde rechter. Zij kunnen dus in elk geval niet worden aangemerkt als een inbreuk op het beginsel van het vermoeden van onschuld.

113

Uit een en ander volgt dat het tweede onderdeel van het tweede middel moet worden afgewezen.

– Derde onderdeel van het tweede middel: schending van het recht op behoorlijk bestuur, en in het bijzonder van het recht op een onpartijdige behandeling van zijn zaken uit hoofde van artikel 41, lid 1, van het Handvest

114

Om dit onderdeel te staven, baseert verzoeker zich op een aantal omstandigheden die volgens hem aantonen dat de Raad hem niet onpartijdig heeft behandeld. In de eerste plaats heeft de Raad in het kader van zijn „oorspronkelijke publieke verklaring” verklaard dat alle personen wier naam was geplaatst op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72, schuldig waren aan verduistering van overheidsgelden „zonder enige nadere kwalificatie”. In de tweede plaats heeft de huidige motivering voor plaatsing van verzoekers naam op die lijst geen „Uniedimensie” meer, zodat de betrokken bevriezing van activa had moeten worden ingetrokken. In de derde plaats heeft de Raad in antwoord op door verzoeker overgelegde bewijzen à décharge ten onrechte geweigerd om de echtheid van de aangevoerde feiten te controleren. In de vierde plaats is besluit 2015/157 vastgesteld ondanks het stilzitten van de Tunesische rechterlijke instanties met een procedure van vier jaar als resultaat. In de vijfde plaats heeft de Raad bij de vaststelling van dat besluit geen rekening gehouden met elementen die blijk geven van een herstel van de democratie in Tunesië. Ten slotte, in de zesde en laatste plaats, heeft de Raad dat besluit vastgesteld zonder onderzoek van, in het bijzonder, het bezwaar dat deze handeling verzoekers recht op een redelijke procestermijn schond.

115

De Raad van zijn kant betwist elk van deze argumenten en geeft in het algemeen te kennen dat het meningsverschil tussen de Raad en verzoeker over de beoordeling van de elementen rechtens en feitelijk, die verzoeker als bewijzen à décharge heeft aangedragen, niet kan worden uitgelegd als een gebrek aan onpartijdigheid van zijnentwege.

116

In dit verband zij eraan herinnerd dat de Raad bij de vaststelling van beperkende maatregelen het in artikel 41 van het Handvest neergelegde beginsel van behoorlijk bestuur dient te eerbiedigen, waaraan volgens vaste rechtspraak voor de bevoegde instelling de verplichting verbonden is alle relevante elementen van het betrokken geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie arrest van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 58en aldaar aangehaalde rechtspraak).

117

In casu moet erop worden gewezen dat verzoeker ter onderbouwing van dit onderdeel van het tweede middel in wezen de verschillende grieven herhaalt die hij in het kader van het eerste middel, het derde middel en de andere onderdelen van het tweede middel heeft geformuleerd. Om de redenen die in het kader van het onderzoek van die middelen en onderdelen zijn uiteengezet, moeten die grieven echter worden afgewezen.

118

In de eerste plaats, gesteld dat verzoeker met de uitdrukking „oorspronkelijke publieke verklaring” het persbericht bedoelt waarvan hij de wettigheid in het kader van het tweede onderdeel van onderhavig middel betwist, volgt uit de punten 107 tot en met 112 hierboven dat verzoekers argumenten inzake de vermeende schending van het vermoeden van onschuld door dat persbericht moeten worden afgewezen.

119

In de tweede plaats doet het feit dat de motivering voor plaatsing van verzoekers naam op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72 niet verwijst naar feiten die zich in de Unie zouden hebben voorgedaan, om de hierboven in de punten 39 en 57 vermelde redenen niet ter zake aangezien die motivering refereert aan een gerechtelijk onderzoek naar feiten die als verduistering van overheidsgelden kunnen worden gekwalificeerd.

120

In de derde plaats verplichten de door verzoeker overgelegde bewijzen à décharge, die met name moesten aantonen dat er geen vooruitzicht op een proces tegen hem bestond, om de redenen uiteengezet in de punten 49 tot en met 57 hierboven de Raad niet aanvullende verificaties te verrichten betreffende de stand van het gerechtelijk onderzoek ten aanzien van hem in Tunesië.

121

In de vierde plaats konden de elementen die verzoeker heeft aangevoerd om aan te tonen dat zijn recht op een eerlijke procestermijn door de Tunesische autoriteiten is geschonden, om de in de punten 63 tot en met 78 hierboven vermelde redenen niet rechtvaardigen dat de bevriezing van zijn activa in de Unie zou worden beëindigd.

122

In de vijfde plaats heeft de Raad, gelet op de redenen die in het kader van het derde middel in punten 127 tot en met 134 hieronder zullen worden uiteengezet, geen enkele fout begaan door de litigieuze beperkende maatregelen ondanks de ontwikkeling van het democratisch proces in Tunesië te handhaven. Ten slotte moet het zesde argument, waarmee wordt aangevoerd dat de Raad zelf verzoekers recht op een eerlijke procestermijn niet heeft geëerbiedigd, worden afgewezen om de redenen die in het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel in de punten 88 tot en met 96 hierboven zijn uiteengezet.

123

Uit het voorgaande volgt dus dat verzoeker ten onrechte stelt dat de Raad het beginsel van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het onpartijdigheidsbeginsel, heeft geschonden. Bijgevolg moet het onderhavige onderdeel en daarmee het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.

Derde middel: besluit 2015/157 is gelet op de ontwikkelingen van het democratiseringsproces in Tunesië zonder voorwerp geraakt

124

Ter ondersteuning van het derde middel voert verzoeker aan dat de Raad blijk heeft gegeven van kennelijke beoordelingsfouten betreffende de ontwikkeling van het democratiseringsproces in Tunesië en de noodzaak van beperkende maatregelen tegen Tunesische onderdanen die verantwoordelijk zijn voor verduistering van Tunesische overheidsgelden. Volgens hem hebben zich sinds 31 januari 2011 een aantal gebeurtenissen op juridisch, grondwettelijk en electoraal gebied voorgedaan waaruit blijkt dat het proces van democratische transitie in Tunesië is voltooid. Door de litigieuze beperkende maatregelen vanwege de „situatie in Tunesië”, zoals verwoord in besluit 2011/72, te handhaven, heeft de Raad de aard van die ontwikkelingen echter niet correct beoordeeld of op zijn minst verzuimd er rekening mee te houden. Voorts is verzoeker van mening dat de Raad, gesteld dat hij van mening zou zijn geweest dat de overgang naar de democratie in Tunesië was verwezenlijkt, zich niet meer kon baseren op de beoogde bescherming van het democratiseringsproces om de betrokken beperkende maatregelen te handhaven. Subsidiair stelt hij dat de Raad besluit 2015/157 ontoereikend heeft gemotiveerd omdat hij de redenen voor de handhaving van de litigieuze beperkende maatregelen ondanks de ontwikkelingen van het democratiseringsproces in Tunesië onvermeld heeft gelaten.

125

De Raad brengt hier als verweer tegen in dat verzoekers betoog berust op het onjuiste postulaat dat het proces van democratische transitie in Tunesië is voltooid. Hij merkt op dat, zoals in het bijzonder blijkt uit zijn conclusies van 19 januari 2015, hij van mening was dat bedoeld proces op de datum van de vaststelling van besluit 2015/157 nog steeds aan de gang was.

126

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat hoewel verzoeker zich niet uitdrukkelijk beroept op artikel 277 VWEU, het onderhavige middel aldus moet worden uitgelegd dat daarmee een exceptie van onwettigheid met betrekking tot artikel 1, lid 1, van besluit 2011/72, zoals verlengd bij besluit 2015/157, wordt aangevoerd. De in het kader van dit middel bedoelde vermeende kennelijke beoordelingsfouten betreffen namelijk niet de handhaving van de vermelding van verzoekers naam in de bijlage bij besluit 2011/72 als zodanig, maar de handhaving in het algemeen van de bevriezing van de activa van personen die verantwoordelijk zijn voor verduistering van Tunesische overheidsgelden en van de met hen geassocieerde personen, zoals bepaald in artikel 1, lid 1, van dit besluit (zie in die zin en naar analogie arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punt 31). Verzoeker betwist dus dat de Raad, gelet op de doelstellingen van dit besluit en de ontwikkeling van het democratisch proces in Tunesië de beperkende maatregelen in hun geheel uit hoofde van besluit 2011/72 kan blijven handhaven.

127

Dienaangaande moet allereerst in herinnering worden gebracht dat blijkens overweging 1 ervan besluit 2011/72 – dat gebaseerd is op artikel 29 VEU – ten doel heeft de „inspanningen [van de Tunesische bevolking] om te komen tot een stabiele democratie, een rechtsstaat, democratisch pluralisme en de volledige eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden” te ondersteunen. Volgens overweging 2 ervan beoogt het onder andere hulp te bieden aan de Tunesische autoriteiten in hun strijd tegen de verduistering van overheidsgelden door bevriezing van de activa van personen die „verantwoordelijk” zijn voor verduistering van dergelijke gelden, die daardoor de Tunesische bevolking beroven van de voordelen van een duurzame ontwikkeling van haar economie en samenleving, en de ontwikkeling van de democratie in het land ondermijnen.

128

Bijgevolg past besluit 2011/72, zoals reeds is geoordeeld, in het meer algemene kader van een beleid van de Unie van ondersteuning van de Tunesische autoriteiten, dat de politieke en economische stabiliteit van de Republiek Tunesië moet bevorderen en aldus voldoet aan de doelstellingen van het GBVB, die in het bijzonder zijn omschreven in artikel 21, lid 2, onder b) en d), VEU, op grond waarvan de Unie een internationale samenwerking tot stand brengt om de democratie, de rechtsstaat, de rechten van de mens en de beginselen van internationaal recht te versterken en te ondersteunen en voorts om steun te verlenen aan de duurzame ontwikkeling, in het bijzonder in economisch opzicht, van ontwikkelingslanden (zie arresten van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 60en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 juni 2016, CW/Raad, T‑516/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:377, punt 67en aldaar aangehaalde rechtspraak).

129

Volgens vaste rechtspraak ter zake van het GBVB, beschikt de Raad over een ruime beoordelingsbevoegdheid op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken, zodat een op deze gebieden vastgestelde maatregel slechts onrechtmatig is, wanneer hij kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel (zie arrest van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 120en aldaar aangehaalde rechtspraak).

