Zaak C‑428/15
Child and Family Agency
tegen
J. D.
[verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Supreme Court (Ierland)]
„Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid — Verordening (EG) nr. 2201/2003 — Artikel 15 — Verwijzing van de zaak naar een gerecht van een andere lidstaat — Werkingssfeer — Toepassingsvoorwaarden — Gerecht dat beter in staat is de zaak te behandelen — Belang van het kind”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Derde kamer) van 27 oktober 2016
Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening nr. 2201/2003 – Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verwijzing naar een rechterlijke instantie die beter in staat is de zaak te behandelen – Werkingssfeer – Publiekrechtelijke vordering inzake kinderbescherming die is ingesteld door de bevoegde autoriteit van een lidstaat en strekt tot vaststelling van maatregelen op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid – Bevoegdverklaring van een rechterlijke instantie van een andere lidstaat waarbij vereist is dat een autoriteit van deze laatste lidstaat vervolgens, los van de procedure die in de eerste lidstaat is ingeleid, zelf een procedure begint – Daaronder begrepen
(Verordening nr. 2201/2003 van de Raad, art. 1, leden 1 en 2, 2, punt 7, 8 en 15)
Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening nr. 2201/2003 – Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verplichting om het hoger belang van het kind in aanmerking te nemen – Omvang
(Verordening nr. 2201/2003 van de Raad, overwegingen 12 en 33 en art. 15)
Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening nr. 2201/2003 – Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verwijzing naar een rechterlijke instantie die beter in staat is de zaak te behandelen – Verplichting tot strikte uitlegging
(Verordening nr. 2201/2003 van de Raad, art. 8, lid 1, en art. 15, lid 1)
Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening nr. 2201/2003 – Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verwijzing naar een rechterlijke instantie die beter in staat is de zaak te behandelen – Begrippen „gerecht dat beter in staat is de zaak te behandelen” en „belang van het kind” – Beoordelingscriteria
(Verordening nr. 2201/2003 van de Raad, art. 8, lid 1, en art. 15, leden 1 en 3)
Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening nr. 2201/2003 – Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verwijzing naar een rechterlijke instantie die beter in staat is de zaak te behandelen – Toepassingsvoorwaarden – Verbod voor de bevoegde rechterlijke instantie om rekening te houden met de uitwerking van een dergelijke verwijzing op het recht van vrij verkeer van andere betrokken personen dan het kind in kwestie, of met de drijfveer van de moeder van dat kind om dat recht uit te oefenen
(Verordening nr. 2201/2003 van de Raad, art. 15, lid 1)
Artikel 15 van verordening nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening nr. 1347/2000 moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op een publiekrechtelijke vordering inzake kinderbescherming die is ingesteld door de bevoegde autoriteit van een lidstaat en strekt tot vaststelling van maatregelen op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid, wanneer, ingeval een gerecht van een andere lidstaat zich bevoegd verklaart, zulks vereist dat een autoriteit van deze laatste lidstaat vervolgens, los van de procedure die in de eerste lidstaat is ingeleid, zelf een procedure begint op grond van haar nationale recht en mogelijk met betrekking tot andere feiten.
Artikel 15 van verordening nr. 2201/2003 behoort namelijk tot hoofdstuk II, afdeling 2 van deze verordening, waarin een stel voorschriften is vastgelegd tot regeling van de bevoegdheid in zaken op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Gelet op de opzet van die afdeling 2 van hoofdstuk II en de plaats van artikel 15 daarin, moet ervan worden uitgegaan dat dit artikel dezelfde materiële werkingssfeer heeft als het geheel van bevoegdheidsregels dat in die afdeling is vervat, en met name als artikel 8 van de verordening. Het is juist dat blijkens de bewoordingen van artikel 1, leden 1 en 2, van verordening nr. 2201/2003 die bevoegdheidsregels gelden voor „burgerlijke zaken” betreffende de toekenning, de uitoefening, de overdracht en de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid, zoals die verantwoordelijkheid is omschreven in artikel 2, punt 7, van die verordening. De in verordening nr. 2201/2003 vervatte bevoegdheidsregels op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid moeten tegen de achtergrond van overweging 5 ervan moeten echter aldus worden uitgelegd dat zij toepassing vinden op zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid die zien op maatregelen op het gebied van kinderbescherming, ook wanneer die maatregelen krachtens het nationale recht van een lidstaat onder het publiekrecht vallen.
Voorts kan een nationaal procedurevoorschrift volgens hetwelk, wanneer een gerecht van een andere lidstaat zich bevoegd verklaart, een autoriteit van die lidstaat vervolgens, los van de procedure die in de eerste lidstaat is ingeleid, een andere procedure moet beginnen, voor zover dat voorschrift slechts zal worden toegepast nadat het normalerwijs bevoegde gerecht overeenkomstig artikel 15, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 heeft beslist een gerecht van een andere lidstaat te verzoeken de zaak aan zich te trekken en laatstbedoeld gerecht heeft beslist zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 van datzelfde artikel te aanvaarden, niet worden geacht in de weg te staan aan de vaststelling van die beslissingen.
