BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen)

21 september 2015

Carlo De Nicola

tegen

Europese Investeringsbank (EIB)

„Hogere voorziening — Openbare dienst — Personeel van de EIB — Beoordeling — Bevordering — Beoordelings- en bevorderingsronde 2006 — Psychisch geweld — Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond”

Betreft:

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 11 november 2014, De Nicola/EIB (F‑55/08 RENV, JurAmbt., EU:F:2014:244), en strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van dat arrest.

Beslissing:

De hogere voorziening wordt afgewezen. De Nicola draagt zijn eigen kosten alsmede de kosten die de Europese Investeringsbank (EIB) in het kader van deze procedure heeft gemaakt.

Samenvatting

  1. Hogere voorziening — Middelen — Middel strekkende tot rectificatie van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken — Onbevoegdheid van het Gerecht

    (Art. 270 VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 122, lid 1)

  2. Hogere voorziening — Middelen — Vordering strekkende tot wijziging van de motivering van een arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken — Kritiek op de rechtsoverwegingen zonder invloed op het dictum van het bestreden arrest — Niet-ontvankelijkheid

    (Statuut van het Hof van Justitie, bijlage I, art. 9)

  1.  Artikel 122, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, betreffende de rectificatie van schrijf- en rekenfouten alsmede evidente onnauwkeurigheden, geldt niet voor de procedure voor het Gerecht, welke uitsluitend wordt beheerst door haar eigen Reglement voor de procesvoering. Een rekwirant kan zijn verzuim om krachtens dat artikel te handelen dus niet verhelpen door het Gerecht te vragen vermeende schrijf- en rekenfouten alsmede evidente onnauwkeurigheden in de bestreden beslissingen van het Gerecht voor ambtenarenzaken te corrigeren of rectificeren.

    (cf. punt 29)

    Referentie:

    Gerecht: beschikking van 13 januari 2014, Lebedef/Commissie, T‑116/13 P en T‑117/13 P, JurAmbt., EU:T:2014:21, punten 44 en 45

  2.  Het is niet de taak van de rechter in hogere voorziening om de motivering van de beslissingen van het Gerecht voor ambtenarenzaken aan te vullen. Wanneer dat Gerecht de vordering van de rekwirant heeft toegewezen en het betwiste besluit nietig heeft verklaard, kan een middel ontleend aan het feit dat het Gerecht voor ambtenarenzaken het tweede voor hem aangevoerde argument niet heeft onderzocht en dat het arrest moet worden vervolledigd door dat argument in aanmerking te nemen, bovendien geen invloed hebben op het dictum van het bestreden arrest en de rekwirant geen voordeel verlenen. Daar een hogere voorziening in de zin van artikel 9 van bijlage I bij het Statuut van het Hof van Justitie alleen kan worden ingesteld door een partij die gedeeltelijk of volledig in het ongelijk is gesteld, moet een dergelijk middel kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.

    (cf. punt 35)

    Referentie:

    Hof: arresten van 19 oktober 1995, Rendo e.a./Commissie, C‑19/93 P, Jurispr., EU:C:1995:339, punt 13, en van 13 juli 2000, Parlement/Richard, C‑174/99 P, Jurispr., EU:C:2000:412, punt 33