130

In de onderhavige zaak was de Raad, zoals hij stelt door te verwijzen naar zijn conclusies van 19 januari 2015, anders dan verzoeker niet van mening dat het proces van democratische transitie in Tunesië bij de vaststelling van besluit 2015/157 was voltooid. De door verzoeker naar voren gebrachte verschillende ontwikkelingen op juridisch, grondwettelijk en electoraal gebied tonen niet aan dat de Raad blijk zou hebben gegeven van een onjuiste opvatting bij zijn beoordeling van dat proces. Die ontwikkelingen tonen weliswaar aan dat vooruitgang wordt geboekt, maar op basis daarvan kan echter niet onomstotelijk worden geconcludeerd dat dat proces is voltooid, aangezien dat proces onder meer afhangt, zoals de Raad in zijn voormelde conclusies te kennen geeft, van de versterking van de rechtsstaat en de democratische verworvenheden van de nieuwe Tunesische grondwet.

131

Het onderhavige middel berust hoe dan ook, impliciet maar noodzakelijkerwijs, op de onjuiste premisse dat de Raad, gelet op de voltooiing van de democratische transitie in Tunesië, de bij besluit 2011/72 vastgestelde beperkende maatregelen zou moeten beëindigen. Zoals hierboven in punt 33 in herinnering is gebracht, is de bevriezing van activa als bedoeld in artikel 1, lid 1, van besluit 2011/72, gelezen in het licht van de overwegingen 1 en 2 ervan, immers alleen bedoeld om de vaststelling door de Tunesische autoriteiten van gepleegde verduisteringen van overheidsgelden te vergemakkelijken en deze autoriteiten in staat te stellen de opbrengst van die verduisteringen in te vorderen. De eventuele intrekking van die beperkende maatregelen kan derhalve slechts afhangen van de uitkomst van de gerechtelijke procedures waarop zij zijn gebaseerd en niet van de voltooiing van het proces van democratische transitie in Tunesië, gelet op het feit dat de steun voor dat proces slechts een van de einddoelstellingen is van het beleid waarvan de bevriezing van activa een onderdeel is en geen aanvullende voorwaarde voor de handhaving ervan vormt (zie in die zin en naar analogie arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punt 143).

132

Daaraan moet worden toegevoegd dat die bevriezing van activa, zelfs indien het proces van democratische transitie zou afgerond zijn, anders dan verzoeker stelt geen inmenging van de „wetgevende macht” is in zaken die vallen onder een rechterlijke bevoegdheid.

133

Afgezien van het feit dat de Raad overeenkomstig artikel 24 VEU in het kader van het GBVB geen wetgevingshandelingen vaststelt, kan de voltooiing van het proces van democratische transitie in Tunesië, zoals hierboven in punt 131 is te kennen gegeven, er namelijk niet toe leiden dat de Raad de in het kader van besluit 2011/72 vastgestelde beperkende maatregelen dient in te trekken. De intrekking van deze maatregelen vóór het einde van de lopende gerechtelijke procedures zou in de weg kunnen staan aan de vaststelling door de Tunesische autoriteiten van gepleegde verduisteringen van overheidsgelden en aan de invordering van de opbrengst van die verduisteringen, en bijgevolg de met dit besluit beoogde versterking van en steun voor de democratie en de rechtsstaat in Tunesië kunnen ondermijnen. Aldus is de handhaving van die maatregelen, die, zoals in punt 33 hierboven in herinnering is gebracht, een bewarend karakter hebben en geen strafrechtelijke connotatie bezitten, op grond van de doelstellingen van het GBVB nog steeds gerechtvaardigd. Derhalve moet worden vastgesteld dat de handhaving van die maatregelen, indien het argument van verzoeker aldus moet worden begrepen dat er volgens hem sprake is van inmenging van een politieke instantie, zoals de Raad, in aangelegenheden waarvoor alleen de Tunesische rechterlijke instanties bevoegd zijn, niet een dergelijke inmenging vormt.

134

Derhalve moet het middel inzake de kennelijke beoordelingsfouten van de Raad betreffende de ontwikkelingen van de politieke situatie in Tunesië worden afgewezen.

135

Wat het subsidiair aangevoerde middel van ontoereikende motivering betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat uit de punten 127 tot en met 133 hierboven volgt dat de ontwikkelingen van de politieke situatie in Tunesië sinds de vaststelling van besluit 2011/72 geen grond opleverden om de handhaving door besluit 2015/157 van de in het kader van besluit 2011/72 vastgestelde beperkende maatregelen in het licht van die ontwikkelingen specifiek te motiveren. Ook dit middel moet dus worden afgewezen.

136

Uit een en ander volgt dat het derde middel moet worden afgewezen.

Vierde middel, subsidiair: „kennelijke beoordelingsfout” omdat de Raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het „strafrechtelijke aspect” van besluit 2015/157

137

Ter ondersteuning van het vierde middel stelt verzoeker dat de Raad de argumenten die hij „vanuit strafrechtelijk oogpunt” in zijn schrijven van 15 januari 2015 had aangevoerd niet objectief heeft beoordeeld. Hij stelt in dat opzicht dat de Raad zijn uitleg over de ontkrachting van de bewijzen tegen hem in Tunesië naast zich heeft neergelegd op basis van speculatieve overwegingen die louter op de doelstellingen van het GBVB zijn gebaseerd. Daardoor heeft de Raad de rechten van verzoeker in zijn hoedanigheid van persoon ten aanzien van wie een gerechtelijk onderzoek is ingesteld niet onderzocht in het licht van het Unierecht. In repliek stelt hij dat besluit 2015/157 een strafrechtelijke dimensie heeft of op zijn minst strafrechtelijke gevolgen in het leven roept of een strafrechtelijk doel heeft, aangezien het hetzelfde effect heeft als een rechtsbijstandsvoorziening die een strafrechter krachtens het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, dat door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 31 oktober 2003 is goedgekeurd, heeft opgelegd.

138

Als verweer antwoordt de Raad hierop dat besluit 2015/157 is vastgesteld op basis van de enig mogelijke rechtsgrondslag, te weten artikel 29 VEU, en dat het in geen enkel opzicht een strafrechtelijke dimensie heeft.

139

Verzoeker moet worden geacht met het onderhavige middel in wezen te stellen dat de Raad blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, doordat hij de handhaving van de beperkende maatregelen ten aanzien van verzoeker – in het kader van de vaststelling van besluit 2015/157 – uitsluitend in het licht van de doelstellingen van het GBVB opnieuw heeft onderzocht en derhalve de in het kader van een strafprocedure geldende vereisten en garanties niet in acht heeft genomen. Dat middel mist echter duidelijk elke grondslag.

140

Ten eerste beantwoordt besluit 2011/72 – en daarmee ook besluit 2015/157, waarbij besluit 2011/72 is verlengd – om de in de punten 127 en 128 hierboven uiteengezette redenen aan de doelstellingen die in het kader van het GBVB in artikel 21, lid 2, onder b) en d), VEU zijn bepaald. Ten tweede heeft de bevriezing van verzoekers activa in de Unie – die niet bedoeld is om zijn praktijken in Tunesië te bestraffen –, zoals in punt 33 hierboven is uiteengezet, geen enkele strafrechtelijke connotatie. De Raad heeft in het kader van de vaststelling van besluit 2015/157 dus terecht alleen gecontroleerd of de gegevens in zijn bezit, gelet op de onder het GBVB vallende doelstellingen van besluit 2011/72, een toereikende grondslag vormden om die bevriezing van activa te handhaven. Aldus kon van hem niet worden verlangd dat hij die handhaving onderzocht in het licht van de vereisten van het strafrecht en dat hij verzoeker in het kader van dat onderzoek specifieke waarborgen bood die vergelijkbaar zijn met de waarborgen in het kader van strafprocedures.

141

Aan die conclusie kan niet worden afgedaan door verzoekers argumenten in repliek die ertoe strekken aan te tonen dat de litigieuze bevriezing van activa strafrechtelijk van aard is.

142

In de eerste plaats kunnen het feit dat de litigieuze bevriezing van activa bewarend van aard is en het feit dat de handhaving ervan afhangt van de uitkomst van strafprocedures in Tunesië, als zodanig die bevriezing geen strafrechtelijk karakter verlenen.

143

Zoals uit de punten 33, 127 en 128 hierboven volgt, kan de Raad in het kader van een op artikel 29 VEU gebaseerd beleid ter ondersteuning van de Tunesische autoriteiten om de stabilisering van de democratie en de rechtsstaat te bevorderen, namelijk maatregelen nemen die bijdragen tot de daadwerkelijke beëindiging van de strafrechtelijke procedures die in Tunesië wegens verduistering van overheidsgelden zijn ingeleid. Aldus vormen de strafprocedures in Tunesië, zoals de Raad terecht stelt, niet de rechtsgrondslag maar de feitelijke grondslag van de litigieuze bevriezing van activa. Bovendien blijkt uit de motivering voor opneming van verzoekers naam in de bijlage bij besluit 2011/72, die verband houdt met de ten aanzien van hem lopende gerechtelijke onderzoeken, dat de Raad zich bij de vaststelling van besluit 2015/157 niet heeft laten leiden door de overtuiging dat verzoeker overheidsgelden heeft verduisterd.

144

In de tweede plaats snijdt de vergelijking die verzoeker maakt tussen de gevolgen van de bevriezing van zijn tegoeden en de gevolgen van een rechtsbijstandsvoorziening in het kader van de internationale samenwerking in strafzaken geen hout.

145

Het is inderdaad zo dat de door de Raad opgelegde bevriezing van verzoekers tegoeden in de praktijk leidt tot een niet-beschikbaarheid van die tegoeden in de Unie die vergelijkbaar is met die welke zou kunnen voortvloeien uit de bevriezing van die tegoeden, die een nationale rechterlijke instantie in het kader van de internationale samenwerking in strafzaken heeft uitgesproken. Dat neemt evenwel niet weg dat die twee maatregelen verschillend van aard zijn.

146

Ten eerste vormt de krachtens artikel 29 VEU vastgestelde bevriezing van verzoekers tegoeden een autonome maatregel die is vastgesteld met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van het GBVB, en niet een maatregel die is vastgesteld in antwoord op een verzoek van de Tunesische autoriteiten om rechtsbijstand (zie in die zin en naar analogie arrest van 26 oktober 2015, Portnov/Raad, T‑290/14, EU:T:2015:806, punt 45).

