ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

9 november 2017 ( *1 )

„Hogere voorziening – Staatssteun – Artikel 107, lid 1, VWEU – Openbare omroep – Door de Deense autoriteiten ten uitvoer gelegde maatregelen ten behoeve van de Deense omroep TV2/Danmark – Begrip ,steunmaatregelen van de staten of met staatsmiddelen bekostigd’ – Arrest Altmark”

In zaak C‑657/15 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 7 december 2015,

Viasat Broadcasting UK Ltd, gevestigd te West Drayton (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door M. Honoré en S. Kalsmose-Hjelmborg, advokater,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

TV2/Danmark A/S, gevestigd te Odense (Denemarken), vertegenwoordigd door O. Koktvedgaard, advokat,

verzoekster in eerste aanleg,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Stromsky, T. Maxian Rusche en L. Grønfeldt als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster in eerste aanleg,

Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door C. Thorning als gemachtigde, bijgestaan door R. Holdgaard, advokat,

interveniënt in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), kamerpresident, C. G. Fernlund, A. Arabadjiev, S. Rodin en E. Regan, rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 mei 2017,

het navolgende

Arrest

1

Met haar hogere voorziening verzoekt Viasat Broadcasting UK Ltd (hierna: „Viasat”) om gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 24 september 2015, TV2/Danmark/Commissie (T‑674/11, EU:T:2015:684; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht, ten eerste, besluit 2011/839/EU van de Commissie van 20 april 2011 betreffende de door Denemarken ten uitvoer gelegde steunmaatregel (C 2/03) ten behoeve van TV2/Danmark (PB 2011, L 340, blz. 1; hierna: „litigieus besluit”) nietig heeft verklaard voor zover de Commissie daarin had geoordeeld dat de via het TV2-fonds aan TV2/Danmark overgedragen reclame-inkomsten van de jaren 1995 en 1996 staatssteun vormden, en, ten tweede, voor het overige, het beroep van TV2/Danmark A/S tot gedeeltelijke nietigverklaring van dit besluit heeft verworpen.

Aan het geding ten grondslag liggende feiten

2

TV2/Danmark is een Deense omroeporganisatie die is opgericht in 1986. Zij had bij oprichting eerst de vorm van een autonome overheidsonderneming, maar is met boekhoudkundige en fiscale ingang van 1 januari 2003 omgezet in een naamloze vennootschap. TV2/Danmark is, na Danmarks Radio, de tweede publieke televisiezender in Denemarken.

3

TV2/Danmark heeft tot taak nationale en regionale televisieprogramma’s te produceren en uit te zenden. De uitzendingen vinden plaats via onder meer radiozendmasten, satelliet en de kabel. De openbaredienstverplichtingen van TV2/Danmark worden bepaald door de minister van Cultuur.

4

Naast de publieke televisiemaatschappijen bestaan er op de landelijke Deense televisiemarkt commerciële omroepen. Dit betreft onder meer Viasat Broadcasting UK Ltd (hierna: „Viasat”) en verder de groep bestaande uit SBS TV A/S en SBS Danish Television Ltd (hierna: „SBS”).

5

TV2/Danmark is oorspronkelijk opgericht met behulp van een rentedragende staatslening en haar activiteit moest, net als die van Danmarks Radio, worden gefinancierd uit de opbrengst van de door alle Deense televisiekijkers betaalde omroepbijdrage. De wetgever heeft echter beslist dat TV2/Danmark, anders dan Danmarks Radio, ook inkomsten mocht verwerven uit met name reclameactiviteiten.

