STANDPUNTBEPALING VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. JÄÄSKINEN
van 16 december 2014 ( 1 ) ( 2 )
Zaak C‑498/14 PPU
RG
tegen
SF
[verzoek van de Cour d’appel te Brussel (België) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële spoedprocedure – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Artikel 11, leden 7 en 8 – Kind met gewone verblijfplaats in een lidstaat dat ongeoorloofd naar een andere lidstaat is overgebracht – In laatstgenoemde lidstaat krachtens artikel 13 van het Haags Verdrag van 25 oktober 1980 gegeven beslissing houdende de niet-terugkeer van het kind – Wettelijke regeling van de lidstaat van herkomst die exclusieve bevoegdheid om na een dergelijke beslissing uitspraak te doen aan een gespecialiseerd gerecht voorbehoudt – Invloed op de bodemprocedure die bij een andere nationale rechterlijke instantie aanhangig is met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind”
I – Inleiding
|
1. |
Het verzoek om uitlegging van de Cour d’appel (hof van beroep) te Brussel (België), waarvoor een behandeling volgens de prejudiciële spoedprocedure is toegewezen, betreft artikel 11, leden 7 en 8, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 ( 3 ) (hierna: „Brussel II bis-verordening”). |
|
2. |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen een in België verblijvend Brits onderdaan en een Pools onderdaan die in Polen woont, betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor hun kind, dat op het tijdstip van de aanvankelijke aanhangigmaking van de zaak bij een Belgisch gerecht zijn gewone verblijfplaats in België had, voordat het door zijn moeder ongeoorloofd naar Polen werd overgebracht. De Belgische rechterlijke instanties die zich achtereenvolgens hebben uitgesproken, hebben zich internationaal bevoegd verklaard om dit geschil af te doen, welke vaststelling door de Poolse rechterlijke instanties waarbij de zaak nadien door de moeder aanhangig is gemaakt, niet ter discussie is gesteld. |
|
3. |
Naast de aldus met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid ingeleide procedures heeft de vader een verzoek tot terugkeer van het kind ingesteld krachtens het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen ( 4 ) (hierna: „Haags Verdrag van 1980”). Dit verzoek is door een Pools gerecht afgewezen, zoals artikel 13 van dit Verdrag juncto artikel 11 van de Brussel II bis-verordening dat in uitzonderlijke gevallen toestaat. |
|
4. |
Daarop heeft de vader de zaak aanhangig gemaakt bij het Belgische gerecht dat krachtens de nationale procesregels een bijzondere bevoegdheid heeft om de vraag van het gezagsrecht over het kind na een dergelijke beslissing tot niet-terugkeer te onderzoeken. Overeenkomstig deze regels heeft die aanhangigmaking geleid tot de schorsing van alle procedures die voor andere Belgische rechterlijke instanties met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid voor dit kind waren ingeleid, en dus ook van de procedure die hangende was voor de verwijzende rechter. |
|
5. |
Deze laatste wenst van het Hof te vernemen of artikel 11, leden 7 en 8, van de Brussel II bis-verordening een lidstaat ( 5 ) verbiedt om dergelijke regels inzake de verdeling van de interne bevoegdheden vast te stellen, welke regels enerzijds de bevoegdheid betreffende een in een andere lidstaat gegeven beslissing tot weigering van de terugkeer van het kind aan een gespecialiseerd gerecht voorbehouden, en anderzijds elke procedure die reeds aanhangig is gemaakt bij een andere nationale rechterlijke instantie die in beginsel bevoegd is om de zaak ten gronde af te doen, voorlopig opschort. |
II – Toepasselijke bepalingen
A – Haags Verdrag van 1980
|
6. |
Alle lidstaten van de Europese Unie zijn partij bij het Haags Verdrag van 1980, dat op 1 december 1983 in werking is getreden. |
|
7. |
Het Haags Verdrag van 1980 heeft volgens artikel 1 ervan tot doel „de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een verdragsluitende staat” en „het in een verdragsluitende staat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in de andere verdragsluitende staten daadwerkelijk te doen eerbiedigen”. Artikel 3 stelt de voorwaarden vast waaronder het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind volgens dit Verdrag als ongeoorloofd wordt aangemerkt. |
|
8. |
Artikel 12 behoort tot hoofdstuk III van dat Verdrag, „Terugkeer van het kind”, en bepaalt in lid 1 dat „[w]anneer een kind ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden in de zin van artikel 3 en er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren en het tijdstip van de indiening van het verzoek bij de rechterlijke of administratieve autoriteit van de verdragsluitende staat waar het kind zich bevindt, [...] de betrokken autoriteit de onmiddellijke terugkeer van het kind [gelast]”. |
|
9. |
Artikel 13, lid 1, onder b), preciseert dat „[n]iettegenstaande het bepaalde in het voorgaande artikel, [...] de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte staat niet [is] gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling of het lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat [...] een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht”. |
B – Brussel II bis-verordening
|
10. |
De overwegingen 12, 17, 18 en 33 van de Brussel II bis-verordening luiden als volgt:
[...]