147

Ten tweede is de Raad in casu op basis van artikel 21, lid 2, onder b) en d), en artikel 29 VEU slechts bevoegd om een bewarende maatregel in de vorm van een bevriezing van de activa van de betrokken personen vast te stellen, die per definitie tijdelijk en omkeerbaar is. De bevoegdheden van de nationale rechterlijke instanties in het kader van de internationale samenwerking in strafzaken zijn daarentegen niet noodzakelijkerwijs beperkt tot de vaststelling van dergelijke maatregelen.

148

Uit een en ander volgt dat het vierde middel moet worden afgewezen.

Vijfde middel: schending van het eigendomsrecht en van artikel 17 van het Handvest

149

Ter onderbouwing van het vijfde middel voert verzoeker aan dat, aangezien er geen rechtvaardiging bestaat voor besluit 2015/157 en het onwettig is, de beperkingen van zijn eigendomsrecht eveneens ongerechtvaardigd zijn en artikel 17 van het Handvest schenden. De Raad betwist dit betoog.

150

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat een beperking van het eigendomsrecht moet voldoen aan drie voorwaarden om met het Unierecht in overeenstemming te zijn. In de eerste plaats moet de beperking „bij wet zijn gesteld”. Met andere woorden, er moet voor de maatregel een rechtsgrondslag zijn. In de tweede plaats moet de beperking beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang. In de derde plaats mag de beperking niet buitensporig zijn. Enerzijds moet zij noodzakelijk zijn voor en evenredig zijn aan het nagestreefde doel. Anderzijds mag zij de kern van het betrokken recht of de betrokken vrijheid niet aantasten (zie arresten van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punten 197200 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 juni 2016, CW/Raad, T‑516/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:377, punten 165168 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

151

In het onderhavige middel voert verzoeker enkel aan dat, aangezien in het kader van de vorige middelen is aangetoond dat de bevriezing van zijn activa in de Unie onwettig en ongerechtvaardigd is, die beperking van zijn eigendomsrecht daardoor ook ongerechtvaardigd is. Derhalve twijfelt hij alleen aan het feit dat die beperking niet voldoet aan de twee eerste voorwaarden die in punt 150 hierboven zijn vermeld. Uit de punten 36 tot en met 148 hierboven volgt echter dat verzoeker in het kader van de vorige middelen niet heeft kunnen aantonen dat die bevriezing van activa onwettig en ongerechtvaardigd is. Bijgevolg toont hij evenmin aan dat de met die bevriezing van activa gepaard gaande beperkingen van zijn eigendomsrecht geen rechtsgrondslag zouden hebben of ongerechtvaardigd zouden zijn in het licht van de doelstellingen van besluit 2011/72 en het GBVB. Het onderhavige middel moet dus worden afgewezen.

152

Uit al het voorgaande volgt dat, gelet op het feit dat geen van de in het verzoekschrift aangevoerde middelen gegrond is, de vorderingen tot nietigverklaring van besluit 2015/157 moeten worden afgewezen.

De in de eerste memorie houdende aanpassing opgenomen vorderingen tot nietigverklaring van het „besluit” van de Raad van 16 november 2015 tot afwijzing van verzoekers verzoek van 29 mei 2015 om zijn naam te schrappen van de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72

153

Artikel 86, lid 1, van het Reglement voor procesvoering bepaalt dat wanneer de oorspronkelijk bestreden handeling tijdens de procedure door een andere handeling met hetzelfde voorwerp wordt vervangen of gewijzigd, de verzoeker vóór de sluiting van de mondelinge behandeling of vóór de beslissing van het Gerecht om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen, het verzoekschrift kan aanpassen om met dat nieuwe gegeven rekening te houden. Volgens artikel 86, lid 2, van dat Reglement moet een dergelijke aanpassing bij afzonderlijke akte worden gedaan vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 263, zesde alinea, VWEU waarbinnen kan worden verzocht om de nietigverklaring van de handeling die de aanpassing van het verzoekschrift rechtvaardigt.

154

Bovendien volgt uit de rechtspraak dat de aanpassing van het verzoekschrift moet gericht zijn tegen een handeling die vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 263 VWEU, dit wil zeggen een handeling die bindende rechtsgevolgen sorteert waardoor de belangen van de verzoekende partij kunnen worden aangetast doordat zij haar rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (zie in die zin en naar analogie arrest van 3 juli 2014, Alchaar/Raad, T‑203/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:602, punten 58 en 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dat opzicht neemt een dergelijke handeling volgens vaste rechtspraak niet de vorm aan van een handeling die louter een bevestiging is van een eerdere handeling, dit wil zeggen een handeling die geen nieuw element in vergelijking met de eerdere handeling bevat en niet is voorafgegaan door een heronderzoek van de situatie van de betrokkene (zie beschikkingen van 7 december 2004, Internationaler Hilfsfonds/Commissie, C‑521/03 P, niet gepubliceerd, EU:C:2004:778, punt 47en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 juni 2009, Cofra/Commissie, C‑295/08 P, niet gepubliceerd, EU:C:2009:407, punt 35en aldaar aangehaalde rechtspraak).

155

Volgens de rechtspraak is in het bijzonder een handeling die is vastgesteld na een heronderzoek van de eerdere handeling dat op grond van nieuwe en wezenlijke feiten noodzakelijk was, geen louter bevestigende handeling. Een feit moet als nieuw worden aangemerkt wanneer het niet bestond ten tijde van de vaststelling van de handeling of wanneer er bij die vaststelling geen rekening mee gehouden is, en moet als wezenlijk worden aangemerkt wanneer het een aanmerkelijke wijziging brengt in de juridische situatie waarin de verzoeker zich bevond ten tijde van de vaststelling van de eerdere handeling, zoals een feit dat twijfel doet rijzen over de gegrondheid van die handeling (zie in die zin arrest van 13 november 2014, Commissie/Spanje, T‑481/11, EU:T:2014:945, punten 3439 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

156

Wat beperkende maatregelen betreft, volgt uit de rechtspraak dat een verzoeker in beginsel die conclusies en middelen in het verzoekschrift mag aanpassen die gericht zijn tegen een besluit tot bevriezing van tegoeden dat tegen hem is vastgesteld in het kader van de vaststelling van een later besluit waarbij die bevriezing van tegoeden is verlengd. In dat geval beperkt dat later besluit zich immers niet tot het bevestigen van het eerder besluit aangezien het de bevriezing van tegoeden ten aanzien van betrokkene verlengt voor een nieuwe periode die langer is dan de duur van dat eerder besluit na het heronderzoek van zijn situatie (zie in die zin en naar analogie beschikking van 15 februari 2005, PKK en KNK/Raad, T‑229/02, EU:T:2005:48, punt 44, in hogere voorziening bevestigd door arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punt 103).

157

Voorts kan de Raad blijkens artikel 2, lid 3, en artikel 5, lid 6, van besluit 2011/72 om het even wanneer beslissen om de opneming van de naam van een persoon in de bijlage bij dat besluit opnieuw te onderzoeken op basis van het hem overgelegd wezenlijk bewijsmateriaal of de opmerkingen die bij hem zijn ingediend, zodat die opneming voortdurend wordt geëvalueerd. Die bepalingen dienen te verzekeren dat de personen die niet meer voldoen aan de criteria om in de bijlage bij dat besluit te worden opgenomen, niet alleen naar aanleiding van het jaarlijkse, periodieke heronderzoek maar in voorkomend geval ook onmiddellijk van die bijlage worden geschrapt (zie in die zin en naar analogie arrest van 15 november 2012, Al-Aqsa/Raad en Nederland/Al-Aqsa, C‑539/10 P en C‑550/10 P, EU:C:2012:711, punt 129). Een besluit van de Raad om de naam van een in de bijlage bij besluit 2011/72 opgenomen persoon niet te schrappen, dat is vastgesteld na een heronderzoek van diens situatie op basis van nieuwe en wezenlijke feiten in de zin van de in punt 155 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, is geen louter bevestigende handeling, ook al verlengt dat besluit die opneming niet maar handhaaft het enkel de toepassing van het eerdere besluit (zie in die zin en naar analogie arrest van 13 november 2014, Commissie/Spanje, T‑481/11, EU:T:2014:945, punt 40en aldaar aangehaalde rechtspraak).

158

In de onderhavige zaak moet worden opgemerkt dat besluit 2015/157, dat het voorwerp vormt van het verzoekschrift, niet werd gewijzigd of vervangen door het besluit van de Raad van 16 november 2015, dat in de eerste memorie houdende aanpassing wordt aangevochten. De Raad heeft zich in zijn schrijven van 16 november 2015 immers beperkt tot het afwijzen van de vordering van verzoeker, die in wezen ertoe strekte dat besluit 2015/157 ten aanzien van hem zou worden ingetrokken. Het besluit van de Raad van 16 november 2016 bevat dus geen nieuw gegeven in de zin van de rechtspraak die in punt 154 hierboven in herinnering is gebracht.

159

Voorts volgde die weigering niet op een heronderzoek dat werd gerechtvaardigd door feiten die zowel nieuw als wezenlijk waren in de zin van de hierboven in punt 155 in herinnering gebrachte rechtspraak.

160

In de eerste plaats verwijzen de door verzoeker op 29 mei en 7 september 2015 ingediende opmerkingen immers hoofdzakelijk naar feiten die voorafgaan aan de vaststelling van besluit 2015/157 en naar kwesties die hij reeds in zijn opmerkingen van 15 januari 2015 had opgeworpen, en dus niet naar nieuwe gegevens.

161

Bovendien vormen de enige feiten van na besluit 2015/157 die in die opmerkingen zijn aangevoerd, te weten een arrest van de cour d’appel de Tunis (rechter in tweede aanleg Tunis, Tunesië) van 25 februari 2015 en drie beslissingen in kort geding van een Tunesische bestuursrechter van 30 maart 2015, geen wezenlijke feiten, dit wil zeggen feiten die zorgen voor een aanzienlijke wijziging van de situatie van verzoeker in het licht van de bij besluit 2015/157 tegen hem verlengde beperkende maatregelen.