6

Naar aanleiding van een op 5 april 2000 door SBS Broadcasting SA/Tv Danmark ingediende klacht, heeft de Commissie het stelsel van financiering van TV2/Danmark onderzocht in haar beschikking 2006/217/EG van 19 mei 2004 betreffende de staatssteun van Denemarken aan TV2/Danmark (PB 2006, L 85, blz. 1, met rectificatie in PB 2006, L 368, blz. 112; hierna: „beschikking TV2 I”). Deze beschikking bestreek het tijdvak tussen 1995 en 2002 en had betrekking op de volgende maatregelen: de geldmiddelen uit de omroepbijdrage, de overdrachten uit de fondsen voor de financiering van TV2/Danmark (het TV2-fonds en het Radiofonds), ad hoc toegekende bedragen, de vrijstelling van vennootschapsbelasting, de vrijstelling van rente en aflossing van het kapitaal voor de leningen die TV2/Danmark waren verleend bij haar oprichting, de staatswaarborg voor de exploitatieleningen en de gunstige betalingsvoorwaarden voor de bijdrage die TV2/Danmark verschuldigd was voor het gebruik van de nationale uitzendfrequentie (hierna samen: „betrokken maatregelen”). Ten slotte had het onderzoek van de Commissie ook betrekking op de aan TV2/Danmark verleende vergunning om uit te zenden via lokale frequenties in een netwerkstructuur en op de verplichting voor alle eigenaars van kabeldistributiesystemen om de openbare-omroepprogramma’s van TV2 in hun aanbod op te nemen.

7

Na onderzoek van de betrokken maatregelen stond de Commissie op het standpunt dat deze staatssteun vormden in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, omdat het stelsel van financiering van TV2/Danmark, dat de kosten van de openbaredienstprestaties van deze onderneming beoogde te compenseren, niet voldeed aan de tweede en de vierde voorwaarde die het Hof had geformuleerd in zijn arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, EU:C:2003:415; hierna, wat bovengenoemde voorwaarden betreft: „Altmark-voorwaarden”).

8

De Commissie heeft bovendien beslist dat bovengenoemde steun, die het Koninkrijk Denemarken tussen 1995 en 2002 aan TV2/Danmark had verleend, overeenkomstig artikel 106, lid 2, VWEU verenigbaar was met de interne markt, met uitzondering van een bedrag van 628,2 miljoen Deense kronen (DKK) (ongeveer 85 miljoen EUR), dat zij als „overcompensatie” heeft aangemerkt. Zij heeft het Koninkrijk Denemarken daarop gelast dit bedrag samen met rente van TV2/Danmark terug te vorderen.

9

Tegen beschikking TV2 I zijn vier beroepen tot nietigverklaring ingesteld, enerzijds door TV2/Danmark (zaak T‑309/04) en het Koninkrijk Denemarken (zaak T‑317/04) en anderzijds door de concurrenten van TV2/Danmark, Viasat (zaak T‑329/04) en SBS (zaak T‑336/04).

10

Bij arrest van 22 oktober 2008, TV2/Danmark e.a./Commissie (T‑309/04, T‑317/04, T‑329/04 en T‑336/04, EU:T:2008:457), heeft het Gerecht die beschikking nietig verklaard. In zijn arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie terecht op het standpunt stond dat de aan TV2/Danmark gegeven openbaredienstopdracht overeenkwam met de omschrijving van diensten van algemeen economisch belang op het gebied van de omroep. Het heeft echter ook vastgesteld dat beschikking TV2 I op verschillende punten onrechtmatig was.

11

Zo heeft het Gerecht, bij het onderzoek van de vraag of bij de maatregelen waarop beschikking TV2 I betrekking had staatsmiddelen betrokken waren, ten eerste vastgesteld dat de Commissie, voor het al dan niet kwalificeren als staatsmiddelen, haar beoordeling waarom de reclame-inkomsten in 1995 en 1996 de facto in aanmerking moesten worden genomen, niet had gemotiveerd. Ten tweede heeft het Gerecht vastgesteld dat het onderzoek van de Commissie naar de vraag of aan de tweede en de vierde Altmark-voorwaarde was voldaan, niet was gebaseerd op een nauwgezette analyse van de concrete juridische en economische omstandigheden waaronder het bedrag van de aan TV2/Danmark toekomende omroepbijdrage was vastgesteld. Bijgevolg was beschikking TV2 I op dit punt ontoereikend gemotiveerd. Ten derde heeft het Gerecht vastgesteld dat ook de toetsing door de Commissie van de verenigbaarheid van de steun aan artikel 106, lid 2, VWEU, in het bijzonder die betreffende het bestaan van overcompensatie, ontoereikend was gemotiveerd. Volgens het Gerecht resulteerde dit motiveringsgebrek uit het ontbreken van een nauwgezet onderzoek van de concrete juridische en economische omstandigheden waaronder het bedrag van de tijdens de onderzoeksperiode aan TV2/Danmark toekomende omroepbijdrage was vastgesteld.

