ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

14 juli 2015 ( *1 )

„Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Lembergerland — Absolute weigeringsgrond — Wijnmerk dat geografische aanduidingen bevat — Artikel 7, lid 1, onder j), van verordening (EG) nr. 207/2009”

In zaak T‑55/14,

Genossenschaftskellerei Rosswag-Mühlhausen eG, gevestigd te Vaihingen-sur-l’Enz (Duitsland), vertegenwoordigd door H. Steffan, advocaat,

verzoekster,

tegen

Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM), vertegenwoordigd door A. Poch als gemachtigde,

verweerder,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 14 november 2013 (zaak R 566/2013‑1) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken Lembergerland als gemeenschapsmerk,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, I. Pelikánová en E. Buttigieg (rapporteur), rechters,

griffier: E. Coulon,

gezien het op 21 januari 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 10 april 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,

gelet op de omstandigheid dat geen van de partijen om vaststelling van een terechtzitting heeft verzocht binnen een maand na de betekening van de sluiting van de schriftelijke behandeling, en dus op rapport van de rechter-rapporteur overeenkomstig artikel 135 bis van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 is besloten om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1

Op 22 augustus 2012 heeft verzoekster, Genossenschaftskellerei Rosswag-Mühlhausen eG, bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) een gemeenschapsmerkaanvraag ingediend krachtens verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).

2

Het merk waarvan de inschrijving is aangevraagd, betreft het woordteken Lembergerland.

3

De waren waarvoor de merkaanvraag werd ingediend, behoren tot klasse 33 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn omschreven als volgt: „Alcoholhoudende dranken (uitgezonderd bieren)”.

4

Bij beslissing van 30 januari 2013 heeft de onderzoeker de inschrijvingsaanvraag afgewezen voor de in punt 3 hierboven omschreven waren op grond dat de in artikel 7, lid 1, onder j), van verordening nr. 207/2009 bedoelde absolute weigeringsgrond aan inschrijving van het aangevraagde merk in de weg stond.

5

Op 25 maart 2013 heeft verzoekster krachtens de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 bij het BHIM beroep ingesteld tegen de beslissing van de onderzoeker.

6

Bij beslissing van 14 november 2013 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de eerste kamer van het beroep van het BHIM het beroep verworpen. Volgens haar bevatte het aangevraagde merk de geografische aanduiding Lemberg, die in de Europese Unie is beschermd voor wijnen van oorsprong uit Zuid-Afrika krachtens artikel 8, onder b), ii), van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika betreffende de handel in wijn (PB 2002, L 28, blz. 4; hierna: „Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika”), gelezen in samenhang met bijlage II bij deze Overeenkomst, zonder dat de door het aangevraagde merk aangeduide wijn evenwel die oorsprong heeft. Volgens die kamer van beroep vormt het aangevraagde merk geen gewone nieuwe zelfbedachte term ten opzichte van de geografische aanduiding Lemberg en volstond ter verantwoording van de weigering van inschrijving van het aangevraagde merk op grond van artikel 7, lid 1, onder j), van verordening nr. 207/2009 dat dit merk elementen bevatte of uit elementen bestond op basis waarvan deze geografische aanduiding met zekerheid kan worden benoemd. Bovendien was zij van oordeel dat het feit dat de benaming „Lemberg” verwijst naar een „estate” (landgoed) en niet naar een gebied of een grondgebied, onverlet liet dat het ging om een krachtens de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika beschermde geografische aanduiding. Zij heeft opgemerkt dat de verwijzingen die verzoekster heeft gemaakt naar andere krachtens diezelfde Overeenkomst beschermde geografische aanduidingen, niet relevant waren voor de beoordeling in casu van de inschrijvingsaanvraag. Ten slotte heeft de kamer van beroep vastgesteld dat artikel 6 ter van het Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, zoals herzien en gewijzigd (hierna: „Verdrag van Parijs”), in casu niet van toepassing was, aangezien dat artikel uitsluitend een verbod stelt op inschrijving van merken met betrekking tot staatsemblemen, officiële controletekens en emblemen van intergouvernementele organisaties.

