Zaak C‑389/15
Europese Commissie
tegen
Raad van de Europese Unie
„Beroep tot nietigverklaring – Besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een herziene Overeenkomst van Lissabon over oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen – Artikel 3, lid 1, VWEU – Exclusieve bevoegdheid van de Unie – Gemeenschappelijke handelspolitiek – Artikel 207, lid 1, VWEU – Handelsaspecten van de intellectuele eigendom”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 25 oktober 2017
Gemeenschappelijke handelspolitiek–Internationale overeenkomsten–Sluiting–Bevoegdheid van de Unie–Bevoegdheid om overeenkomsten betreffende de handelsaspecten van de intellectuele eigendom te sluiten–Omvang–Herziene Overeenkomst van Lissabon over oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen–Daaronder begrepen
(Art. 3, lid 1, VWEU en 207, lid 1, VWEU)
Internationale overeenkomsten–Overeenkomsten van de Unie–Onderhandeling en sluiting–Besluit van de Raad houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een overeenkomst die onder een exclusieve bevoegdheid valt–Vaststelling op een rechtsgrondslag voor een gebied dat onder een gedeelde bevoegdheid valt–Ontoelaatbaarheid–Gevolgen–Nietigverklaring
(Art. 114 VWEU, 207, lid 3, VWEU en 218, leden 3 en 4, VWEU)
Beroep tot nietigverklaring–Arrest houdende nietigverklaring–Gevolgen–Beperking door het Hof–Handhaving van de gevolgen van de bestreden handeling tot de vervanging van deze handeling binnen een redelijke termijn–Rechtvaardiging op grond van de rechtszekerheid
(Art. 264, tweede alinea, VWEU)
De door de Unie aangegane internationale verbintenissen op het gebied van de intellectuele eigendom vallen onder de gemeenschappelijke handelspolitiek wanneer zij specifiek verband houden met het internationale handelsverkeer doordat zij in wezen tot doel hebben deze handel te bevorderen, te vergemakkelijken of te regelen en daarop een rechtstreeks en onmiddellijk effect hebben. Onder die politiek kunnen met name internationale overeenkomsten vallen die tot doel hebben de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten op het grondgebied van de partijen te waarborgen en te organiseren, voor zover zij voldoen aan die voorwaarden.
Een ontwerp tot herziening van de Overeenkomst van Lissabon betreffende de bescherming en internationale registratie van oorsprongsbenamingen moet worden geacht hoofdzakelijk tot doel te hebben het handelsverkeer tussen de Unie en derde staten te vergemakkelijken en te regelen en een rechtstreeks en onmiddellijk effect op dat handelsverkeer te kunnen hebben, zodat de onderhandelingen daarover onder de exclusieve bevoegdheid vallen die bij artikel 3, lid 1, VWEU op het gebied van de in artikel 207, lid 1, VWEU bedoelde gemeenschappelijke handelspolitiek aan de Unie is verleend. Wat in de eerste plaats het doel van het ontwerp tot herziening van de overeenkomst betreft, moet dat ontwerp, aangezien het hoofdzakelijk tot doel heeft het bij de Overeenkomst van Lissabon ingevoerde systeem te versterken en de daarbij ingevoerde specifieke bescherming binnen de bij die overeenkomst ingestelde bijzondere unie uit te breiden tot geografische aanduidingen, ter aanvulling van de door het op 20 maart 1883 te Parijs ondertekende Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom aan de verschillende vormen van industriële eigendom geboden bescherming, worden geacht te passen in het kader van de doelstelling van het geheel van verdragen waarvan het deel uitmaakt en meer in het bijzonder, uit het oogpunt van de Unie, tot doel te hebben het handelsverkeer tussen de Unie en de derde staten die partij zijn bij die overeenkomst te vergemakkelijken en te regelen. De omstandigheid dat het ontwerp tot herziening van de overeenkomst vanaf de inwerkingtreding ervan door de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom zal worden beheerd, zoals reeds het geval is voor de Overeenkomst van Lissabon, kan niet afdoen aan die conclusie.
Wat in de tweede plaats de gevolgen van het ontwerp tot herziening van de overeenkomst betreft, zal, gelet op het systeem van één enkele registratie waarin dat ontwerp voorziet, de internationale overeenkomst waarvan de ontwerpovereenkomst de voorloper vormt, rechtstreeks en onmiddellijk tot gevolg hebben dat de voorwaarden waaronder het handelsverkeer tussen de Unie en de andere partijen bij die internationale overeenkomst plaatsvindt, worden gewijzigd, doordat de producenten die deelnemen aan dat handelsverkeer, worden ontslagen van de thans op hen rustende verplichting om bij de bevoegde autoriteiten van elk van de overeenkomst sluitende partijen een aanvraag tot registratie van de door hen gebruikte oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen in te dienen, om het hoofd te bieden aan de aan dat handelsverkeer verbonden juridische en economische risico’s. Bovendien zullen de bepalingen betreffende het systeem van wederzijdse bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen een rechtstreeks en onmiddellijk effect hebben op het handelsverkeer tussen de Unie en de betrokken derde staten door aan al die producenten en aan iedere andere betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon de nodige instrumenten ter beschikking te stellen om onder gelijksoortige materiële en procedurele voorwaarden de daadwerkelijke eerbiediging af te dwingen van de door het ontwerp tot herziening van de overeenkomst verzekerde bescherming van hun industriële eigendomsrechten in geval van schadelijk of oneerlijk gebruik van oorsprongsbenamingen of geografische aanduidingen in het buitenland.
(zie punten 49, 50, 52, 62, 63, 65, 70, 71, 74)
Het feit dat de Raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een besluit houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een internationale overeenkomst de onderlinge aanpassing van de wetgevingen inzake de interne markt betreft en derhalve onder een gedeelde bevoegdheid van de Unie en haar lidstaten valt, en dit besluit op artikel 114 VWEU en artikel 218, leden 3 en 4, VWEU baseert, kan niet als een eenvoudige vormfout worden aangemerkt. Die fout heeft immers geleid tot schending door die instelling van de procedurele bepalingen die bij artikel 207, lid 3, VWEU speciaal zijn vastgesteld voor het onderhandelen over internationale overeenkomsten die tot het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek behoren, en vooral van de bepalingen inzake het voeren van de onderhandelingen door de Commissie. Bijgevolg moet dat besluit nietig worden verklaard.
(zie punten 75‑77)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punten 80, 81)