162

Zoals reeds herhaaldelijk is opgemerkt, zijn die beperkende maatregelen in dat opzicht gebaseerd op het feit dat ten aanzien van verzoeker een gerechtelijk onderzoek loopt wegens feiten die als verduistering van overheidsgelden kunnen worden gekwalificeerd. Hoewel uit de nota van verzoekers advocaat in Tunesië van 24 april 2015 blijkt dat de cour d’appel de Tunis bij arrest van 25 februari 2015 verzoekers vordering om de procedure van het strafrechtelijk vooronderzoek en dat onderzoek afzonderlijk te behandelen heeft toegewezen, lijkt deze ontwikkeling van de procedure op zich het verloop van dat onderzoek niet op de helling te kunnen zetten. Voorts volgt uit de nota van verzoekers advocaat in Tunesië, die aan verzoekers opmerkingen van 29 mei 2015 is gehecht, dat in de drie rechterlijke beslissingen van 30 maart 2015 de opschorting van de tenuitvoerlegging van drie bestuurlijke beslissingen tot confiscatie van bepaalde goederen van verzoeker wordt bevolen, die evenwel niet duidelijk in verband kunnen worden gebracht met het gerechtelijk onderzoek waarop de bevriezing van verzoekers activa in de Unie is gebaseerd.

163

In de tweede plaats blijkt uit de processtukken dat de van de Tunesische autoriteiten afkomstige documenten van 11 mei 2015, waarop de Raad zich baseert in zijn schrijven van 16 november 2015, enkel bevestigen dat het gerechtelijk onderzoek ten aanzien van verzoeker in Tunesië aan de gang is en dat deze stukken door de Raad enkel zijn overgelegd met het oog op zijn antwoord op de argumenten van verzoeker die ertoe strekken de gegrondheid van dat onderzoek te betwisten. Deze documenten, die inderdaad nieuwe gegevens vormen, kunnen dus echter niet als wezenlijke gegevens worden aangemerkt. Zij zorgen immers niet voor een aanmerkelijke wijziging van verzoekers situatie in vergelijking met die waarin hij zich op datum van de vaststelling van besluit 2015/157 bevond.

164

Aan deze analyse wordt niet afgedaan door het feit dat die documenten door de Raad zijn overgelegd na de verificaties die de Raad volgens zijn verklaringen in zijn schrijven van 4 februari 2015 naar aanleiding van verzoekers opmerkingen voornemens was te verrichten.

165

De Raad beschikt op grond van artikel 2, lid 3, en artikel 5, lid 6, van besluit 2011/72 immers over een aanzienlijke beoordelingsmarge om te beslissen of het gepast is om de gegevens die hem door de Tunesische autoriteiten of door verzoeker zijn verstrekt, te controleren, met name om inlichtingen in te winnen over de stand van de gerechtelijke procedure ten aanzien van verzoeker. Bijgevolg vormt niet elk nieuw gegeven dat wordt verkregen na verificaties die de Raad ambtshalve of op vraag van verzoeker heeft verricht, noodzakelijkerwijs een wezenlijk feit dat grond kan opleveren om de opneming van verzoekers naam in de bijlage bij dat besluit opnieuw te onderzoeken en dat kan leiden tot een voor verzoeker nadelige beslissing indien de Raad weigert om die opneming in vraag te stellen.

166

In casu komt uit de processtukken naar voren dat de Raad in zijn schrijven van 4 februari 2015 in wezen heeft verklaard dat hij weliswaar van mening was dat het gerechtvaardigd was om de opneming van verzoekers naam in de bijlage bij besluit 2011/72 te handhaven, maar dat hij nota nam van de opmerkingen van verzoeker over de stand van het lopende gerechtelijk onderzoek ten aanzien van hem in Tunesië en dat hij de beperkende maatregelen tegen hem vóór 31 juli 2015 opnieuw zou onderzoeken. De Raad blijkt na dit schrijven ook rekening te hebben gehouden met de opmerkingen die verzoeker op 18 februari, 29 mei en 7 september 2005 heeft ingediend en in zijn schrijven van 16 november 2015 verzoeker te hebben geantwoord door hem in kennis te stellen van het resultaat van de verificaties die hij ondertussen bij de Tunesische autoriteiten had verricht en in het bijzonder door verzoeker de in punt 163 hierboven bedoelde documenten toe te zenden. Daarmee heeft de Raad, door zich op het standpunt te stellen dat deze controles nuttig waren, alleen gebruik gemaakt van de beoordelingsmarge waarover hij beschikt op grond van de hierboven in de punten 157 tot en met 165 vermelde bepalingen, en heeft hij de situatie van verzoeker niet onderworpen aan een nieuw onderzoek, dat noodzakelijk was omdat zich feiten hadden voorgedaan waardoor die situatie aanmerkelijk kon worden gewijzigd.

167

Aldus heeft de Raad, door in zijn schrijven van 16 november 2015 te kennen te geven dat de beperkende maatregelen tegen verzoeker moesten worden gehandhaafd, geen nieuw besluit vastgesteld dat losstaat van besluit 2015/157, maar dit laatste besluit louter bevestigd. Dat schrijven is dus, voor zover verzoekers vordering om zijn naam van de bijlage bij besluit 2011/72 te schrappen daarbij wordt afgewezen, een louter bevestigende handeling die voor verzoeker niet nadelig is. Derhalve moeten de in de eerste memorie houdende aanpassing opgenomen vorderingen tot nietigverklaring van die handeling niet-ontvankelijk worden verklaard.

168

Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door verzoekers argumenten die ertoe strekken aan te tonen dat die memorie houdende aanpassing ontvankelijk is.

169

In de eerste plaats is verzoekers redenering, volgens welke het besluit van de Raad van 16 november 2015 besluit 2015/157 heeft gewijzigd, aangezien dit laatste besluit, dat tot dan een „voorwaardelijk besluit” was, sindsdien een „onvoorwaardelijk besluit” is, ongegrond. Zoals de Raad in wezen verklaart in zijn opmerkingen bij die memorie houdende aanpassing, berust dat betoog immers op de onjuiste premisse dat besluit 2015/157 voorwaardelijk van aard was geworden als gevolg van de brief van de Raad van 4 februari 2015, waarin deze instelling had aangekondigd dat zij verzoekers situatie vóór 31 juli 2015 opnieuw zou onderzoeken. Voorts heeft het feit dat de Raad de in het kader van besluit 2011/72 vastgestelde beperkende maatregelen op grond van de in punt 157 hierboven vermelde bepalingen van dit besluit opnieuw kan onderzoeken om deze, in voorkomend geval, in te trekken of te wijzigen, hoegenaamd niet tot gevolg dat die maatregelen „voorwaardelijk” worden. Het feit dat de Raad in zijn schrijven van 16 november 2015 te kennen heeft gegeven dat de beperkende maatregelen tegen verzoeker moesten worden gehandhaafd, had dus geenszins tot gevolg dat besluit 2015/157 een onvoorwaardelijke handeling is geworden. Overigens moet worden opgemerkt dat de Raad die maatregelen mocht intrekken of wijzigen na dat schrijven van 16 november 2015 wanneer hem nieuwe en wezenlijke feiten ter kennis werden gebracht.

170

In de tweede plaats kan de ontvankelijkheid van die memorie houdende aanpassing, anders dan verzoeker stelt, niet worden gerechtvaardigd door de noodzaak om hem overeenkomstig het beginsel van de gelijkheid van wapens in staat te stellen opmerkingen te maken bij de gegevens die de Raad in het kader van de dupliek heeft verstrekt.

171

Het beginsel van de gelijkheid van wapens kan immers in casu niet tot gevolg hebben dat de termijnen om beroep tegen besluit 2015/157 in te stellen opnieuw ingaan. Of een handeling voor beroep vatbaar is, moet overigens uitsluitend op basis van een objectieve beoordeling van de inhoud ervan worden bepaald en niet op basis van de vraag of het beginsel van de gelijkheid van wapens in acht is genomen (zie in die zin en naar analogie arrest van 20 september 2012, Frankrijk/Commissie, T‑154/10, EU:T:2012:452, punten 3740).

172

Voorts kon verzoeker hoe dan ook tijdens de terechtzitting van 14 december 2016 opmerkingen maken betreffende de door de Raad in dupliek verstrekte gegevens. Zoals blijkt uit punt 61 hierboven heeft het Gerecht bovendien geoordeeld dat die gegevens, die dateerden van na besluit 2015/157, niet in aanmerking konden worden genomen bij de beoordeling van de wettigheid van dit besluit. De afwijzing van de vorderingen van de eerste memorie houdende aanpassing wegens niet-ontvankelijkheid kan derhalve geen inbreuk vormen op de gelijkheid van wapens.

173

Uit al het voorgaande volgt dat die vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

De in de tweede memorie houdende aanpassing opgenomen vorderingen tot nietigverklaring van besluit 2016/119

174

In het kader van de tweede memorie houdende aanpassing, die betrekking heeft op besluit 2016/119, voert verzoeker in wezen vijf middelen aan: 1) schending van het vermoeden van onschuld en van het beginsel van behoorlijk bestuur; 2) ontbreken van een voldoende solide feitelijke grondslag voor de litigieuze maatregelen; 3) het besluit is zonder voorwerp geraakt; 4) schending van het beginsel van de redelijke termijn, en 5) kennelijk onevenredige inmenging van de Raad in verzoekers eigendomsrecht.

175

Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat bij besluit 2016/119, zoals in punt 16 hierboven is vermeld, de toepassing van besluit 2011/72 tot en met 31 januari 2017 is verlengd en de motivering voor plaatsing van verzoekers naam op de lijst in de bijlage bij dit besluit is gewijzigd op basis van het in punt 16 hierboven bedoelde attest van de Tunesische autoriteiten van 20 oktober 2015. Die wijziging bestond erin dat in plaats van de inbreuk van medeplichtigheid aan de uitoefening van onrechtmatige invloed op een openbaar ambtsdrager teneinde direct of indirect een voordeel voor een derde te verkrijgen, de inbreuk van uitoefening van onrechtmatige invloed op een openbaar ambtsdrager teneinde direct of indirect een voordeel voor een derde te verkrijgen, werd vermeld.

176

Bovendien moet overeenkomstig de hierboven in punt 156 in herinnering gebrachte rechtspraak worden opgemerkt dat de in de tweede memorie houdende aanpassing opgenomen vorderingen tot nietigverklaring van besluit 2016/119, dat voorziet in een verdere verlenging van de in besluit 2015/157 vastgestelde duur van besluit 2011/72, ontvankelijk zijn.

Eerste middel: schending van het vermoeden van onschuld en van het beginsel van behoorlijk bestuur

177

In het kader van het eerste middel herhaalt verzoeker in wezen het in het kader van het tweede en derde onderdeel van het tweede middel van het verzoekschrift ontwikkelde betoog in verband met een vermeende schending van het vermoeden van onschuld. Om dat betoog te staven, beroept hij zich op een persbericht van de niet-gouvernementele organisatie Transparency International van 25 januari 2016, waarin wordt verklaard dat aan 48 personen in Tunesië een bevriezing van activa was opgelegd „op basis van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat zij overheidsgelden hadden verduisterd en misbruik hadden gemaakt van hun functies”. Voorts beroept hij zich ook op de nota van de Tunesische autoriteiten van 15 januari 2016, waarmee wordt geantwoord op de verzoeken van de Raad om meer duidelijkheid te verschaffen over verzoekers situatie, en die volgens hem bewijst dat „hem ten gronde geen recht zal worden gedaan” in het kader van het in Tunesië tegen hem gevoerde gerechtelijk onderzoek.