Conclusies van partijen

7

Verzoekster vraagt het Gerecht:

de bestreden beslissing te vernietigen;

het BHIM te gelasten het aangevraagde merk in te schrijven;

het BHIM te verwijzen in de kosten.

8

Het BHIM concludeert tot:

verwerping van het beroep;

verwijzing van verzoekster in de kosten.

In rechte

9

Ter onderbouwing van haar beroep voert verzoekster één middel aan, namelijk schending van artikel 7, lid 1, onder j), van verordening nr. 207/2009, en zij stelt dat de kamer van beroep ten onrechte op grond van deze bepaling inschrijving van het aangevraagde merk heeft geweigerd. Zij voert in wezen aan dat de benaming Lemberg, die één enkele wijngaard aanduidt, niet kan worden beschouwd als een geografische aanduiding, met name in de zin van verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad van 29 april 2008 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 1493/1999, (EG) nr. 1782/2003, (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 3/2008 en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 2392/86 en (EG) nr. 1493/1999 (PB L 148, blz. 1). Voorts, aldus verzoekster, bestaat het aangevraagde merk in een zelfbedachte term, die niet samenvalt met de benaming Lemberg en dus het publiek niet kan misleiden omtrent „het bestaan van een verband tussen de gebruiker en de organisatie” in de zin van het Verdrag van Parijs.

10

Het BHIM betwist verzoeksters betoog.

11

Ingevolge artikel 7, lid 1, onder j), van verordening nr. 207/2009 wordt inschrijving geweigerd van handelsmerken voor wijnen die een geografische aanduiding ter benoeming van wijnen bevatten, of uit een dergelijke aanduiding bestaan, met betrekking tot wijnen die niet deze oorsprong hebben.

12

De bescherming van geografische aanduidingen met betrekking tot wijnen vindt haar oorsprong niet alleen in de verordeningen van de Unie, inzonderheid de verordeningen houdende de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, maar ook in bilaterale overeenkomsten tussen de Unie en derde landen betreffende de handel in wijn [zie in die zin arrest van 11 mei 2010, Abadía Retuerta/BHIM (CUVÉE PALOMAR), T‑237/08, Jurispr., EU:T:2010:185, punten 73 en 104‑108].

13

Ingevolge artikel 8, onder b), ii), van de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika worden de in bijlage II erbij genoemde geografische aanduidingen beschermd met betrekking tot wijnen van oorsprong uit Zuid-Afrika. Bijlage II, met als opschrift „Lijst van geografische aanduidingen”, punt B, „Geografische aanduiding van wijnen van oorsprong uit Zuid-Afrika”, punt B 2, „Namen van de gebieden, districten, ‚wards’, ‚estates’ (landgoederen)”, punt B 2.3, „Kustgebied”, punt B 2.3.7, „District Tulbagh”, punt B 2.3.7., onder b), „Estates”, vermeldt uitdrukkelijk Lemberg.

14

Daaruit heeft de kamer van beroep in de punten 13 en 18 van de bestreden beslissing besloten dat Lemberg een krachtens deze Overeenkomst beschermde geografische aanduiding is. Zij heeft opgemerkt dat het voor „alcoholhoudend dranken (uitgezonderd bieren)” van klasse 33 aangevraagde merk deze voor wijnen beschermde geografische aanduiding bevatte zonder dat de erdoor aangeduide wijn echter de door deze geografische aanduiding benoemde oorsprong had. Zodoende heeft de kamer van beroep de beslissing van de onderzoeker bevestigd en op grond van artikel 7, lid 1, onder j), van verordening nr. 207/2009 inschrijving van het voor de waren van klasse 33 aangevraagde merk geweigerd.

15

In de eerste plaats betwist verzoekster dat oordeel op grond dat de benaming „Lemberg” één enkele wijngaard aanduidt en dus niet kan worden beschouwd als een geografische aanduiding. Dienaangaande verwijst zij naar de definitie van „geografische aanduiding” in artikel 34, lid 1, onder b), van verordening nr. 479/2008.