12

Na de nietigverklaring van beschikking TV2 I heeft de Commissie de betrokken maatregelen opnieuw onderzocht. Bij die gelegenheid heeft zij het Koninkrijk Denemarken en TV2/Danmark geraadpleegd en bovendien opmerkingen ontvangen van de derde partijen.

13

Aan het einde van dat onderzoek heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld.

14

Dit besluit betreft de maatregelen die tussen 1995 en 2002 ten aanzien van TV2/Danmark zijn genomen. Bij haar onderzoek heeft de Commissie echter ook rekening gehouden met de herkapitalisatiemaatregelen die in de loop van 2004 naar aanleiding van beschikking TV2 I zijn genomen.

15

In het litigieuze besluit heeft de Commissie haar standpunt ter zake van de kwalificatie van de betrokken maatregelen als „staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU gehandhaafd. Allereerst heeft zij geoordeeld dat de reclame-inkomsten uit de jaren 1995 en 1996 staatsmiddelen vormden en daarna is zij, in het kader van het onderzoek naar het bestaan van een selectief voordeel, tot het standpunt gekomen dat de betrokken maatregelen niet voldeden aan de tweede en de vierde Altmark-voorwaarde. Terwijl de Commissie in beschikking TV2 I tot de conclusie was gekomen dat het bedrag van 628,2 miljoen DKK (ongeveer 85 miljoen EUR) een met artikel 106, lid 2, VWEU onverenigbare overcompensatie vormde, heeft zij in het litigieuze besluit echter geoordeeld dat dit bedrag een passende reserve aan eigen kapitaal voor TV2/Danmark was. In het dispositief van dit besluit heeft zij dan ook verklaard:

„Artikel 1

De maatregelen die door Denemarken tussen 1995 en 2002 ten gunste van TV2/Danmark ten uitvoer zijn gelegd in de vorm van middelen uit omroepbijdragen zijn, evenals de andere maatregelen die in het onderhavige besluit aan de orde zijn gesteld, verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 106, lid 2, [VWEU].”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

16

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 december 2011, heeft TV2/Danmark beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.

17

TV2/Danmark heeft het Gerecht primair verzocht het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover de Commissie daarin had geoordeeld dat de betrokken maatregelen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormden.

18

Subsidiair heeft TV2/Danmark het Gerecht verzocht het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover de Commissie daarin tot de conclusie was gekomen dat:

alle betrokken maatregelen nieuwe steun vormden;

de geldmiddelen uit de omroepbijdrage die tussen 1997 en 2002 zijn overgedragen aan TV2/Danmark en vervolgens werden overgeheveld naar de regionale zenders van TV2/Danmark, aan TV2/Danmark toegekende staatssteun vormden;

de reclame-inkomsten die in 1995 en 1996 en bij de opheffing van het TV2-fonds in 1997 uit dat fonds aan TV2/Danmark zijn overgedragen, aan TV2/Danmark toegekende staatssteun vormden.

19

Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het litigieuze besluit nietig verklaard voor zover de Commissie daarin had geoordeeld dat de via het TV2-fonds aan TV2/Danmark overgedragen reclame-inkomsten van de jaren 1995 en 1996 staatssteun vormden, en het beroep verworpen voor het overige.

Conclusies van partijen

20

Met haar hogere voorziening verzoekt Viasat het Hof:

punt 1 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen;

de motivering van het bestreden arrest waarmee het Gerecht het derde onderdeel van het eerste middel van TV2/Danmark gegrond heeft verklaard, te vernietigen;

het door TV2/Danmark ingediende en door het Koninkrijk Denemarken ondersteunde beroep tot nietigverklaring te verwerpen, en

TV2/Danmark en het Koninkrijk Denemarken in de kosten te verwijzen.

21

TV2/Danmark verzoekt het Hof:

de hogere voorziening af te wijzen, en

Viasat in de kosten te verwijzen.