178

De Raad van zijn kant bestrijdt in wezen dat dat nieuw bewijsmateriaal relevant is.

179

Vastgesteld moet worden dat de redenering die in de punten 107 tot en met 112 en 118 hierboven is ontwikkeld in het kader van het onderzoek van het tweede en derde onderdeel van het tweede middel van het verzoekschrift in casu van toepassing is. Ten eerste vormt het in punt 103 hierboven bedoelde persbericht van de Raad van 31 januari 2011 immers een van besluit 2011/72 en besluit 2016/119 onderscheiden handeling die niet is verricht in het kader van de procedure tot vaststelling van deze besluiten. Verzoeker, die niet betwist dat dat die twee besluiten op zichzelf het vermoeden van onschuld niet schenden, kan dus niet dienstig stellen dat bedoeld persbericht is aangetast door een dergelijke schending, om de wettigheid van die besluiten in twijfel te trekken. Ten tweede berust die grief in ieder geval op een letterlijke lezing van dat persbericht, terwijl bij de uitlegging ervan moet worden gezien naar de inhoud van besluit 2011/72, waarvan de vaststelling met name door het persbericht aan het publiek moest worden aangekondigd. Nu de inhoud van de bijlage bij dat laatste besluit niet ziet op verzoeker als een persoon die verantwoordelijk is bevonden voor verduistering van Tunesische overheidsgelden maar als een persoon ten aanzien van wie gerechtelijke onderzoeken wegens dergelijke feiten lopen, kan de inhoud van dat persbericht, dat daarnaar verwijst, evenwel geen schending van verzoekers recht op eerbiediging van het vermoeden van onschuld opleveren.

180

Zelfs indien wordt aangenomen dat de verklaringen in het in punt 177 hierboven bedoelde persbericht van Transparency International verzoekers recht op eerbiediging van het vermoeden van onschuld hebben geschonden, kan deze schending dus niet worden toegeschreven aan het voornoemde persbericht van de Raad van 31 januari 2011 en de wettigheid van besluit 2016/119 in elk geval niet aantasten.

181

Wat de nota van de Tunesische autoriteiten van 15 januari 2016 betreft, moet erop worden gewezen dat de beweringen van verzoeker daarover in ieder geval pure speculatie zijn. Deze nota bevat immers alleen een uiteenzetting over de procedurele gronden op basis waarvan de met het onderzoek van het dossier belaste magistraat heeft beslist om de zaak van verzoeker en de zaken van de andere betrokken personen niet afzonderlijk te behandelen. Die nota geeft dus geen uitsluitsel over de conclusies die de Tunesische autoriteiten zullen trekken uit de gerechtelijke procedure ten aanzien van verzoeker, en niets in die nota wijst erop dat er een aannemelijk verband bestaat tussen de erin opgenomen overwegingen en het betrokken persbericht van de Raad.

182

Derhalve moet het eerste middel worden afgewezen.

Tweede middel: ontbreken van een voldoende solide, feitelijke grondslag voor de litigieuze maatregelen

183

Het tweede middel bestaat in wezen uit vier onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan de te vaag geformuleerde beweringen waarop de handhaving van de opneming van verzoekers naam in de bijlage bij besluit 2011/72 is gebaseerd, het tweede berust op de stelling dat de Tunesische rechterlijke instanties zijn zaak niet afzonderlijk hebben behandeld, waardoor de illusie ontstaat dat er een solide feitelijke grondslag is, het derde betrekking heeft op het feit dat in het kader van de gerechtelijke procedure in Tunesië ten aanzien van hem geen stappen worden ondernomen die van enige betekenis zijn, en het vierde is ontleend aan de ontoereikende nauwkeurigheid van voornoemde beweringen met betrekking tot de hem ten laste gelegde feiten en zijn individuele verantwoordelijkheid.

184

De Raad van zijn kant betwist op basis van het arrest van 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, dat de door verzoeker aangevoerde gegevens relevant zijn.

– Eerste onderdeel van het tweede middel: de beweringen waarop de handhaving van de opneming van verzoekers naam in de bijlage bij besluit 2011/72 is gebaseerd, zijn te vaag geformuleerd

185

Allereerst moet erop worden gewezen dat het eerste onderdeel van het tweede middel berust op een nieuwe grief die in het verzoekschrift, in het bijzonder in het eerste middel, niet ter sprake is gebracht. Daarenboven kan die grief niet worden geacht een aanvulling te zijn bij een van de grieven die in het kader van dat middel reeds zijn uiteengezet (zie arrest van 15 maart 2006, Italië/Commissie, T‑226/04, EU:T:2006:85, punten 64 en 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Niettemin is verzoeker gerechtigd om die grief in het licht van de bij besluit 2016/119 ingevoerde nieuwe motivering voor plaatsing van zijn naam en het attest van de Tunesische autoriteiten van 20 oktober 2015, die nieuwe feiten uitmaken, voor het eerst aan te voeren in het kader van de aanpassing van dat eerste middel (zie in die zin en naar analogie arrest van 13 september 2013, Anbouba/Raad, T‑563/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:429, punt 52).

186

Die grief is evenwel om de hieronder in de punten 187 tot en met 195 uiteengezette redenen ongegrond.

187

In de eerste plaats voert verzoeker aan dat het attest van de Tunesische autoriteiten van 20 oktober 2015 en de motivering voor de opneming van zijn naam in de bijlage bij besluit 2011/72 verschillen vertonen wat de aard van de vermelde strafrechtelijke inbreuken betreft, en dat die strafrechtelijke inbreuken en de concrete gegevens op basis waarvan zij kunnen worden vastgesteld onvoldoende zijn gepreciseerd.

188

Dienaangaande moet worden opgemerkt dat hoewel de strafrechtelijke inbreuken waarop het lopende gerechtelijk onderzoek ten aanzien van verzoeker in Tunesië betrekking heeft, beknopter zijn geformuleerd in de door de Raad in aanmerking genomen motivering voor de opneming van verzoekers naam in de bijlage bij besluit 2011/72, gewijzigd bij besluit 2016/119, dan in het betrokken attest van de Tunesische autoriteiten, er tussen die motivering en dat attest geen enkel noemenswaardig verschil bestaat. Overigens hoeft de Raad de bewijsstukken waarop de motivering voor de vermelding van verzoekers naam berust niet te vermelden in die motivering aangezien hij verzoeker die bewijsstukken ook heeft toegezonden (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punten 132 en 133).

189

In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het betrokken attest weliswaar geen gewag maakt van de concrete omstandigheden in verband met de betrokken strafrechtelijke inbreuken, maar op voldoende specifieke wijze melding maakt van die inbreuken en de mate waarin verzoeker mogelijkerwijs als dader of als medeplichtige bij die inbreuken betrokken is, zodat de Raad in staat is te bepalen of verzoeker voldoet aan de algemene criteria die in artikel 1, lid 1, van besluit 2011/72 zijn omschreven (zie in die zin en naar analogie arrest van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 123).

190

Daarenboven berust verzoekers betoog, zoals onder andere blijkt uit het gebruik door verzoeker van het begrip „actus reus”, op de onjuiste premisse dat de bewijselementen waarop de Raad zich baseert blijk zouden moeten geven van de precisie die vereist is om zijn verantwoordelijkheid in de voornoemde strafrechtelijke inbreuken vast te stellen. Verzoeker bestrijdt voor het overige echter niet dat de Raad zich kan baseren op de lopende gerechtelijke onderzoeken naar die inbreuken, dit wil zeggen in een stadium van de strafprocedure waarin de gegevens op grond waarvan die verantwoordelijkheid kan worden bewezen of daarentegen van de hand kan worden gewezen, per definitie nog moeten worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punten 8390).

191

Om dezelfde redenen zijn geen gevolgen verbonden aan het feit dat, behalve de identiteit van verzoeker, de identiteit van de personen die worden vermoed betrokken te zijn bij die strafrechtelijke inbreuken en naar wie wordt verwezen in de motivering voor de opneming van verzoekers naam en in het attest van de Tunesische autoriteiten van 20 oktober 2015, niet is aangeduid. Zoals in punt 189 is aangegeven, volstaat het namelijk wanneer dat attest op voldoende specifieke wijze die inbreuken en de mate waarin verzoeker vermoedelijk daarbij betrokken is, vermeldt. Dat geldt ook wanneer dat attest geen gegevens bevat over het tijdstip waarop en de plaats waar de genoemde inbreuken werden gepleegd.

192

Ook de vermeend onjuiste kwalificatie van de voormalige president van de Republiek Tunesië als openbaar ambtsdrager heeft geen gevolgen. Er kan immers worden volstaan met de vaststelling dat noch het in punt 16 hierboven bedoelde attest, noch de motivering voor opneming van verzoekers naam in de bijlage bij besluit 2011/72, zoals gewijzigd bij besluit 2016/119, naar deze persoon verwijst. Overigens moet worden opgemerkt dat, aangezien de functies welke die persoon aldus heeft uitgeoefend gepaard kunnen gaan met het beheer van overheidsgelden, die functies ten behoeve van de vaststelling van een inbreuk die kan worden gekwalificeerd als verduistering van overheidsgelden in de zin van artikel 1, lid 1, van besluit 2011/72, in elk geval kunnen worden vergeleken met die welke een openbaar ambtsdrager uitoefent (zie in die zin en naar analogie arrest van 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punten 120 en 178).

193

In de derde plaats is verzoeker van mening dat de Raad, niettegenstaande de nieuwe gegevens die hij vóór de vaststelling van besluit 2016/119, in het bijzonder het bij het schrijven van de Raad van 29 januari 2016 gevoegde document van 18 januari 2016 met referentie MD 7/16 EXT 1 RELEX, heeft verstrekt, niet beschikt en op geen enkel moment heeft beschikt over bewijsmateriaal dat de jegens hem geuite aantijgingen kan staven. Wat het voornoemde document betreft, verklaart verzoeker inzonderheid dat de vermelding van internationale rogatoire commissies in dat document geen enkele precisering bevat op basis waarvan het voorwerp van die rogatoire commissies kan worden vastgesteld, alsook op welke andere personen die commissies betrekking hadden en voor wie zij bestemd waren.