16

In dit verband dient te worden opgemerkt, zoals de kamer van beroep, dat Lemberg een geografische aanduiding vormt die op het grondgebied van de Unie voor wijnen van oorsprong uit Zuid-Afrika is beschermd krachtens de in punt 13 hierboven genoemde bepalingen van de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika. Anders dan verzoekster stelt, laat het feit dat deze benaming verwijst naar een „estate” (landgoed) en niet naar een gebied, gemeente of district onverlet dat zij krachtens deze Overeenkomst uitdrukkelijk is beschermd als geografische aanduiding.

17

Zoals het BHIM aanvoert, wijst niets in de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika immers erop dat de in bijlage II erbij genoemde wijngaarden niet dezelfde bescherming krachtens artikel 8, onder b), ii), van de Overeenkomst zouden genieten als de ook daarin genoemde gebieden, districten (districts) of wijngebieden (wards).

18

Zoals het BHIM terecht heeft opgemerkt, wordt voor de definitie van „geografische aanduiding” in artikel 3, onder b), van de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika verwezen naar artikel 22, lid 1, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, als bijlage 1 C gevoegd bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WHO), ondertekend te Marrakech (Marokko) op 15 april 1994 en goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1) (hierna: „TRIPs-Overeenkomst”). Laatstgenoemd artikel bepaalt dat onder geografische aanduidingen dienen te worden verstaan „aanduidingen die aangeven dat waren hun oorsprong hebben op het grondgebied van een lid, of een regio of plaats op dat grondgebied, waarbij een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van de waren wezenlijk valt toe te schrijven aan zijn geografische oorsprong”. Uit niets kan worden geconcludeerd dat een „plaats” in de zin van deze bepaling geen wijngaard kan zijn of dat een „plaats” in die zin moet worden beperkt tot een grondgebied op basis van de grootte of de formele administratieve indeling ervan.

19

Een etymologische verklaring van een plaatsnaam, de geografische en historische kenmerken van de plaatsnamen, de door verzoekster aangehaalde voorbeelden van verschillende plaatsnamen met de naam Lemberg in Duitsland, en de opmerking betreffende de oorsprong van de benaming Lemberg als een verwijzing naar een stad in Oekraïne kunnen niet de conclusie weerleggen dat Lemberg een krachtens de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika beschermde geografische aanduiding is, zoals blijkt uit de punten 16 tot en met 18 hierboven.

20

Hetzelfde geldt voor het argument dat verzoekster wil ontlenen aan de definitie van „geografische aanduiding” in artikel 34, lid 1, onder b), van verordening nr. 479/2008. Lemberg is immers een geografische aanduiding die niet krachtens artikel 36 van verordening nr. 479/2008 maar krachtens de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika is beschermd en zoals in punt 18 hierboven is opgemerkt, wordt in deze Overeenkomst voor de definitie van „geografische aanduiding” verwezen naar artikel 22, lid 1, van de TRIPs-Overeenkomst. Bijgevolg speelt verordening nr. 479/2008 in casu geen rol bij de beoordeling of Lemberg moet worden beschouwd als een geografische aanduiding in de zin van artikel 7, lid 1, onder j), van verordening nr. 207/2009. In ieder geval is de definitie van „geografische aanduiding” in artikel 34, lid 1, onder b), van verordening nr. 479/2008 niet in tegenspraak met de definitie in artikel 22, lid 1, van de TRIPs-Overeenkomst, zoals het BHIM terecht aanvoert.

21

In de tweede plaats voert verzoekster aan dat het aangevraagde merk Lembergerland niet overeenstemt met de geografische aanduiding Lemberg, zoals vermeld in de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika, maar een nieuwe zelfbedachte term vormt, bestaande uit twee toevallig gekozen woorden en dertien letters waarvan slechts zeven overeenstemmen met deze geografische aanduiding. Volgens verzoekster heeft het aangevraagde merk een eigen betekenis, die een „land met bergen en venen” aanduidt, en wil het niet „de indruk [wekken] dat de wijn afkomstig is van de kleinste wijngaard van de provincie West-Kaap in Zuid-Afrika”.