22

Het Koninkrijk Denemarken verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen.

Hogere voorziening

23

Tot staving van haar hogere voorziening voert Viasat twee middelen aan.

Eerste middel

Argumenten van partijen

24

Met haar eerste middel stelt Viasat dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat de reclame-inkomsten van de jaren 1995 en 1996 die via TV2 Reklame A/S en het TV2-fonds aan TV2/Danmark zijn overgedragen geen staatsmiddelen vormden in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU en dat de Commissie deze bijgevolg in het litigieuze besluit niet had mogen aanmerken als staatssteun.

25

Viasat betoogt dat deze inkomsten onder controle en ter beschikking stonden van de Deense Staat omdat zij, alvorens aan TV2/Danmark te zijn overgedragen, in bezit waren geweest van twee door deze staat gecontroleerde publieke ondernemingen, namelijk TV2 Reklame en het TV2-fonds. Derhalve meent zij dat overeenkomstig de rechtspraak van het Hof was voldaan aan de noodzakelijke maar voldoende voorwaarde om deze inkomsten aan te kunnen merken als staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, ongeacht de herkomst van deze inkomsten.

26

Viasat merkt op dat, in casu, TV2 Reklame volledig in handen is en onder controle staat van de Deense Staat en dat de beslissingen van deze onderneming aan deze Staat kunnen worden toegerekend, aangezien de minister van Cultuur, met toestemming van de Commissie financiën van het Deense parlement, besliste over de bestemming van de winst van TV2 Reklame.

27

Volgens Viasat doet de overdracht van de betrokken middelen via het TV2-fonds niets af aan hun aard van „staatsmiddelen”, aangezien ook het TV2-fonds een publieke onderneming is die door de Deense Staat wordt gecontroleerd.

28

Viasat meent dat de onderhavige zaak zich vanwege deze omstandigheden duidelijk onderscheidt van de zaken die hebben geleid tot de arresten van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), en 5 maart 2009, UTECA (C‑222/07, EU:C:2009:124), die betrekking hadden op situaties waarin de betrokken middelen de privaatrechtelijke sfeer op geen enkel moment hadden verlaten.

29

Net als Viasat meent de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen met zijn oordeel dat de reclame-inkomsten die via het TV2-fonds van TV2 Reklame aan TV2/Danmark zijn overgedragen geen staatsmiddelen vormden in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU en dat de Commissie in het litigieuze besluit een onjuiste beoordeling en toepassing van de tweede Altmark-voorwaarde had gemaakt,.

30

TV2/Danmark en het Koninkrijk Denemarken betwisten dit betoog.

31

Zij stellen in wezen dat de betrokken reclame-inkomsten geen staatsmiddelen en bijgevolg evenmin staatssteun vormden, aangezien zij niet afkomstig waren van de Deense Staat, maar van de activiteit van TV2/Danmark, en dat de omstandigheid dat TV2 Reklame en het TV2-fonds publieke lichamen waren die in handen waren en onder controle stonden van de Deense Staat in dat opzicht niet van invloed was.

Beoordeling door het Hof

32

Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient voor de kwalificatie als „steun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU aan alle in deze bepaling bedoelde voorwaarden te zijn voldaan (zie arrest van 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord e.a., C‑206/06, EU:C:2008:413, punt 63en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33

Deze bepaling bevat vier voorwaarden. Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd. Ten tweede moet de maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten derde moet de maatregel een selectief voordeel verschaffen aan de begunstigde ervan. Ten vierde moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (zie arresten van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C‑280/00, EU:C:2003:415, punt 75; 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord e.a., C‑206/06, EU:C:2008:413, punt 64, en 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a., C‑262/12, EU:C:2013:851, punt 15).

34

In casu wordt enkel de eerste van deze voorwaarden betwist.

