ARREST VAN HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen)
27 januari 2016
Bernat Montagut Viladot
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening — Openbare dienst — Aanwerving — Vergelijkend onderzoek voor de vorming van een aanwervingreserve van administrateurs van de rang AD 5 — Besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek om rekwirant niet op de reservelijst te plaatsen — Diploma dat niet voldoet aan de voorwaarden van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek — Verwerping van het beroep in eerste aanleg”
Betreft:
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 15 juli 2014, Montagut Viladot/Commissie (F‑160/12, JurAmbt., EU:F:2014:190), en strekkende tot vernietiging van dat arrest.
Beslissing:
De hogere voorziening wordt afgewezen. Montagut Viladot wordt verwezen in de kosten.
Samenvatting
Ambtenaren — Aanwerving — Vergelijkend onderzoek — Vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examens — Vereiste van universitaire diploma’s — Begrip universitair diploma — Beoordeling aan de hand van de wettelijke regeling van de staat waarin de studie is gevolgd
(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 5)
Ambtenaren — Beginselen — Bescherming van het gewettigd vertrouwen — Toezeggingen van een jury van een vergelijkend onderzoek die niet conform de geldende regels zijn — Situatie die geen gewettigd vertrouwen doet ontstaan in de mogelijkheid van plaatsing op de reservelijst
Bij gebreke van elke andersluidende bepaling hetzij in een verordening of richtlijn die van toepassing is op vergelijkende onderzoeken voor aanwerving hetzij in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, moet het vereiste dat de betrokkenen voor de toelating tot een algemeen vergelijkend onderzoek in het bezit van een universitair diploma moeten zijn, worden opgevat in de betekenis die aan die uitdrukking wordt gegeven door de wettelijke regeling van de lidstaat waarin de kandidaat de studie heeft gevolgd waarop hij zich beroept. Het universitair diploma dat men moet bezitten om toegang te krijgen tot een algemeen vergelijkend onderzoek moet krachtens de wettelijke regeling van de lidstaat waarin het is afgegeven volledige civiele werking hebben.
Dergelijke verwijzingen naar de wettelijke regeling van de lidstaat waarin het diploma is afgegeven kunnen bij gebreke van elke andersluidende bepaling de gelijke behandeling garanderen in het kader van procedures van vergelijkende onderzoeken waarvoor zich kandidaten kunnen aanmelden die hun universitaire studie in verschillende landen hebben gevolgd en bij instellingen wier onderwijssysteem qua organisatie, structuur, methode en inhoud eveneens zeer verschillen. Op grond daarvan kunnen de personen die zich, omdat zij een diploma bezitten waarvan de effectieve waarde wordt bevestigd door het officiële karakter dat de staat daaraan verleent, feitelijk en juridisch gezien op de voornaamste punten in een vergelijkbare situatie bevinden, op gelijke wijze worden beoordeeld. Bovendien kan de betrokkenen door dergelijke verwijzingen de meeste zekerheid worden gewaarborgd, doordat zij van tevoren en met voldoende zekerheid kunnen weten of hun universitair diploma al dan niet geldig wordt geacht voor toegang tot de Europese openbare dienst.
(cf. punten 26‑28 en 33)
Referentie:Hof: arrest van 13 juli 1989, Jaenicke Cendoya/Commissie,108/88, Jurispr., EU:C:1989:325, punt 17
Gerecht: arrest van 9 december 1999, Alonso Morales/Commissie,T‑299/97, JurAmbt., EU:T:1999:314, punt 60
Voor een beroep op bescherming van het gewettigd vertrouwen dient aan drie voorwaarden te zijn voldaan. In de eerste plaats moet de betrokkene van de instanties van de Unie nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen hebben gekregen die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn. In de tweede plaats moeten deze toezeggingen gegronde verwachtingen kunnen wekken bij degene aan wie zij gericht zijn. In de derde plaats moeten de toezeggingen overeenstemmen met de toepasselijke voorschriften.
Een nota van een jury van een vergelijkend onderzoek op de grondslag van bewijsstukken en diploma’s waarin de kandidaat wordt verzekerd dat hij aan alle toelatingsvoorwaarden van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek voldoet, kan niet worden geacht een gegronde verwachting bij hem te hebben gewekt, wanneer die toezeggingen niet in overeenstemming zijn met de toepasselijke voorschriften, aangezien het diploma van de betrokkene niet voldoet aan de eisen van die aankondiging.
(cf. punten 43 en 45)
Referentie:Gerecht: arresten van 21 juli 1998, Mellett/Hof van Justitie,T‑66/96 en T‑221/97, JurAmbt., EU:T:1998:187, punt 107, en van 16 maart 2005, Ricci/Commissie,T‑329/03, JurAmbt., EU:T:2005:103, punt 79