22

Zoals de kamer van beroep in punt 16 van de bestreden beslissing heeft gedaan, dient dienaangaande te worden opgemerkt dat het volgens de rechtspraak voor de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder j), van verordening nr. 207/2009 volstaat dat het aangevraagde merk een geografische aanduiding bevat of daaruit bestaat of elementen bevat of bestaat uit elementen op grond waarvan met zekerheid de betrokken geografische aanduiding kan worden benoemd (zie in die zin arrest CUVÉE PALOMAR, punt 12 supra, EU:T:2010:185, punten 125 en 131).

23

In casu is het aangevraagde merk Lembergerland een woord dat met name bestaat uit de beschermde geografische aanduiding Lemberg, die duidelijk benoembaar is binnen dat merk, hetgeen overigens door verzoekster niet wordt betwist.

24

Verzoekster betoogt daarentegen in wezen dat het aangevraagde merk, in zijn geheel beschouwd, geen verwarring met de betrokken geografische aanduiding kan doen ontstaan, want het aangevraagde merk heeft een andere betekenis dan die geografische aanduiding (zie punt 21 hierboven).

25

Zoals de kamer van beroep in punt 17 van de bestreden beslissing terecht heeft opgemerkt onder verwijzing naar de vierde overweging van verordening (EG) nr. 3288/94 van de Raad van 22 december 1994 tot wijziging van verordening (EG) nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk ter uitvoering van de in het kader van de Uruguay-Ronde gesloten overeenkomsten (PB L 349, blz. 83), waarbij artikel 7, lid 1, onder j), van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1) is ingevoegd [thans artikel 7, lid 1, onder j), van verordening nr. 207/2009], moet inschrijving van een merk worden geweigerd wanneer dit een geografische aanduiding bevat of daaruit bestaat, ongeacht of het aangevraagde teken de consument kan misleiden omtrent de oorsprong van de erdoor aangeduide wijnen.

26

De vierde overweging van verordening nr. 3288/94 preciseert immers dat artikel 23, lid 2, van de TRIPs-Overeenkomst in de weigering of nietigverklaring voorziet van handelsmerken voor wijnen die een geografische aanduiding bevatten of uit zo een aanduiding bestaan met betrekking tot wijnen die niet deze oorsprong hebben, ook wanneer deze handelsmerken het publiek niet kunnen misleiden. De weigeringsgrond van artikel 7, lid 1 onder j), van verordening nr. 207/2009 is derhalve van toepassing zonder dat in aanmerking dient te worden genomen of het aangevraagde merk het publiek kan misleiden of bij dit publiek verwarring omtrent de oorsprong van de waar kan doen ontstaan (arrest CUVÉE PALOMAR, punt 12 supra, EU:T:2010:185, punten 119 en 120).

27

Binnen deze context kan evenmin worden ingestemd met verzoeksters argument dat inschrijving van het aangevraagde merk niet kan worden geweigerd aangezien het „het publiek niet kan misleiden omtrent het bestaan van een verband tussen de gebruiker en de organisatie” in de zin van artikel 6 ter, lid 1, onder c), van het Verdrag van Parijs. Zoals de kamer van beroep in punt 23 van de bestreden beslissing heeft opgemerkt, is deze bepaling in casu immers niet van toepassing aangezien artikel 6 ter van het Verdrag van Parijs uitsluitend ziet op het verbod op het gebruik als merk van wapens, vlaggen en andere staatsemblemen van de landen van de Unie, van officiële door die landen aangenomen controle- en waarborgtekens en ‑stempels en van die van internationale intergouvernementele organisaties, en niet op de bescherming van geografische aanduidingen.