[...]
|
|
11. |
Volgens artikel 1, lid 1, onder b), en lid 2, onder a), is deze verordening „ongeacht de aard van het gerecht, van toepassing op burgerlijke zaken betreffende [...] de toekenning [en] de uitoefening [...] van de ouderlijke verantwoordelijkheid”, en met name „[op] het gezagsrecht en het omgangsrecht”. Artikel 2, punten 7 en 9 tot en met 11, van de Brussel II bis-verordening definieert wat in deze verordening wordt verstaan onder de begrippen „ouderlijke verantwoordelijkheid”, „gezagsrecht”, „omgangsrecht” en „ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind”. |
|
12. |
In hoofdstuk II van deze verordening, betreffende de „Bevoegdheid”, bevat afdeling 2 de artikelen 8 tot en met 15, die betrekking hebben op de „Ouderlijke verantwoordelijkheid”. In artikel 8 is een bepaling opgenomen houdende de „Algemene bevoegdheid” van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Artikel 10 regelt de „Bevoegdheid in gevallen van kinderontvoering” en bepaalt dat de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen, mits de in dit artikel vastgestelde strikte voorwaarden zijn vervuld. |
|
13. |
Artikel 11 van de verordening, „Terugkeer van het kind”, bepaalt het volgende: „1. Wanneer een persoon, instelling of ander lichaam met gezagsrecht bij de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een verzoek indient om op grond van het [Haags Verdrag van 1980] een beslissing te nemen teneinde de terugkeer te verkrijgen van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, zijn de leden 2 tot en met 8 van toepassing. [...] 3. Het gerecht waarbij een in lid 1 bedoeld verzoek om terugkeer van het kind is ingediend, beschikt met bekwame spoed, met gebruikmaking van de snelste procedures die in het nationale recht beschikbaar zijn. [...] 4. Een gerecht kan de terugkeer van een kind niet op grond van artikel 13, onder b), van het [Haags Verdrag van 1980] weigeren, wanneer vaststaat dat er adequate voorzieningen zijn getroffen om de bescherming van het kind na de terugkeer te verzekeren. [...] 6. Indien een gerecht op grond van artikel 13 van het [Haags Verdrag van 1980] een beslissing houdende de niet-terugkeer heeft gegeven, zendt het onmiddellijk, rechtstreeks dan wel door tussenkomst van zijn centrale autoriteit, een afschrift van het bevel en van de desbetreffende stukken, met name het zittingsverslag toe aan het bevoegde gerecht of de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, zulks in overeenstemming met het nationale recht. [...] 7. Tenzij één van de partijen zich reeds heeft gewend tot de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, stelt het gerecht of de centrale autoriteit die de in lid 6 bedoelde informatie ontvangt, de partijen daarvan op de hoogte en nodigt hen uit binnen drie maanden na de oproeping overeenkomstig het nationale recht conclusies in te dienen, opdat de rechterlijke instantie de kwestie van het gezagsrecht kan onderzoeken. Onverminderd de bevoegdheidsregels van deze verordening verklaart het gerecht de zaak gesloten indien het binnen die termijn geen conclusie heeft ontvangen. 8. Niettegenstaande een beslissing houdende de niet-terugkeer op grond van [artikel 13 van het Haags Verdrag van 1980], is een latere beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt, gegeven door een gerecht dat krachtens deze verordening bevoegd is, overeenkomstig afdeling 4 van hoofdstuk III uitvoerbaar, zulks teneinde de terugkeer van het kind te verzekeren.” |
C – Belgisch recht
|
14. |
Artikel 1322 decies van het Belgische Gerechtelijk Wetboek, dat is ingevoegd bij wet van 10 mei 2007 ( 6 ) en is gewijzigd bij wet van 30 juli 2013 ( 7 ), luidt als volgt: „§ 1. De beslissing houdende de niet-terugkeer van het kind, gewezen in het buitenland, alsook de documenten die als bijlage gaan, toegezonden aan de Belgische Centrale Autoriteit overeenkomstig artikel 11, [lid] 6, van de [Brussel II bis-verordening], worden bij ter post aangetekende brief toegezonden aan de griffier van de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kind onmiddellijk voor zijn ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had. § 2. Vanaf de ontvangst van de stukken en uiterlijk binnen drie werkdagen brengt de griffier de informatie bedoeld in artikel 11, [lid] 7, van de [Brussel II bis-verordening] bij gerechtsbrief ter kennis aan de partijen en aan het openbaar ministerie. De gerechtsbrief bevat [...] een verzoek aan de partijen om de conclusies