(cf. punten 29‑32, 36, 38, dictum 1)
Blijkens overweging 12 van verordening nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening nr. 1347/2000 zijn de in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn. Het vereiste van artikel 15 van die verordening, dat de verwijzing van een zaak naar een gerecht van een andere lidstaat het belang van het kind dient, is een uitdrukking van het basisbeginsel waardoor de wetgever zich heeft laten leiden bij het concipiëren van de verordening, en dat structuur moet geven aan de uitvoering van de verordening in zaken op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid die binnen de werkingssfeer ervan vallen. Zoals blijkt uit overweging 33 ervan, beoogt verordening nr. 2201/2003 voorts de grondrechten van het kind ten volle te eerbiedigen, en neemt zij daartoe het belang van het kind in aanmerking.
(cf. punten 42‑44)
De regel inzake verwijzing van de zaak naar een gerecht van een andere lidstaat, die is neergelegd in artikel 15, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening nr. 1347/2000 vormt een bijzondere bevoegdheidsregel, die afwijkt van de algemene bevoegdheidsregel in artikel 8, lid 1, van die verordening en bijgevolg eng moet worden uitgelegd. In die context moet artikel 15, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 aldus worden uitgelegd dat het gerecht van een lidstaat dat normalerwijs bevoegd is om een bepaalde zaak te behandelen, een gerecht van een andere lidstaat slechts kan verzoeken de zaak aan zich te trekken wanneer het het uit de verordening voortvloeiende sterke vermoeden ten gunste van behoud van zijn eigen bevoegdheid kan weerleggen.
(cf. punten 48, 49)
Artikel 15, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening nr. 1347/2000 moet aldus worden uitgelegd dat het bevoegde gerecht eerst tot de slotsom kan komen dat een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, beter in staat is om de zaak te behandelen, nadat het zich ervan heeft vergewist dat verwijzing van de zaak naar een dergelijk gerecht werkelijk en concreet toegevoegde waarde kan bieden voor het onderzoek van die zaak, met name gelet op de in die andere lidstaat geldende procedurele bepalingen, en dat dat bevoegde gerecht eerst kan concluderen dat een dergelijke verwijzing in het belang van het kind is, nadat het zich er met name van heeft vergewist dat die verwijzing geen negatieve gevolgen kan hebben voor de situatie van het kind.
Krachtens artikel 15, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 kan een gerecht van een lidstaat een zaak op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid immers slechts verwijzen naar een gerecht van een andere lidstaat waarmee het betrokken kind een „bijzondere band” heeft. Of in een bepaalde zaak sprake is van een dergelijke band, dient te worden aangetoond aan de hand van de factoren die uitputtend zijn opgesomd in artikel 15, lid 3, onder a) tot en met e), van die verordening. Al die factoren vormen – zo niet uitdrukkelijk, dan toch minstens in wezen – aanwijzingen voor de nauwe verbondenheid die bestaat tussen het bij de zaak betrokken kind en een andere lidstaat dan die van het gerecht dat op grond van artikel 8, lid 1, van de verordening bevoegd is de zaak te behandelen. Het feit dat tussen het kind en een andere lidstaat een – gelet op de omstandigheden van de zaak – relevante en bijzondere band bestaat, loopt op zich evenwel niet noodzakelijkerwijs vooruit op de vraag of een gerecht van die andere lidstaat ook beter dan het bevoegde gerecht in staat is de zaak te behandelen en, zo ja, of het in het belang van het kind is dat de zaak naar eerstbedoeld gerecht wordt verwezen.
Voor het antwoord op de vraag, of er binnen die andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, een gerecht is dat beter in staat is om de zaak te behandelen, kan het bevoegde gerecht onder meer rekening houden met de procedurele bepalingen van de andere lidstaat, zoals die voor het verzamelen van de voor de behandeling van de zaak noodzakelijke bewijzen. Bij die beoordeling mag het bevoegde gerecht daarentegen geen rekening houden met het materiële recht van die andere lidstaat dat het gerecht daarvan eventueel zou toepassen wanneer de zaak naar hem zou worden verwezen.
In verband met het vereiste dat de verwijzing in het belang van het kind is, moet het bevoegde gerecht voorts nagaan in welk opzicht een dergelijke verwijzing eventueel een negatieve uitwerking kan hebben op de affectieve, familiale en sociale banden van het bij de zaak betrokken kind of op diens materiële situatie.
(cf. punten 50‑52, 55‑59, 61, dictum 2)
Artikel 15, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening nr. 1347/2000 moet aldus worden uitgelegd dat het bevoegde gerecht van een lidstaat bij toepassing van die bepaling op een bepaalde zaak betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid noch rekening moet houden met de uitwerking van een eventuele verwijzing van de zaak naar een gerecht van een andere lidstaat op het recht van vrij verkeer van andere betrokken personen dan het kind in kwestie, noch met de drijfveer van de moeder van dat kind om dat recht uit te oefenen vóór het bevoegde gerecht werd aangezocht, tenzij overwegingen dienaangaande erop duiden dat er negatieve gevolgen kunnen zijn voor de situatie van dat kind.
(cf. punt 67, dictum 3)