28

In geen geval kunnen, anders dan verzoekster stelt, de extra letters waaruit het aangevraagde teken bestaat, daarvan een zelfbedacht teken maken ten opzichte van de geografische aanduiding Lemberg, aangezien het woord „lemberger” in het Duits een bijvoeglijk naamwoord is dat is afgeleid van het woord „Lemberg” en het woord „Land” in diezelfde taal „gebied” of „grondgebied” betekent, zodat het aangevraagde teken kan worden opgevat als een verwijzing naar het „gebied Lemberg” of een„grondgebied Lemberg”, zoals het BHIM terecht heeft opgemerkt. Bijgevolg heeft het aangevraagde merk geen eigen zelfstandige betekenis die aanzienlijk verschilt van de betekenis van de geografische aanduiding Lemberg.

29

Daaruit volgt dat, anders dan verzoekster stelt, de kamer van beroep terecht heeft geoordeeld dat het aangevraagde merk Lembergerland de geografische aanduiding Lemberg, die krachtens de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika is beschermd voor wijnen met die oorsprong, bevat of uit die geografische aanduiding bestaat. De door het aangevraagde merk aangeduide waren zijn wijnen, zonder dat verzoekster erop aanspraak maakt dat die wijnen van oorsprong uit Lemberg zijn. Bijgevolg heeft de kamer van beroep terecht geoordeeld dat de absolute weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder j), van verordening nr. 207/2009 inschrijving van het aangevraagde merk belette.

30

Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door verzoeksters overige argumenten.

31

Ten eerste wijst verzoekster erop dat de kamer van beroep geen rekening ermee heeft gehouden dat het merk Lembergerland in Duitsland is ingeschreven.

32

Volgens vaste rechtspraak is het communautaire merkensysteem een autonoom systeem, dat uit een samenstel van eigen doelstellingen en voorschriften bestaat en waarvan de toepassing losstaat van enig nationaal systeem. Het BHIM en, in voorkomend geval, de Unierechter zijn dus niet gebonden door een beslissing van een lidstaat van de Unie waarbij wordt geoordeeld dat ditzelfde teken als nationaal merk kan worden ingeschreven. In de lidstaten van de Unie bestaande inschrijvingen vormen slechts een factor die een rol kan spelen bij de inschrijving van een gemeenschapsmerk, aangezien het aangevraagde merk uitsluitend op basis van de relevante Unieregeling moet worden beoordeeld. Bijgevolg is het BHIM niet verplicht om het aangevraagde merk in te schrijven op grond van het bestaan van een beslissing tot inschrijving van de ter zake van merken bevoegde nationale autoriteit [zie in die zin arresten CUVÉE PALOMAR, punt 12 supra, EU:T:2010:185, punten 137 en 138 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van 16 mei 2013, Restoin/BHIM (EQUIPMENT), T‑356/11, EU:T:2013:253, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

33

Zoals het BHIM heeft opgemerkt, kan het feit dat het aangevraagde merk in Duitsland is ingeschreven, derhalve niet afdoen aan de rechtmatigheid van de beslissing van de kamer van beroep.

34

Ten tweede stelt verzoekster schending van het gelijkheidsbeginsel door het BHIM. Zij merkt op dat in de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika verschillende geografische aanduidingen zijn vermeld die bestaan uit het element „fisch” of „sonne” of dat element bevatten, terwijl talrijke merken met een van deze twee elementen zijn ingeschreven voor waren van klasse 33.