194

In dit verband moet vooreerst worden opgemerkt dat verzoeker ter zake van besluit 2016/119 niet op goede gronden kan aanvoeren dat de Raad voorafgaand aan de overlegging van document MD 7/16 EXT 1 RELEX niet beschikte over enig bewijs dat hij betrokken was bij de inbreuken waarop de jegens hem in Tunesië ingestelde gerechtelijke onderzoeken betrekking hadden. Zoals in punt 61 hierboven in herinnering is gebracht, moet de wettigheid van een handeling van de Unie immers worden beoordeeld op basis van de gegevens rechtens en feitelijk die bestaan op de datum waarop de handeling is vastgesteld. De wettigheid van besluit 2016/119 moet derhalve worden beoordeeld in het licht van het bewijsmateriaal waarover de Raad bij de vaststelling van dit besluit beschikte, te weten op 28 januari 2016.

195

Daarenboven verstrekt verzoeker geen enkel gegeven dat kan afdoen aan de materiële juistheid van de gegevens in document MD 7/16 EXT 1 RELEX en in het bijzonder in punt 3 de vermelding van vijf internationale rogatoire commissies ten aanzien van hem van 19 januari 2011, 21 januari 2011, 10 januari 2012, 22 oktober 2013 en 5 mei 2015. Het attest van de Tunesische autoriteiten van 20 oktober 2015 vormt, aangezien daaruit blijkt dat ten aanzien van verzoeker gerechtelijke procedures zijn ingeleid wegens feiten die als verduistering van overheidsgelden kunnen worden aangemerkt, hoe dan ook uit dien hoofde een afdoend bewijs waarop de Raad zich kon baseren om de opneming van verzoekers naam in de bijlage bij besluit 2011/72 te handhaven. Zelfs indien wordt aangenomen dat die vermelding van de internationale rogatoire commissies onnauwkeurig is geformuleerd, is deze omstandigheid dus niet bepalend.

196

Het eerste onderdeel van het tweede middel moet derhalve worden afgewezen.

– Tweede onderdeel van het tweede middel: verzoekers dossier wordt niet afzonderlijk behandeld door de Tunesische rechterlijke instanties

197

Om dit onderdeel te staven, voert verzoeker aan dat de Tunesische rechterlijke instanties zijn zaak en die van andere personen afzonderlijk zouden moeten behandelen, en plaatst hij vraagtekens bij de beslissing van de onderzoeksrechter die, zoals de Tunesische autoriteiten in hun nota van 15 januari 2016 verklaren, ondanks het arrest van de cour d’appel de Tunis van 25 februari 2015 een dergelijke afzonderlijke behandeling onnodig heeft geacht.

198

Deze omstandigheden kunnen evenwel niet afdoen aan de wettigheid van besluit 2016/119. Zij stellen immers vragen van Tunesisch procesrecht aan de orde waarover uitsluitend de Tunesische rechterlijke instanties zich kunnen uitspreken, in voorkomend geval in het kader van een nieuw beroep van de verzoekende partijen tegen voornoemde beslissing van de onderzoeksrechter. De uitleg die de Tunesische autoriteiten in voormelde nota als antwoord op de verzoeken van de Raad om opheldering hebben verstrekt, bevestigt overigens dat de behandeling door die autoriteiten van de kwestie van de afzonderlijke behandeling van verzoekers dossier was gebaseerd op zuiver juridische overwegingen en dat daarbij geen sprake was van een gegeven dat legitieme vragen kon oproepen over eventueel machtsmisbruik door die autoriteiten, waardoor de handhaving van de beperkende maatregelen tegen verzoeker ter discussie zou worden gesteld.

199

Daarenboven is de omstandigheid dat verzoeker zelf geen familiebanden met de echtgenote van de voormalige president van de Tunesische Republiek zou hebben, in de onderhavige zaak irrelevant. De naam van verzoeker is namelijk niet wegens die familiebanden maar wegens een gerechtelijk onderzoek van de Tunesische autoriteiten betreffende zijn persoonlijke betrokkenheid bij feiten die als verduistering van overheidsgelden kunnen worden aangemerkt, op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72, zoals gewijzigd bij besluit 2016/119, geplaatst.

200

Bovendien tracht verzoeker aan te tonen dat, anders dan het geval is ten aanzien van de andere personen die bij verknochte gerechtelijke onderzoeken zijn betrokken, de Tunesische autoriteiten geleidelijk de dwangmaatregelen hebben ingetrokken die in het kader van het gerechtelijk onderzoek naar hem waren vastgesteld, maar de elementen die verzoeker aanvoert doen niet ter zake. Zoals in de punten 49 tot en met 56 hierboven in wezen is opgemerkt, kunnen de verschillende rechterlijke beslissingen tot opheffing van de uitgevaardigde verboden om het Tunesisch grondgebied te verlaten en tot annulering van beslissingen tot confiscatie van goederen van verzoeker niet vooruitlopen op het uiteindelijke standpunt van de Tunesische rechterlijke instanties betreffende de uitkomst van de strafprocedures waarop de Raad zich baseert. Verzoeker legt trouwens op geen enkel moment duidelijk het verband dat zou bestaan tussen die verschillende rechterlijke beslissingen en de betrokken strafprocedures. In die omstandigheden heeft de Raad, door te overwegen dat de beperkende maatregelen tegen verzoeker op basis van de door de Tunesische autoriteiten verstrekte gegevens konden worden verlengd, geen blijk gegeven van een beoordelingsfout betreffende die gegevens en is hij niet betrokken geraakt bij een „onrechtmatige praktijk” van die autoriteiten.

201

Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

– Derde onderdeel van het tweede middel: in het kader van de gerechtelijke procedure in Tunesië ten aanzien van verzoeker worden geen stappen van betekenis ondernomen

202

Verzoeker stelt dat uit het document van 10 december 2015 met als referentie MD 745/15 ADD 1 EXT 1, dat een door de Tunesische autoriteiten opgesteld formulier bevat dat de belangrijkste gegevens van zaak nr. 19592/1, waarin hij betrokken is, vermeldt, naar voren komt dat de rechterlijke instanties niets ondernemen om deze zaak te onderzoeken.

203

Dit betoog kan niet worden gevolgd.

204

Het betrokken formulier vermeldt namelijk dat verzoeker in het kader van zaak nr. 19592/1 op 14 mei 2014 is verhoord door de onderzoeksrechter, wat hij niet betwist. Daarenboven volgt uit de nota van verzoekers advocaat in Tunesië van 4 februari 2016, die bij de tweede memorie houdende aanpassing is gevoegd, dat eerder in het kader van dezelfde zaak nog twee verhoren van verzoeker hebben plaatsgevonden, namelijk op 15 februari 2012 en 21 februari 2012.

205

Voorts komt uit het betrokken formulier duidelijk naar voren dat zaak nr. 19592/1 niet alleen betrekking heeft op verzoeker, maar ook op alle personen waartegen klacht is ingediend betreffende het gebruik van de hoedanigheid van bloed- of aanverwant van de voormalige president van de Republiek Tunesië met het oog op het sluiten van fictieve contracten en onwettige overheidsopdrachten. Uit dat formulier volgt eveneens dat tussen 14 mei 2014 en 4 maart 2015 de bevoegde magistraat of de bevoegde magistraten een groot aantal onderzoekshandelingen in het kader van die zaak hebben verricht. Daarenboven wijst niets in dat formulier erop dat buiten die periode geen enkele onderzoekshandeling zou zijn verricht.

206

Gelet op al deze elementen, kan louter op basis van het feit dat de laatste onderzoekshandeling ten aanzien van verzoeker, die in het betrokken formulier is vermeld, in het kader van deze zaak op 14 mei 2014 is verricht, niet worden verklaard dat zaak te traag wordt behandeld en dat de Tunesische autoriteiten onvoldoende voortvarendheid aan de dag leggen. Hoe dan ook is de Raad, voor zover dat het geval zou zijn, om de redenen uiteengezet in de punten 67 tot en met 75 hierboven louter op grond daarvan niet gehouden om de bevriezing van activa ten aanzien van verzoeker te beëindigen. Het derde onderdeel van het tweede middel moet dus worden afgewezen.

– Vierde onderdeel van het tweede middel: de aan verzoeker verweten feiten en zijn individuele verantwoordelijkheid zijn niet zo nauwkeurig verwoord als de rechtspraak vereist

207

Ter onderbouwing van dit onderdeel beroept verzoeker zich op punt 44 van het arrest van 26 oktober 2015, Portnov/Raad (T‑290/14, EU:T:2015:806), en op de punten 44 en 48 van het arrest van 28 januari 2016, Stavytskyi/Raad (T‑486/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:45), om te stellen dat de Raad niet alleen verplicht is om nauwkeurig de inbreuken aan te duiden waarvan de persoon wiens naam op de betrokken lijst is geplaatst, wordt verdacht, maar ook bijzonderheden moet verstrekken over de individuele verantwoordelijkheid van die persoon in de betrokken handelingen. Volgens verzoeker zijn deze criteria in de onderhavige zaak niet vervuld. Bovendien zou de Raad zich, gelet op deze arresten, niet mogen beperken tot de overweging of hij de activa in de Unie van een onderdaan van een derde land mag bevriezen louter omdat deze in het betrokken derde land wordt vervolgd. Ten slotte is verzoeker van mening dat hij, gelet op het feit dat in de strafprocedure ten aanzien van hem geen vooruitgang wordt geboekt, niet kan worden geacht strafrechtelijk te worden vervolgd.

208

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de arresten van 26 oktober 2015, Portnov/Raad (T‑290/14, EU:T:2015:806), en 28 januari 2016, Stavytskyi/Raad (T‑486/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:45), betrekking hebben op beroepen tegen besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 26).

