Gevoegde zaken C‑105/15 P tot en met C‑109/15 P
Konstantinos Mallis e.a.
tegen
Europese Commissie
en
Europese Centrale Bank (ECB)
„Hogere voorziening — Programma ter ondersteuning van de stabiliteit van de Republiek Cyprus — Verklaring van de Eurogroep betreffende met name de herstructurering van de banksector in Cyprus — Beroep tot nietigverklaring”
Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 20 september 2016
Hogere voorziening – Middelen – Loutere herhaling van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten – Ontbreken van aanwijzing van de gestelde onjuiste rechtsopvatting – Niet-ontvankelijkheid – Betwisting van de uitlegging of de toepassing van het Unierecht door het Gerecht – Ontvankelijkheid
[Art. 256 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 168, lid 1, d), en 169, lid 2]
Hogere voorziening – Middelen – Ontoereikende motivering – Impliciete motivering door het Gerecht – Toelaatbaarheid – Voorwaarden
(Art. 256 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 36 en 53, eerste alinea)
Beroep tot nietigverklaring – Handelingen waartegen beroep kan worden ingesteld – Begrip – Handelingen die bindende rechtsgevolgen sorteren – Verklaring van de Eurogroep waarbij de Commissie en de Europese Centrale Bank worden gemachtigd om met een lidstaat onderhandelingen aan te knopen over een macro-economisch aanpassingsprogramma – Daarvan uitgesloten
(Art. 137 VWEU en 263, eerste alinea, VWEU; Protocol nr. 14 bij het VEU en het VWEU, art. 1; Verdrag tot instelling van het Europees Stabiliteitsmechanisme)
Beroep tot nietigverklaring – Hoedanigheid van verwerende partij – Eurogroep – Geen hoedanigheid van orgaan of instantie van de Unie
(Art. 16, lid 6, VEU; art. 137 VWEU en 263, eerste alinea, VWEU; Protocol nr. 14 bij het VEU en het VWEU; besluit 2009/937 van de Raad, bijlage)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punten 32‑36)
Zie de tekst van de beslissing.
(zie punt 45)
Beroep tot nietigverklaring staat open tegen alle handelingen van de instellingen van de Unie, ongeacht de aard of de vorm ervan, die beogen bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de verzoeker in zijn belangen raken doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.
Dat is niet het geval met de verklaring van de Eurogroep van 25 maart 2013 betreffende met name de herstructurering van de banksector in Cyprus. De Commissie en de Europese Centrale Bank hebben, overeenkomstig artikel 13, lid 3, van het Verdrag tot instelling van het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), immers van de raad van gouverneurs van het ESM de opdracht gekregen om met de autoriteiten van een lidstaat te onderhandelen over een macro-economisch aanpassingsprogramma dat moest worden geconcretiseerd in een memorandum van overeenstemming. De rol van de Commissie en de ECB, zoals deze is omschreven in artikel 1 van Protocol nr. 14 betreffende de Eurogroep, kan niet ruimer zijn dan de rol die krachtens het ESM-verdrag aan die instellingen is toegekend. Het ESM-verdrag belast de Commissie en de ECB weliswaar met bepaalde taken in verband met de verwezenlijking van de doelstellingen van dit verdrag, maar de in het kader van dit verdrag aan de Commissie en de ECB opgedragen taken omvatten geen eigen beslissingsbevoegdheid en de door deze twee instellingen in het kader van dit verdrag verrichte activiteiten binden enkel het ESM.
Voorts verandert het feit dat de Commissie en de ECB deelnemen aan de vergaderingen van de Eurogroep, niets aan de aard van de verklaringen van deze groep en kan op grond van dat feit niet worden geoordeeld dat de litigieuze verklaring de uitdrukking van een eventuele beslissingsbevoegdheid van deze twee instellingen van de Unie vormt. Bovendien vormt geen enkel element van deze verklaring van de Eurogroep de neerslag van een besluit van de Commissie en de ECB om ten laste van de betrokken lidstaat een wettelijke verplichting tot uitvoering van de daarin vervatte maatregelen in het leven te roepen. Deze verklaring, die louter informatief is, strekt ertoe het publiek in te lichten over het bestaan van een politiek akkoord tussen de Eurogroep en de autoriteiten van de betrokken lidstaat, waaruit de gemeenschappelijke wil bleek om de onderhandelingen volgens de in die verklaring toegelichte voorwaarden verder te zetten.
(zie punten 51‑53, 57‑59)
Aangezien in het aan het VWEU gehechte Protocol nr. 14 betreffende de Eurogroep de kwalificatie „informeel” wordt gebruikt en de Eurogroep bovendien niet staat vermeld op de lijst van de verschillende formaties van de Raad van de Europese Unie, die is opgenomen in bijlage I bij het reglement van orde van de Raad, dat is vastgesteld bij besluit 2009/937, en waarnaar in artikel 16, lid 6, VEU wordt verwezen, kan de Eurogroep niet met een Raadsformatie worden gelijkgesteld en evenmin worden aangemerkt als een orgaan of een instantie van de Unie in de zin van artikel 263 VWEU.
(zie punt 61)