35

Wat deze voorwaarde betreft dat het voordeel direct of indirect met staatsmiddelen moet zijn bekostigd, dient eraan te worden herinnerd dat ook maatregelen waarbij geen staatsmiddelen worden overgedragen, onder het begrip „steunmaatregel van de staat” kunnen vallen (zie met name arresten van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie, C‑482/99, EU:C:2002:294, punt 36; 30 mei 2013, Doux Élevage en Coopérative agricole UKL-ARREE, C‑677/11, EU:C:2013:348, punt 34, en 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a., C‑262/12, EU:C:2013:851, punt 19).

36

Het begrip „met staatsmiddelen bekostigde” maatregel, in de zin van deze bepaling, omvat dus niet alleen de voordelen die rechtstreeks door een staat worden toegekend, maar ook die welke worden verleend door een van overheidswege ingesteld of aangewezen, publiek‑ of privaatrechtelijk beheersorgaan (zie arresten van 13 maart 2001, PreussenElektra, C‑379/98, EU:C:2001:160, punt 58; 30 mei 2013, Doux Élevage en Coopérative agricole UKL-ARREE, C‑677/11, EU:C:2013:348, punt 26, en 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a., C‑262/12, EU:C:2013:851, punt 20).

37

Het Unierecht verzet er zich immers tegen dat louter door de oprichting van autonome, met de verdeling van de steun belaste instanties de regels betreffende staatssteun zouden kunnen worden omzeild (zie arrest van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie, C‑482/99, EU:C:2002:294, punt 23).

38

Voorts moet eraan worden herinnerd dat uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat artikel 107, lid 1, VWEU alle geldelijke middelen omvat die de overheid daadwerkelijk kan gebruiken om ondernemingen te steunen, ongeacht of deze middelen permanent deel uitmaken van het vermogen van de staat. Dus ook al zijn de bedragen die overeenkomen met de betrokken maatregel niet permanent in het bezit van de schatkist, dan nog volstaat het feit dat zij constant onder staatscontrole en daarmee ter beschikking van de bevoegde nationale autoriteiten staan, om ze als „staatsmiddelen” aan te merken (zie arresten van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie, C‑482/99, EU:C:2002:294, punt 37; 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord e.a., C‑206/06, EU:C:2008:413, punt 70; 30 mei 2013, Doux Élevage en Coopérative agricole UKL-ARREE, C‑677/11, EU:C:2013:348, punt 35, en 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a., C‑262/12, EU:C:2013:851, punt 21).

39

Hieruit volgt dat middelen van publieke ondernemingen, wanneer zij onder staatscontrole vallen en dus ter beschikking van de staat staan, onder het begrip „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vallen. De staat is immers perfect in staat om door zijn dominerende invloed op deze ondernemingen het gebruik van hun middelen te sturen teneinde, in voorkomend geval, specifieke voordelen voor andere ondernemingen te financieren (zie in die zin arrest van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie, C‑482/99, EU:C:2002:294, punt 38).

40

De omstandigheid dat de betrokken middelen worden beheerd door entiteiten die losstaan van de overheid of een privaatrechtelijke herkomst hebben, heeft in dat opzicht geen invloed (zie in die zin arresten van 2 juli 1974, Italië/Commissie, 173/73, EU:C:1974:71, punt 35, en 8 mei 2003, Italië en SIM 2 Multimedia/Commissie, C‑328/99 en C‑399/00, EU:C:2003:252, punt 33).

41

Zoals het Gerecht in punt 176 van het bestreden arrest aangeeft, werd de reclamezendtijd van TV2/Danmark in de jaren 1995 en 1996 niet door TV2/Danmark zelf verkocht, maar door een derde vennootschap, TV2 Reklame A/S, en werd de opbrengst van die verkoop via het TV2-fonds aan TV2/Danmark overgedragen.

42

In dit verband wordt niet betwist dat TV2 Reklame en het TV2-fonds, net als TV2/Danmark, publieke ondernemingen waren in handen van de Deense Staat en dat zij tot taak hadden de overdracht van inkomsten van de verkoop van deze reclamezendtijd aan TV2/Danmark te beheren.

43

Het volledige kanaal waarlangs deze inkomsten werden geleid tot aan de overdracht aan TV2/Danmark werd dus beheerst door de Deense wetgeving, op grond waarvan publieke ondernemingen die daarvoor speciaal door de staat waren gemachtigd tot taak hadden deze inkomsten te beheren.

