Zaak C‑493/15

Agenzia delle Entrate

tegen

Marco Identi

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Corte suprema di cassazione)

„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Belasting over de toegevoegde waarde – Artikel 4, lid 3, VEU – Zesde richtlijn – Staatssteun – Procedure voor kwijtschelding van schulden van failliete natuurlijke personen (esdebitazione) – Niet-opeisbaarheid van btw-schulden”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 16 maart 2017

Harmonisatie van de belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Verplichting van de lidstaten om de inning van de gehele belasting over de toegevoegde waarde te waarborgen – Insolventie – Nationale procedure voor kwijtschelding van schulden van failliete natuurlijke personen – Niet-opeisbaarheid van btw-schulden – Toelaatbaarheid – Kwalificatie als staatssteun – Daarvan uitgesloten

(Art. 4, lid 3, VEU; 107, lid 1, VWEU; richtlijn 77/388 van de Raad, art. 2 en 22)

Het Unierecht, in het bijzonder artikel 4, lid 3, VEU en de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, alsook de staatssteunregels, moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat btw-schulden niet-opeisbaar worden verklaard krachtens een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die voorziet in een procedure voor kwijtschelding van schulden waarbij een rechterlijke instantie onder bepaalde voorwaarden de schulden van een natuurlijke persoon die niet zijn aangezuiverd bij afloop van de faillissementsprocedure waarin hij verwikkeld is, niet-opeisbaar kan verklaren.

Uit deze vaststellingen volgt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde procedure voor kwijtschelding van schulden, net als de procedure van het preventief akkoord die is onderzocht in het arrest van 7 april 2013, Degano Trasporti (C‑546/14, EU:C:2016:206, punt 28), onderworpen is aan strikte toepassingsvoorwaarden die in het bijzonder garanties bieden voor het innen van btw-vorderingen, en dat zij, gelet op deze voorwaarden, niet in het algemeen en zonder onderscheid afziet van inning van de btw en niet strijdig is met de verplichting van de lidstaten om de volledige inning van de op hun grondgebied verschuldigde btw en een doeltreffende inning van de eigen middelen van de Unie te waarborgen (zie arrest van 7 april 2016, Degano Trasporti, C‑546/14, EU:C:2016:206, punt 28).

Aangaande de voorwaarde inzake het selectieve karakter van het voordeel, dat essentieel is om te kunnen spreken van „staatssteun” in de zin van artikel 107,
lid 1, VWEU, volgt uit eveneens vaste rechtspraak van het Hof dat bij de beoordeling van die voorwaarde moet worden uitgemaakt of de betrokken nationale maatregel binnen het kader van een bepaalde rechtsregeling „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties” kan begunstigen ten opzichte van andere die zich ten aanzien van het doel van die regeling in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden en dus een verschillende behandeling krijgen die in wezen discriminerend is (arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group SA e.a., C‑20/15 P en C‑21/15 P, EU:C:2016:981, punt 54en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts dient in herinnering te worden gebracht dat het feit dat alleen belastingplichtigen die de voorwaarden voor toepassing van een maatregel vervullen, ook voor die maatregel in aanmerking komen, op zich nog niet meebrengt dat het hier een selectieve maatregel betreft (zie in die zin arresten van 29 maart 2012, 3M Italia, C‑417/10, EU:C:2012:184, punt 42, en 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group SA e.a., C‑20/15 P en C‑21/15 P, EU:C:2016:981, punt 59).

(zie punten 24, 26, 27, 30 en dictum)