|
4.8.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 253/50 |
Beroep ingesteld op 24 mei 2014 — Fih Holding en Fih Erhversbank/Commissie
(Zaak T-386/14)
2014/C 253/66
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Fih Holding A/S (Kopenhagen, Denemarken) en Fih Erhversbank A/S (Kopenhagen) (vertegenwoordiger: O. Koktvedgaard, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoeksters verzoeken het Gerecht:
|
— |
besluit C(2014) 1280 final van de Commissie betreffende de door Denemarken ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.34445 (2012/C), die betrekking had op de overdracht van vastgoedgerelateerde activa van FIH naar FSC, nietig te verklaren, en |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters zes middelen aan.
|
1. |
Het bestreden besluit is in strijd met artikel 107, lid 1, VWEU, voor zover de Commissie daarin heeft vastgesteld „dat geen enkele particuliere investeerder zou hebben willen investeren onder voorwaarden als die van de overeenkomst tot aankoop van aandelen” (punt 93) en dat „de maatregelen de toets aan het criterium van de particuliere investeerder derhalve niet doorstaan” (punten 93 en 99), en zij in artikel 1, eerste alinea, tot de conclusie is gekomen dat de overdracht van de activa staatssteun vormt. |
|
2. |
Vanwege de reeds bestaande verplichtingen die op FSC rusten, mag FSC niet worden vergeleken met een particuliere investeerder die zich laat leiden door de verwachting dat zijn geïnvesteerd kapitaal op lange termijn winst zal opbrengen, maar wel met een particuliere schuldeiser die betaling wil verkrijgen van de bedragen die een in financiële moeilijkheden verkerende schuldenaar hem verschuldigd is. |
|
3. |
Het bestreden besluit is in strijd met artikel 107, lid 1, VWEU, voor zover in punt 116 daarvan is vastgesteld dat het capital-reliefeffect van de maatregelen in totaal 375 miljoen DKK bedroeg, welk bedrag moest worden vergoed, en dat de overdrachtswaarde 254 miljoen DKK hoger lag dan de werkelijke economische waarde, welk verschil moest worden teruggevorderd, en het de goedkeuring hiervan afhankelijk heeft gesteld in artikel 1, tweede alinea, en in toezegging 6 van de Lijst van voorwaarden. |
|
4. |
Het bestreden besluit is in strijd met artikel 107, lid 1, VWEU, voor zover de Commissie in punt 103, sub a, heeft vastgesteld dat sprake was van „een voordeel dat verband hield met de regeling uit de overeenkomst tot aankoop van aandelen (0,73 miljard DKK)” en in punt 103, sub b, dat sprake was van een „voorafgaande vergoeding voor investeringen in aandelenkapitaal (1,33 miljard DKK)”. Ten gevolge daarvan bestaat er geen basis voor het verzoek om vergoeding van de capital relief, dat de Commissie in artikel 1, tweede alinea, en in toezegging 6 heeft geformuleerd. |
|
5. |
De Commissie heeft de voorwaarden van de Overeenkomst onjuist opgevat, aangezien het in punt 116 tot de conclusie is gekomen dat FIH 254 miljoen DKK moest terugbetalen aan FSC, welk bedrag volgens haar het verschil was tussen de overdrachtswaarde en de werkelijke economische waarde van de activa. |
|
6. |
Het bestreden besluit is in strijd met artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, sub c, van het Handvest, aangezien de Commissie niet heeft voldaan aan haar fundamentele procedurele verplichting om haar besluit te motiveren. |