35

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de beslissingen die de kamers van beroep krachtens verordening nr. 207/2009 ter zake van de inschrijving van een teken als gemeenschapsmerk dienen te nemen, op een gebonden en niet op een discretionaire bevoegdheid berusten. Zoals het BHIM terecht erop wijst, moet de rechtmatigheid van de beslissingen van de kamers van beroep derhalve alleen op basis van deze verordening, zoals uitgelegd door de Unierechter, worden beoordeeld en niet op basis van een eerdere beslissingspraktijk [zie arresten van 26 april 2007, Alcon/BHIM, C‑412/05 P, Jurispr., EU:C:2007:252, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van 2 mei 2012, Universal Display/BHIM (UniversalPHOLED), T‑435/11, EU:T:2012:210, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

36

Bovendien moet de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel sporen met de eerbiediging van het wettigheidsbeginsel (arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10 P, Jurispr., EU:C:2011:139, punt 75). Overigens moet, omwille van de rechtszekerheid en met het oog op behoorlijk bestuur, elke inschrijvingsaanvraag strikt en volledig worden onderzocht en dient dit onderzoek te gebeuren in elk concreet geval (arrest Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, reeds aangehaald, EU:C:2011:139, punt 77).

37

In casu zij opgemerkt dat de kamer van beroep geen blijk van een onjuiste opvatting heeft gegeven door te oordelen dat was voldaan aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, onder j), van verordening nr. 207/2009, zoals blijkt uit punt 29 hierboven. Bovendien bevatten de gemeenschapsmerken waarnaar verzoekster verwijst zonder evenwel concrete voorbeelden te geven, eventueel de geografische aanduidingen die het element „fisch” of „sonne” bevatten of daaruit bestaan, doch niet het element „lemberg”. De procedure voor de kamer van beroep betrof evenwel niet de geografische aanduidingen die het element „fisch” of „sonne” bevatten of daaruit bestaan, die eveneens zijn beschermd krachtens de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika, zoals de kamer van beroep terecht heeft opgemerkt in punt 20 van de bestreden beslissing. De feitelijke omstandigheden zijn dus in geen geval vergelijkbaar met die van de onderhavige zaak.

38

Bijgevolg kan verzoekster zich niet met succes beroepen op vroegere beslissingen van het BHIM betreffende de inschrijving als gemeenschapsmerk van tekens met de elementen „fisch” of „sonne” teneinde de conclusie van de kamer van beroep in de bestreden beslissing ongedaan te maken (zie in die zin arresten Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, punt 36 supra, EU:C:2011:139, punten 78 en 79, en UniversalPHOLED, punt 35 supra, EU:T:2012:210, punt 39).

39

Ten derde merkt verzoekster op dat de bescherming van de Zuid-Afrikaanse geografische aanduiding Lemberg niet heeft belet dat ook de Oostenrijkse wijngaard St. Magdalena am Lemberg als geografische aanduiding wordt beschermd krachtens dezelfde Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika. Zij besluit daaruit dat het aangevraagde merk moet kunnen worden ingeschreven volgens dezelfde beginselen op basis waarvan is geoordeeld dat de twee bovengenoemde aanduidingen geen conflicterende aanduidingen zijn.

40

Dienaangaande heeft de kamer van beroep in punt 21 van de bestreden beslissing terecht opgemerkt dat, ook al wordt aangenomen dat deze geografische aanduidingen gelijkluidend zijn, moet worden geoordeeld dat de twee aanduidingen waren beschermd overeenkomstig artikel 7, lid 4, onder a), van de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika doordat het gebruik ervan ingeburgerd en consistent was en de consument niet erdoor kon worden misleid. Deze beoordeling moet worden bevestigd. Zo heeft de kamer van beroep eveneens terecht erop gewezen dat deze rechtsvraag in geen geval het voorwerp van de onderhavige procedure vormde.

41

Uit het voorgaande volgt dat het enige middel moet worden afgewezen en het beroep dus in zijn geheel moet worden verworpen, zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan op het middel van niet-ontvankelijkheid dat het BHIM heeft opgeworpen ten aanzien van de tweede vordering.

Kosten

42

Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het BHIM te worden verwezen in de kosten.

 

HET GERECHT (Eerste kamer),

rechtdoende, verklaart:

 

1)

Het beroep wordt verworpen.

 

2)

Genossenschaftskellerei Rosswag-Mühlhausen eG wordt verwezen in de kosten.

 

Kanninen

Pelikánová

Buttigieg

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 juli 2015.

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.