209

Het Gerecht heeft in punt 44 van het arrest van 26 oktober 2015, Portnov/Raad (T‑290/14, EU:T:2015:806), en in punt 44 van het arrest van 28 januari 2016, Stavytskyi/Raad (T‑486/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:45), vastgesteld dat het enige bewijs waarop de litigieuze beperkende maatregelen waren gebaseerd, dat weliswaar afkomstig was van een hoge rechterlijke instantie van een derde land, namelijk de procureur-generaal van Oekraïne, slechts een algemene verklaring bevatte die de naam van verzoekers, waaronder die van andere voormalige hoge ambtenaren, in verband bracht met een onderzoek dat in wezen bedoeld was om na te gaan of inderdaad sprake was van verduistering van overheidsgelden. Daarenboven heeft het Gerecht in dezelfde punten vastgesteld dat de brief weliswaar de inbreuk vermeldde waarvan verzoekers volgens het Oekraïense strafwetboek werden verdacht, te weten het in artikel 191 van dat wetboek strafbaar gestelde feit van toe-eigening van tegoeden van de Oekraïense Staat, maar geen nadere preciseringen verschafte over de vaststelling van de feiten die de Oekraïense autoriteiten in het kader van het ingestelde onderzoek aan het controleren waren, laat staan over de al was het maar vermeende individuele verantwoordelijkheid van verzoeker op basis van die feiten.

210

Voorts was het Gerecht in punt 48 van het arrest van 28 januari 2016, Stavytskyi/Raad (T‑486/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:45), van oordeel dat de Raad, ongeacht het stadium van de procedure die werd geacht ten aanzien van verzoeker te zijn ingeleid, geen beperkende maatregelen tegen hem kon vaststellen zonder kennis te hebben van de feiten betreffende verduistering van overheidsgelden, die hem specifiek door de Oekraïense autoriteiten werden verweten, aangezien de Raad slechts op basis van kennis van die feiten had kunnen vaststellen dat zij enerzijds als verduistering van overheidsgelden konden worden gekwalificeerd en anderzijds de rechtsstaat in Oekraïne konden ondermijnen, waarvan de versterking en de ondersteuning het doel vormen dat wordt nagestreefd met de vaststelling van de betrokken beperkende maatregelen (arrest van 28 januari 2016, Stavytskyi/Raad, T‑486/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:45).

211

Los van de vraag of de in het kader van besluit 2014/119 vastgestelde beperkende maatregelen in alle opzichten kunnen worden vergeleken met die welke in het kader van besluit 2011/72 zijn vastgesteld, kan volstaan worden met de vaststelling dat de feitelijke context van de zaken die tot die arresten hebben geleid, zoals blijkt uit punt 44 van het arrest van 26 oktober 2015, Portnov/Raad (T‑290/14, EU:T:2015:806), en uit de punten 44 en 48 van het arrest van 28 januari 2016, Stavytskyi/Raad (T‑486/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:45), in belangrijke mate verschilt van die van de onderhavige zaak.

212

In de eerste plaats wordt de context van de onderhavige zaak namelijk gekenmerkt door het feit dat een gerechtelijk vooronderzoek ten aanzien van verzoeker loopt, hetgeen blijkt uit attesten van de rechterlijke instantie die deze vooronderzoeken voert en die de referenties van de betrokken zaak, de juiste aard van de strafrechtelijke inbreuken waarover dat onderzoek gaat en de mate waarin verzoeker vermoedelijk bij die inbreuken is betrokken, in detail preciseren. Anders dan verzoeker aanvoert, zijn de beperkende maatregelen tegen hem bijgevolg gebaseerd op concrete feitelijke gegevens in verband met de inbreuken waarvan hij wordt verdacht en zijn vermeende individuele verantwoordelijkheid voor die inbreuken. Uit de processtukken blijkt overigens dat de Raad bij de vaststelling van besluit 2016/119 niet alleen over die attesten beschikte, maar ook over van de Tunesische autoriteiten afkomstige documenten die aanvullende preciseringen bevatten over de aard van de feiten waarop het onderzoek ten aanzien van verzoeker betrekking heeft, en over de stand van dat onderzoek (zie de documenten die in de punten 193 en 202 hierboven zijn vermeld).

213

In de tweede plaats, zoals het Gerecht in punt 44 van het arrest van 26 oktober 2015, Portnov/Raad (T‑290/14, EU:T:2015:806), en in punt 44 van het arrest van 28 januari 2016, Stavytskyi/Raad (T‑486/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:45), heeft vastgesteld, waren de in deze arresten betrokken beperkende maatregelen uitsluitend gebaseerd op een schrijven van de procureur-generaal van Oekraïne, dat slechts een algemene verklaring bevatte die de naam van verzoekers, waaronder die van andere hoge ambtenaren, in verband bracht met een onderzoek dat in wezen bedoeld was om na te gaan of inderdaad sprake was van verduistering van overheidsgelden en voorts geen enkele nadere precisering bevatte.

214

Verzoeker kan dus niet stellen dat de Raad bij de vaststelling van besluit 2016/119 niet heeft voldaan aan de in de arresten van 26 oktober 2015, Portnov/Raad (T‑290/14, EU:T:2015:806), en 28 januari 2016, Stavytskyi/Raad (T‑486/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:45), gestelde vereisten.

215

Verzoekers argument dat hij niet kon worden geacht door de Tunesische autoriteiten te worden vervolgd, is om de redenen uiteengezet in de punten 82 tot en met 84 hierboven ongegrond.

216

Uit een en ander volgt dat het vierde onderdeel van het tweede middel en dientengevolge ook het onderhavige middel in zijn geheel moet worden afgewezen.

Derde middel: besluit 2016/119 is zonder voorwerp geraakt

217

In het kader van dit middel past verzoeker het in het kader van het derde middel ontwikkelde betoog, dat in wezen berust op de stelling dat dit besluit door de ontwikkelingen van het democratisch proces in Tunesië zijn rechtsgrondslag verliest, aan de context van besluit 2016/119 aan. Dit argument moet evenwel om dezelfde redenen als uiteengezet in de punten 127 tot en met 133 hierboven worden afgewezen.

Vierde middel: schending van het beginsel van de redelijke procestermijn

218

In het kader van het vierde middel past verzoeker het betoog betreffende de redelijke procestermijn aan dat hij in het verzoekschrift heeft ontwikkeld om het tweede onderdeel van het eerste middel en het eerste onderdeel van het tweede middel te staven. Volgens hem is het betoog van de Raad in het kader van de dupliek, volgens hetwelk de duur van het gerechtelijk onderzoek van de Tunesische autoriteiten wordt gerechtvaardigd door de aard van de inbreuken die er het voorwerp van uitmaken en door het bestaan van rechtsbijstandsprocedures, niet gebaseerd op enig feitelijk element dat op hem betrekking had. Bovendien is de handhaving van de beperkende maatregelen gebaseerd op een „cirkelredenering”. De Tunesische autoriteiten hebben er volgens verzoeker namelijk belang bij om de strafprocedure ten aanzien van verzoeker niet sneller te laten verlopen, omdat de bevriezing van de activa van verzoeker in de Unie hierdoor een „maximaal bestraffingseffect” krijgt, terwijl de Raad de duur van die bevriezing van activa zou kunnen rechtvaardigen door zich te beroepen op de duur van de strafprocedure in Tunesië.

219

In zijn opmerkingen bij de tweede memorie houdende aanpassing brengt de Raad hier tegen in dat hij onafhankelijk van de Tunesische autoriteiten handelt en dat hij zijn beoordeling van de situatie van verzoeker niet hoeft te baseren op een beslissing van de Tunesische rechterlijke instanties, maar louter over de mogelijkheid daartoe beschikt. Hij komt tot het besluit dat in casu geen sprake is van een „cirkelredenering” en dat het arrest van 9 september 2010, Al-Aqsa/Raad (T‑348/07, EU:T:2010:373), waarop verzoeker zich beroept, in dit opzicht niet ter zake doet.

220

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat met het oog op de afwijzing van het tweede onderdeel van het eerste middel in het verzoekschrift in de punten 61 tot en met 75 hierboven eerst is uiteengezet dat, zelfs indien de gegevens die verzoeker vóór de vaststelling van besluit 2015/157 had verstrekt hadden kunnen rechtvaardigen dat de Raad verificaties uitvoert betreffende de stand van de gerechtelijke onderzoeken ten aanzien van verzoeker, die gegevens de Raad niet ertoe konden verplichten om de bevriezing van verzoekers activa in de Unie te beëindigen. Voorts is in de punten 77 en 78 hierboven uiteengezet dat die gegevens geen legitieme vragen konden doen rijzen over eventuele schending van zijn recht op een redelijke procestermijn door de Tunesische autoriteiten. In punt 96 hierboven heeft het Gerecht zich met name op dezelfde redenering gebaseerd om het eerste onderdeel van het tweede middel uit het verzoekschrift af te wijzen.

221

Bovendien zij opgemerkt dat de Raad, zoals hij in de dupliek betoogt, van mening is dat hij beschikt over gegevens die aantonen dat de gerechtelijke procedure in Tunesië niet onredelijk traag verloopt en deel uitmaakt van een bijzonder ingewikkelde zaak waar veel verdachten bij betrokken zijn. Hij baseert zich in dit opzicht op de documenten met als referentie MD 2015/552 EXT 2 en MD 2015/553 EXT 2, die respectievelijk een verslag van de Tunesische autoriteiten over de stand van zaken van de gerechtelijke onderzoeken op 11 mei 2015 en een van het eerste onderzoeksbureau van de Tribunal de grande instance de Tunis afkomstig formulier betreffende zaak nr. 19592/1 van dezelfde dag bevatten.

222

Vastgesteld moet worden dat de in punt 221 hierboven bedoelde documenten erop lijken te wijzen dat daadwerkelijk procedurele stappen worden ondernomen in het kader van het onderzoek van de zaak waarbij verzoeker betrokken is en dat deze zaak als gevolg van het aantal betrokken personen en de vereiste onderzoeksmaatregelen, waaronder internationale rogatoire commissies, ingewikkeld is.

223

Ofschoon die documenten inderdaad nauwelijks verwijzingen bevatten naar verzoekers persoonlijke situatie, kan deze laatste niet stellen dat het desbetreffende betoog van de Raad niet gebaseerd is op enig feitelijk element dat op hem betrekking heeft. Aangezien het onderzoek naar de inbreuken waarvan hij wordt verdacht deel uitmaakt van een ruimer onderzoek met internationale vertakkingen, waarbij vele andere personen betrokken zijn, kan de complexiteit van dat onderzoek immers een invloed hebben op de duur van de procedure ten aanzien van verzoeker in het bijzonder. Deze zienswijze wordt bevestigd door het in punt 202 hierboven bedoelde document van 10 december 2015 met de referentie MD 745/15 ADD 1. In die omstandigheden blijkt uit de processtukken niet dat de Raad blijk heeft gegeven van een beoordelingsfout betreffende de eerbiediging van de redelijke procestermijn door de Tunesische autoriteiten.