44

De betrokken inkomsten stonden hierdoor onder publieke controle en ter beschikking van de staat, die over de aanwending ervan kon beslissen.

45

Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof waaraan in de punten 35 tot en met 40 van dit arrest is herinnerd, vormen de betrokken inkomsten dan ook „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

46

Hieruit volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door in punt 220 van het bestreden arrest te oordelen dat de reclame-inkomsten van de jaren 1995 en 1996, die afkomstig waren van de verkoop door TV2 Reklame van reclamezendtijd van TV2/Danmark en via het TV2-fonds aan TV2/Danmark waren overgedragen, geen staatsmiddelen vormden en de Commissie deze dientengevolge onterecht als staatssteun had aangemerkt,.

47

Zoals al in punt 40 van dit arrest in herinnering is geroepen anders dan uit punt 211 van het bestreden arrest naar voren komt, is het feit dat deze inkomsten, die afkomstig waren van adverteerders, een private herkomst hadden in dat opzicht niet van invloed en irrelevant met betrekking tot de vraag of deze inkomsten door de Deense autoriteiten werden gecontroleerd.

48

Voorts heeft het Gerecht in de punten 208 en 212 van het bestreden arrest onterecht geoordeeld dat door publieke ondernemingen beheerde middelen, wanneer zij van derden afkomstig waren, alleen als staatsmiddelen konden worden aangemerkt wanneer zij vrijwillig door hun eigenaren ter beschikking van de staat waren gesteld, of door hun eigenaren waren achtergelaten en vervolgens door de staat werden beheerd.

49

Een dergelijk oordeel vindt, anders dan door het Gerecht is verklaard, geen enkele grondslag in de rechtspraak van het Hof.

50

Dit geldt eveneens voor de overwegingen in de punten 214, 215 en 217 van het bestreden arrest, dat alleen het deel van deze inkomsten dat bij een besluit van de minister van Cultuur niet aan TV2/Danmark werd overgedragen een staatsmiddel kon vormen en dat het feit dat er geen verplichting was om deze inkomsten elk jaar van het TV2-fonds aan TV2 over te dragen, niet tot een andere beoordeling kon leiden.

51

Zoals in de punten 41 tot en met 44 van het onderhavige arrest is vastgesteld, vloeide het bestaan van overheidscontrole op de betrokken reclame-inkomsten voort uit het feit dat deze werden beheerd door publieke ondernemingen in handen van de Deense Staat. Het staat trouwens vast dat de minister van Cultuur krachtens de Deense wetgeving kon besluiten dat deze inkomsten zouden worden besteed aan een ander doel dan een overdracht aan het TV2-fonds.

52

Tot slot kan de situatie die in de onderhavige zaak aan de orde is niet worden vergeleken met de situatie in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 maart 2001 (PreussenElektra, C‑379/98, EU:C:2001:160), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de aan de particuliere elektriciteitsbedrijven opgelegde verplichting, tegen vastgestelde minimumprijzen elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen af te nemen, geen enkele rechtstreekse of zijdelingse overdracht van staatsmiddelen aan de producenten van dit soort elektriciteit meebracht (zie arresten van 13 maart 2001, PreussenElektra, C‑379/98, EU:C:2001:160, punt 59; 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord e.a., C‑206/06, EU:C:2008:413, punt 74, en 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a., C‑262/12, EU:C:2013:851, punt 34).

53

Deze laatste zaak betrof namelijk private ondernemingen die van de betrokken lidstaat geen opdracht hadden gekregen om staatsmiddelen te beheren, maar verplicht waren tot een afname die met hun eigen middelen werd gefinancierd (zie arresten van 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord e.a., C‑206/06, EU:C:2008:413, punt 74; 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a., C‑262/12, EU:C:2014:2314, punt 35, en beschikking van 22 oktober 2014, Elcogás, C‑275/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2314, punt 32).

54

Overigens konden de betrokken middelen, in die zaak, niet als staatsmiddel worden aangemerkt aangezien zij op geen enkel tijdstip onder de controle van de staat stonden (zie arrest van 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a., C‑262/12, EU:C:2013:851, punt 36, en beschikking van 22 oktober 2014, Elcogás, C‑275/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2314, punt 32).

