10.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 165/4


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Judecătoria Câmpulung (Roemenië) op 23 november 2016 — Dumitru Gavrilescu en Liliana Gavrilescu/SC Volksbank România SA, SC Volksbank România SA — sucursala Câmpulung

(Zaak C-627/15)

(2016/C 165/05)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Judecătoria Câmpulung

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Dumitru Gavrilescu, Liliana Gavrilescu

Verwerende partijen: SC Volksbank România SA, SC Volksbank România SA — sucursala Câmpulung

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1) aldus worden uitgelegd dat onder de begrippen „eigenlijke voorwerp van de overeenkomst” en „gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten” een beding valt dat is opgenomen in een tussen een verkoper en een consument gesloten kredietovereenkomst die in vreemde valuta is uitgedrukt, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en volgens hetwelk alleen de schuldenaar het „wisselkoersrisico” draagt, dat bestaat in het potentiële negatieve effect van de verhoging van het maandelijks af te lossen bedrag ten gevolge van de schommeling van de wisselkoersen, en dat hij te dragen heeft omdat de kredietovereenkomst is uitgedrukt in een andere munt dan de nationale munt van Roemenië en de termijnen op grond van die overeenkomst in die andere munt moeten worden voldaan?

2)

Moet de verplichting van de consument om bij aflossing van het krediet het verschil te dragen dat het gevolg is van de stijging van de wisselkoers van de munt waarin het krediet is verstrekt (CHF), overeenkomstig artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus worden opgevat dat het daarbij gaat om een vergoeding waarvan de gelijkwaardigheid met de verrichte dienst niet kan worden onderzocht met het oog op de beoordeling van het oneerlijke karakter ervan?

3)

Indien het antwoord op de vorige vraag luidt dat een dergelijk beding niet ontsnapt aan de beoordeling van het oneerlijke karakter, kan dat beding dan worden geacht te voldoen aan de in de richtlijn gestelde voorwaarden van goede trouw, evenwicht en transparantie, en de consument in staat te stellen om aan de hand van duidelijke en begrijpelijke criteria de gevolgen te voorzien die er voor hem uit voortvloeien?

4)

Geldt de door richtlijn 93/13 geboden bescherming ten aanzien van een contractueel beding als het beding dat is opgenomen onder [punt] 4.2 van de algemene voorwaarden van de overeenkomst, volgens hetwelk de bank het recht heeft om een in CHF verstrekt krediet om te zetten in de nationale munt wanneer de wisselkoers met meer dan 10 % stijgt ten opzichte van de wisselkoers bij sluiting van de overeenkomst, om te vermijden dat de bank nog meer wordt blootgesteld aan het wisselkoersrisico, zonder dat een soortgelijk recht aan de consument wordt verleend, of ontsnapt een dergelijk beding aan de beoordeling van het oneerlijke karakter?


(1)  PB L 95 van 21.4.1993, blz. 29.