224

Uit al die documenten komt in ieder geval naar voren dat de Raad, rekening houdend met de opmerkingen van verzoeker, besluit 2016/119 pas heeft vastgesteld na de stand van het gerechtelijk onderzoek ten aanzien van verzoeker grondig te hebben gecontroleerd, en dat hem dus niet kan worden verweten dat hij geen rekening heeft gehouden met de kwestie van de duur van de strafprocedures in Tunesië. Daarenboven kunnen die vertragingen, zelfs indien die procedures zouden te lijden hebben van ongerechtvaardigde vertragingen bij de behandeling van verzoekers zaak, om de redenen uiteengezet in de punten 61 tot en met 75 hierboven de Raad niet noodzakelijkerwijs ertoe verplichten een einde te maken aan de bevriezing van de activa van verzoeker in de Unie.

225

Aan die conclusies kan niet worden afgedaan door verzoekers argument inzake een vermeende cirkelredenering als gevolg van het verband tussen de gerechtelijke procedures in Tunesië en de bevriezing van zijn activa in de Unie.

226

Dat argument berust immers op de premisse dat de Tunesische autoriteiten met opzet traag zouden te werk gaan bij de behandeling van het gerechtelijk onderzoek ten aanzien van verzoeker om deze door middel van de handhaving van de verlenging van de bevriezing van zijn activa in de Unie te straffen en dat de Raad willens en wetens aan dit misbruik zou bijdragen. Ten eerste moet echter worden opgemerkt dat verzoeker in dat verband niets aanvoert waaruit zou kunnen blijken dat een dergelijk voornemen daadwerkelijk bij de Tunesische autoriteiten aanwezig is of dat de Raad zijn goedkeuring verleent aan een dergelijk misbruik. Ten tweede kan de bevriezing van verzoekers activa in de Unie niet het karakter van een straf hebben omdat zij geen strafrechtelijke connotatie heeft en aan bepaalde grenzen is gebonden. Er zij immers aan herinnerd dat die bevriezing van activa, waarop uit hoofde van artikel 1, leden 3 en 4, van besluit 2011/72 en krachtens artikel 1, lid 5, van dit besluit verschillende uitzonderingen bestaan, naast het feit dat zij tijdelijk en omkeerbaar is, verzoeker namelijk niet de opbrengst onthoudt die voortkomt uit de vergoedingen van zijn rekeningen of de betaling van contracten, overeenkomsten of verplichtingen die zijn aangegaan voor die bevriezing van activa van kracht werd. De gevolgen van die bevriezing van activa voor verzoeker zijn dus niet vergelijkbaar met die van een strafrechtelijke sanctie. Het argument is dus louter speculatief van aard.

227

Derhalve moet het vierde middel worden afgewezen.

Vijfde middel: schending van het eigendomsrecht

228

In het kader van het vijfde middel past verzoeker het vijfde middel uit het verzoekschrift aan en stelt hij dat de bevriezing van zijn activa in de Unie een kennelijk onevenredige inmenging in zijn eigendomsrecht uitmaakt aangezien zij geen feitelijke grondslag heeft en langer heeft geduurd dan redelijkerwijs nodig is.

229

De Raad bestrijdt dit betoog.

230

Allereerst moet worden opgemerkt dat verzoeker in het kader van het vijfde middel in het verzoekschrift, zoals in punt 151 hierboven is vastgesteld, alleen vraagtekens heeft geplaatst bij het feit dat de bevriezing van zijn activa in de Unie niet voldeed aan de in de rechtspraak vastgestelde eerste twee voorwaarden voor de beperking van de uitoefening van het eigendomsrecht, namelijk dat er voor die beperking een rechtsgrondslag moet bestaan en dat zij moet beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang. In het kader van het onderhavige middel plaatst verzoeker daarentegen ook vraagtekens bij het feit of voldaan is aan de derde voorwaarde, te weten dat met die beperking een doel moet worden nagestreefd dat noodzakelijk en evenredig is. De formulering van deze laatste grief, die niet kan worden geacht de grieven in het kader van het vijfde middel van het verzoekschrift aan te vullen en dus nieuw is, wordt echter niet gerechtvaardigd door nieuwe gegevens die voorafgaan aan de vaststelling van besluit 2016/119 (zie in die zin en naar analogie arrest van 13 september 2013, Anbouba/Raad, T‑563/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:429, punten 52 en 53). Deze grief is dus hoe dan ook ongegrond.

231

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de bevriezing van activa van personen die het voorwerp zijn van een krachtens de bepalingen van het GBVB vastgesteld besluit, gelet op het doel ervan, niet noodzakelijkerwijs een buitensporige en ongeoorloofde inmenging vormt die afbreuk zou doen aan de kern zelf van het eigendomsrecht (zie in die zin arrest van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punten 121 en 122 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat de beperkingen van het gebruik van het eigendomsrecht van personen tegen wie een beperkende maatregel zoals de in casu aan de orde zijnde bevriezing van tegoeden, niet alleen uit de algemene opzet van de betrokken maatregel volgen, maar in voorkomend geval ook uit de effectieve duur van de toepassing ervan (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 132en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aldus vormt de lengte van de periode waarbinnen een maatregel zoals de litigieuze maatregel van toepassing is een van de elementen waarmee de Unierechter bij het onderzoek van de evenredigheid van die maatregel rekening moet houden (arrest van 30 juni 2016, CW/Raad, T‑516/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:377, punt 172).

232

Aangezien verzoeker het onderhavige middel uitsluitend baseert op het gestelde gebrek aan een feitelijke grondslag voor de litigieuze bevriezing van activa en op de buitensporige duur ervan, kan in casu worden volstaan met de vaststelling dat, zoals blijkt uit de overwegingen in de punten 186 tot en met 216 hierboven in het kader van het onderzoek van het eerste onderdeel van het tweede middel enerzijds en in de punten 220 tot en met 226 hierboven in het kader van het onderzoek van het vierde middel anderzijds, de bevriezing van verzoekers activa op een toereikende feitelijke grondslag berust en niet buitensporig lang werd toegepast. Bijgevolg is geen afbreuk gedaan aan de evenredigheid van deze maatregel.

233

Het vijfde middel moet derhalve worden afgewezen. Aangezien geen van de in de tweede memorie houdende aanpassing aangevoerde middelen gegrond is, moeten verzoekers vorderingen tot nietigverklaring van besluit 2016/119 en bijgevolg ook het beroep in zijn geheel worden afgewezen.

Kosten

234

Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

235

Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Raad in de kosten worden verwezen.

 

HET GERECHT (Vijfde kamer),

rechtdoende, verklaart:

 

1)

Het beroep wordt verworpen.

 

2)

Mohamed Marouen Ben Ali Ben Mohamed Mabrouk wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van de Raad van de Europese Unie.

 

Gratsias

Labucka

Ulloa Rubio

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 5 oktober 2017.

ondertekeningen

Inhoud

 

Voorgeschiedenis van het geding en feiten

 

Procedure en conclusies van partijen

 

In rechte

 

Conclusies van het verzoekschrift die strekken tot nietigverklaring van besluit 2015/157

 

Eerste middel: onjuiste rechtsopvatting aangezien de Raad ten onrechte van mening was dat het in Tunesië ten aanzien van verzoeker lopende gerechtelijk onderzoek een toereikende feitelijke grondslag vormde

 

– Eerste onderdeel van het eerste middel: de Raad heeft geen rekening gehouden met de gunstige ontwikkelingen van de verschillende gerechtelijke procedures ten aanzien van verzoeker in Tunesië

 

– Tweede onderdeel van het eerste middel: de Raad heeft geen rekening gehouden met de schending van het beginsel van een redelijke procestermijn in het kader van het ten aanzien van verzoeker lopende gerechtelijk onderzoek

 

– Derde onderdeel van het eerste middel: de Raad heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangezien hij ten onrechte van mening was dat de door de Tunesische autoriteiten verstrekte gegevens aantoonden dat er vervolgingen ten aanzien van verzoeker waren ingesteld

 

Tweede middel: schendingen van verzoekers grondrechten in de procedure tot vaststelling van besluit 2015/157

 

– Eerste onderdeel van het tweede middel: schending van artikel 47 van het Handvest op grond dat de Raad zelf het beginsel van een eerlijke procestermijn niet heeft geëerbiedigd

 

– Tweede onderdeel van het tweede middel: schending van het vermoeden van onschuld door het persbericht van de Raad van 31 januari 2011

 

– Derde onderdeel van het tweede middel: schending van het recht op behoorlijk bestuur, en in het bijzonder van het recht op een onpartijdige behandeling van zijn zaken uit hoofde van artikel 41, lid 1, van het Handvest

 

Derde middel: besluit 2015/157 is gelet op de ontwikkelingen van het democratiseringsproces in Tunesië zonder voorwerp geraakt

 

Vierde middel, subsidiair: „kennelijke beoordelingsfout” omdat de Raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het „strafrechtelijke aspect” van besluit 2015/157

 

Vijfde middel: schending van het eigendomsrecht en van artikel 17 van het Handvest

 

De in de eerste memorie houdende aanpassing opgenomen vorderingen tot nietigverklaring van het „besluit” van de Raad van 16 november 2015 tot afwijzing van verzoekers verzoek van 29 mei 2015 om zijn naam te schrappen van de lijst in de bijlage bij besluit 2011/72

 

De in de tweede memorie houdende aanpassing opgenomen vorderingen tot nietigverklaring van besluit 2016/119

 

Eerste middel: schending van het vermoeden van onschuld en van het beginsel van behoorlijk bestuur

 

Tweede middel: ontbreken van een voldoende solide, feitelijke grondslag voor de litigieuze maatregelen

 

– Eerste onderdeel van het tweede middel: de beweringen waarop de handhaving van de opneming van verzoekers naam in de bijlage bij besluit 2011/72 is gebaseerd, zijn te vaag geformuleerd

 

– Tweede onderdeel van het tweede middel: verzoekers dossier wordt niet afzonderlijk behandeld door de Tunesische rechterlijke instanties

 

– Derde onderdeel van het tweede middel: in het kader van de gerechtelijke procedure in Tunesië ten aanzien van verzoeker worden geen stappen van betekenis ondernomen

 

– Vierde onderdeel van het tweede middel: de aan verzoeker verweten feiten en zijn individuele verantwoordelijkheid zijn niet zo nauwkeurig verwoord als de rechtspraak vereist

 

Derde middel: besluit 2016/119 is zonder voorwerp geraakt

 

Vierde middel: schending van het beginsel van de redelijke procestermijn

 

Vijfde middel: schending van het eigendomsrecht

 

Kosten


( *1 ) Procestalen: Engels en Frans.