55

Zoals reeds is opgemerkt, heeft de onderhavige zaak betrekking op publieke ondernemingen, in casu TV2 Reklame en het TV2-fonds, die de Deense Staat heeft opgericht, in handen heeft en opdracht heeft gegeven tot het beheer van de inkomsten die afkomstig zijn uit de verkoop van reclamezendtijd van een andere publieke onderneming, namelijk TV2/Danmark, zodat deze inkomsten onder controle en ter beschikking stonden van de Deense Staat.

56

Derhalve heeft het Gerecht door in punt 213 van het bestreden arrest te oordelen dat de situatie die in deze zaak aan de orde was soortgelijk was aan de situatie die heeft geleid tot het arrest van 13 maart 2001 (PreussenElektra, C‑379/98, EU:C:2001:160), blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

57

In deze omstandigheden moet het eerste middel dat door Viasat tot staving van haar hogere voorziening is aangevoerd worden aanvaard en moet het bestreden arrest worden vernietigd, voor zover het litigieuze besluit daarin nietig is verklaard voor zover de Commissie daarin had geoordeeld dat de via het TV2-fonds aan TV2/Danmark overgedragen reclame-inkomsten van de jaren 1995 en 1996 staatssteun vormden.

Tweede middel

Argumenten van partijen

58

Met haar tweede middel verwijt Viasat het Gerecht in punt 106 van het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat het litigieuze besluit berustte op een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de strekking van de tweede Altmark-voorwaarde.

59

Voorts heeft het Gerecht, volgens Viasat, zijn beoordeling niet gebaseerd op de motivering van het litigieuze besluit zelf, maar op de uitlegging die de Commissie hieraan in de loop van het geding heeft gegeven. Het Gerecht heeft hiermee de grenzen van zijn toezicht overschreden.

60

In dat verband betoogt Viasat dat, anders dan het Gerecht in de punten 97, 99 en 104 tot en met 106 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, in de relevante overwegingen van dat besluit nergens staat dat de tweede Altmark-voorwaarde „het concept efficiëntie van de begunstigde van de compensatie [omvat]”.

61

Volgens Viasat stelt deze voorwaarde verplicht dat de parameters op basis waarvan de compensatie wordt berekend vooraf op objectieve en transparante wijze worden vastgesteld en heeft zij tot doel te voorkomen dat onrechtmatig een beroep wordt gedaan op het begrip „openbare dienst”.

62

De Commissie gaat mee met het betoog van Viasat. Zij herinnert eraan dat zij het Hof, in het kader van zaak C‑649/15 P, die heeft geleid tot het arrest TV2/Danmark/Commissie van heden, betreffende de hogere voorziening die door TV2/Danmark tegen het bestreden arrest is ingesteld, heeft verzocht de motivering te vervangen, voor zover het Gerecht heeft vastgesteld dat de tweede Altmark-voorwaarde was vervuld met betrekking tot de staatssteun ten behoeve van TV2/Danmark.

63

TV2/Danmark en het Koninkrijk Denemarken betwisten dat het tweede middel ontvankelijk is, omdat Viasat geen belang heeft op grond waarvan het Hof toezicht zou kunnen uitoefenen op de motivering van het bestreden arrest inzake deze tweede voorwaarde, aangezien het dictum van dat arrest in het voordeel is van Viasat en geen enkel onderdeel inzake die voorwaarde bevat.

64

Ten gronde stelt TV2/Danmark dat het Gerecht zijn beoordeling van de strekking van de tweede Altmark-voorwaarde heeft gebaseerd op zowel de motivering van het litigieuze besluit als op de uitlegging die de Commissie hieraan in het schriftelijke gedeelte van de procedure heeft gegeven.

65

TV2/Danmark is in ieder geval van mening dat in casu de parameters ter berekening van de compensatie op objectieve en transparante wijze vooraf waren vastgesteld.

Beoordeling door het Hof

66

Er zij aan herinnerd dat op, grond van artikel 169, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, „[d]e conclusies van de hogere voorziening strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht zoals deze in het dictum van deze beslissing voorkomt”.