binnen drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving bij de griffie neer te leggen. Deze neerlegging maakt het geschil aanhangig bij de familierechtbank. [...] § 4. De aanhangigmaking bij de familierechtbank leidt tot de opschorting van de procedures ingesteld voor de hoven en rechtbanken waarbij een geschil inzake ouderlijke verantwoordelijkheid of een daarmee samenhangend geschil aanhangig is gemaakt. [...] § 6. De beslissing gewezen over het gezag over het kind op grond van artikel 11, [lid] 8, van de [Brussel II bis-verordening], kan op verzoek van een van de partijen tevens betrekking hebben op het omgangsrecht, ingeval in de beslissing de terugkeer van het kind naar België zou worden bevolen. [...]” |
|
15. |
Voorts bepaalt artikel 633 septies van dit wetboek, zoals gewijzigd bij voornoemde wet van 30 juli 2013, dat „[e]nkel de familierechtbank die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kind voor zijn ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had, [...] bevoegd [is] om kennis te nemen van de in artikel 1322 decies bedoelde verzoeken”. |
III – Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procesverloop voor het Hof
|
16. |
Het kind over wie het in het hoofdgeding gaat, is op 21 december 2011 geboren in Polen. Zijn vader heeft de Britse nationaliteit en verblijft sinds 1986 in België en zijn moeder heeft de Poolse nationaliteit en verblijft momenteel in Polen. Zij zijn niet met elkaar gehuwd. |
|
17. |
De moeder heeft zich in juli/augustus 2012, toen het kind zeven maanden oud was, met dit kind te Brussel gevestigd. Gedurende hun volledig verblijf in België heeft het kind bij zijn moeder gewoond en heeft het regelmatig zijn vader ontmoet. |
|
18. |
In de loop van augustus en september 2013 hebben de ouders deelgenomen aan een lokale bemiddeling om het eens te worden over een wisselende verblijfplaats van het kind, maar zij hebben geen overeenstemming bereikt. |
|
19. |
Op 16 oktober 2013 is de moeder met het kind naar Polen teruggekeerd, klaarblijkelijk met het voornemen om daar te blijven, zonder dat zij daartoe vooraf de toestemming van de vader had verkregen. |
|
20. |
Op 18 oktober 2013 heeft de vader een verzoekschrift ingediend bij het Tribunal de la jeunesse (jeugdrechtbank) te Brussel ( 8 ) en met name verzocht, uitspraak te doen over de wijze van uitoefening van het ouderlijk gezag en over het verblijf van het kind. |
|
21. |
Bovendien heeft de vader op 23 oktober 2013 ook een vordering ingesteld bij de kortgedingrechter van het Tribunal de première instance (rechtbank van eerste aanleg) te Brussel en deze om een dringende en voorlopige maatregel verzocht tot vaststelling van een tweede verblijfplaats van het kind bij hem, één op de twee weekends. Toen de vader nadien heeft ingezien dat het vertrek van de moeder met het kind niet tijdelijk van aard was, heeft hij de door hem ingestelde vorderingen gewijzigd. |
|
22. |
Naast deze verschillende procedures die hij met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft ingeleid ( 9 ), heeft de vader op 20 november 2013 bij de Belgische Centrale Autoriteit een verzoek om de onmiddellijke terugkeer van het kind naar België ingediend volgens de terugkeerprocedure die in het Haags Verdrag van 1980 is vastgesteld. |
|
23. |
Bij beschikking van 19 december 2013 heeft de kortgedingrechter van het Tribunal de première instance te Brussel de door de moeder aangevoerde exceptie van internationale onbevoegdheid afgewezen, de laatste door de vader ingediende verzoeken toegewezen en hem dus met name bij voorlopige voorziening de exclusieve uitoefening van het ouderlijk gezag toevertrouwd en de hoofdverblijfplaats van het kind bij hem vastgesteld. |
|
24. |
Bij beslissing van 13 februari 2014 heeft de districtsrechtbank van Płońsk (Polen) geconstateerd dat het kind door zijn moeder ongeoorloofd was overgebracht en dat het vóór zijn overbrenging zijn gewone verblijfplaats in België had. Deze rechtbank heeft evenwel de uitzondering van artikel 13, lid 1, onder b), van voornoemd Verdrag toegepast en het door de vader geformuleerde verzoek om terugkeer van het kind dus niettemin afgewezen. |
|
25. |
