|
3.8.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 254/4 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vrhovno sodišče Republike Slovenije (Slovenië) op 22 april 2015 — Marjan Kostanjevec/F&S LEASING, G.m.b.H.
(Zaak C-185/15)
(2015/C 254/05)
Procestaal: Sloveens
Verwijzende rechter
Vrhovno sodišče Republike Slovenije
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Marjan Kostanjevec
Verwerende partij: F&S LEASING, G.m.b.H.
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet het begrip tegenvordering in de zin van artikel 6, punt 3, van verordening [OMISSIS] nr. 44/2001 (1) aldus worden uitgelegd dat daaronder mede valt de vordering die naar nationaal recht als tegenvordering is ingediend nadat in de herzieningsprocedure een definitief en uitvoerbaar geworden beslissing op de oorspronkelijke vordering van de verwerende partij is vernietigd en dezelfde zaak voor nieuw onderzoek is terugverwezen naar de rechter in eerste aanleg, maar de verzoekende partij in haar op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde tegenvordering terugbetaling vordert van het bedrag dat zij heeft moeten betalen krachtens de — vernietigde — beslissing, uitgesproken in de procedure over de oorspronkelijke vordering van de verwerende partij? |
|
2) |
Moet het begrip „door consumenten gesloten overeenkomsten” in artikel 15, lid 1, van verordening [OMISSIS] nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat daaronder mede valt de situatie waarin de consument zijn — op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde — vordering indient als een tegenvordering naar nationaal recht die verband houdt met de oorspronkelijke vordering, maar die betrekking heeft op een zaak betreffende een door een consument overeenkomstig genoemde bepaling van verordening [OMISSIS] nr. 44/2001 gesloten overeenkomst en waarmee de verzoeker — consument — terugbetaling vordert van het bedrag dat hij heeft moeten betalen ter uitvoering van een (vervolgens) vernietigde beslissing, uitgesproken in een procedure op de oorspronkelijke vordering van de verwerende partij, en daarmee van het bedrag dat zijn oorsprong vindt in een zaak betreffende een door een consument gesloten overeenkomst? |
|
3) |
Wanneer in het hierboven omschreven geval de bevoegdheid niet kan worden gebaseerd op de bevoegdheidsregels voor tegenvorderingen en evenmin op de bevoegdheidsregels voor door de consument gesloten overeenkomsten:
|
(1) Rectificatie van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1-23).