67

In casu strekken de conclusies van de hogere voorziening inzake het tweede door Viasat opgeworpen middel er niet toe de nietigverklaring, in punt 1 van het dictum van het bestreden arrest, van besluit 2011/839 ter discussie te stellen, noch de afwijzing, in punt 2 van dat arrest, van het beroep voor het overige te betwisten, maar zijn zij gericht tegen de motivering in het bestreden arrest inzake de toepassing van de tweede Altmark-voorwaarde door de Commissie, die geen onderdeel van het dictum van het bestreden arrest vormt.

68

Overigens moet worden opgemerkt dat Viasat zelf erkent dat haar tweede middel betrekking heeft op een deel van het bestreden arrest dat, op zichzelf beschouwd, niet van invloed is op het dictum van dat arrest.

69

Hieruit volgt dat het tweede middel dat door Viasat tot staving van haar hogere voorziening is aangevoerd, niet-ontvankelijk is.

Beroep voor het Gerecht

70

Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht in geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.

71

In casu is het Hof van oordeel dat definitief uitspraak moet worden gedaan over het door TV2/Danmark ingestelde beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit.

72

In dat verband volstaat het om op te merken dat, om in de punten 35 tot en met 56 van het onderhavige arrest genoemde redenen, het vierde middel dat door TV2/Danmark is aangevoerd tot staving van de derde subsidiaire vordering, faalt.

73

Bijgevolg moet het beroep van TV2/Danmark worden verworpen.

Kosten

74

Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het zelf de zaak afdoet.

75

Volgens artikel 138, lid 3, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, draagt elk van de partijen haar eigen kosten indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Evenwel kan het Hof, indien dit gelet op de omstandigheden van de zaak gerechtvaardigd voorkomt, ook beslissen dat een partij naast in haar eigen kosten ook in een deel van de kosten van de andere partij wordt verwezen.

76

Ofschoon een van de twee door Viasat ingediende vorderingen in hogere voorziening is toegewezen en het bestreden arrest is vernietigd, geldt dit in casu niet voor de andere vordering, die door het Hof is afgewezen.

77

Derhalve moet enerzijds TV2/Danmark, naast haar eigen kosten, de helft van de kosten dragen die Viasat heeft gemaakt in het kader van deze hogere voorziening en alle kosten die laatstgenoemde heeft gemaakt in eerste aanleg, en anderzijds Viasat de helft van haar eigen kosten in deze hogere voorziening dragen.

78

Aangezien de Commissie niet formeel heeft gevorderd dat TV2/Danmark in de kosten wordt verwezen, dient te worden beslist dat zij haar eigen kosten draagt.

79

Volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten.

80

Het Koninkrijk Denemarken draagt als interveniënt in eerste aanleg derhalve zijn eigen kosten.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart:

 

1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 24 september 2015, TV2/Danmark/Commissie (T‑674/11, EU:T:2015:684), wordt vernietigd, voor zover daarin besluit 2011/839/EU van de Commissie van 20 april 2011 betreffende de door Denemarken ten uitvoer gelegde steunmaatregelen (C 2/03) ten behoeve van TV2/Danmark nietig is verklaard voor zover de Europese Commissie daarin heeft geoordeeld dat de via het TV2-fonds aan TV2/Danmark overgedragen reclame-inkomsten van de jaren 1995 en 1996 staatssteun vormden.

 

2)

De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.

 

3)

Het door TV2/Danmark A/S tegen besluit 2011/839 ingestelde beroep tot nietigverklaring wordt verworpen.

 

4)

TV2/Danmark A/S draagt haar eigen kosten en de helft van de kosten die Viasat Broafcasting UK Ltd heeft gemaakt in het kader van deze hogere voorziening en alle kosten die laatstgenoemde heeft gemaakt in eerste aanleg.

 

5)

Viasat Broadcasting UK Ltd draagt de helft van haar eigen kosten in deze hogere voorziening.

 

6)

De Europese Commissie en het Koninkrijk Denemarken dragen hun eigen kosten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Deens.