Bij vonnis van 26 maart 2014 heeft het Tribunal de la jeunesse te Brussel zich internationaal bevoegd geacht om ten gronde uitspraak te doen over de ouderlijke verantwoordelijkheid, en de argumenten waarmee de moeder op grond van artikel 15 van de Brussel II bis-verordening het tegendeel beweerde, afgewezen. ( 10 ) Ten gronde heeft het – in de vorm van een voorlopige maatregel – beslist dat het ouderlijk gezag door partijen gezamenlijk diende te worden uitgeoefend, dat de hoofdverblijfplaats van het kind aan de moeder werd toevertrouwd, en heeft het aan de vader een secundair verblijf van het kind bij hem toegekend, namelijk om het andere weekend, op voorwaarde dat hij zich naar Polen begaf. |
|
26. |
Nadat de Belgische Centrale Autoriteit op 10 april 2014 van de Poolse centrale autoriteit een afschrift van de op 13 februari 2014 gegeven beslissing houdende de niet-terugkeer en van de desbetreffende stukken had ontvangen, heeft deze instantie dit dossier ter griffie van het Tribunal de première instance francophone te Brussel neergelegd. Partijen zijn verzocht om conclusies in te dienen opdat dit Tribunal de kwestie van het gezagsrecht kon onderzoeken, overeenkomstig artikel 11, lid 7, van de Brussel II bis-verordening en artikel 1322 decies van het Belgische Gerechtelijk Wetboek. Doordat de vader op 9 juli 2014 conclusies heeft ingediend, is de zaak krachtens lid 2 van bedoeld artikel 1322 decies aanhangig gemaakt bij deze rechterlijke instantie. Deze aanhangigmaking heeft volgens lid 4 van ditzelfde artikel tevens geleid tot de opschorting van alle procedures die reeds waren ingesteld voor een andere Belgische rechterlijke instantie waarbij een geding inzake ouderlijke verantwoordelijkheid met betrekking tot dit kind was ingeleid. |
|
27. |
Nadat de vader hoger beroep tegen het op 26 maart 2014 door het Tribunal de la jeunesse uitgesproken vonnis had ingesteld, heeft de Cour d’appel te Brussel bij een tussenarrest van 30 juli 2014, dat jegens de moeder bij verstek is uitgesproken, bevestigd dat de Belgische rechter internationaal bevoegd was om ten gronde uitspraak te doen over de kwesties met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid. Na te hebben vastgesteld dat partijen ondertussen een op artikel 11, leden 6 en 7, van de Brussel II bis-verordening gebaseerde vordering bij de voorzitter van het Tribunal de première instance te Brussel hadden ingesteld, heeft de Cour d’appel de uitspraak ten gronde evenwel aangehouden. Zij heeft de Belgische Centrale Autoriteit verzocht om haar alle stukken over te leggen die deze Autoriteit overeenkomstig artikel 1322 decies van het Gerechtelijk Wetboek ter griffie van dit Tribunal had neergelegd. Bij voorlopige voorziening, in afwachting van de uitkomst van de procedure van voormeld artikel 11, leden 6 tot en met 8, heeft zij de moeder gelast om de vader het adres van haar nieuwe verblijfplaats met het kind mee te delen en beslist dat de vader een omgangsrecht jegens het kind kon uitoefenen in Polen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de moeder de bij deze voorlopige maatregelen opgelegde verplichtingen niet is nagekomen. |
|
28. |
Na de inwerkingtreding van de voornoemde wet van 30 juli 2013 op 1 september 2014 is de ingevolge de Poolse beslissing houdende de niet-terugkeer bij de voorzitter van het Tribunal de première instance te Brussel ingeleide procedure overgedragen aan het nieuwe Tribunal de la famille (familierechtbank) te Brussel. ( 11 ) Bij eindvonnis van 8 oktober 2014 heeft het Tribunal de la famille te Brussel de zaak op verzoek van de vader terugverwezen naar de Cour d’appel te Brussel, op grond dat „[de vader] zich tot de Belgische rechterlijke instanties had gewend vóór de ongeoorloofde overbrenging van het kind in de zin van artikel 11, [lid] 7, van de [Brussel II bis-verordening] en het bodemgeding bij [deze Cour d’appel] aanhangig was”. |
|
29. |
Gelet op de strekking van artikel 1322 decies van het Belgische Gerechtelijk Wetboek heeft de Cour d’appel te Brussel echter geoordeeld dat zij er niet van mocht uitgaan dat de zaak geldig bij haar aanhangig was gemaakt bij wege van dat verwijzingsvonnis. ( 12 ) Deze rechterlijke instantie heeft twijfels over de verenigbaarheid van deze nationale regels met de bepalingen van de Brussel II bis-verordening, en bijgevolg over haar eigen bevoegdheid om zich over de zaak in het hoofdgeding uit te spreken, en zij heeft dan ook bij arrest van 7 november 2014, ingekomen bij het Hof op 10 november 2014, besloten om de behandeling van de zaak te schorsen ( 13 ) en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Kan artikel 11, [leden] 7 en 8, van [de Brussel II bis-verordening] aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat:
|
|
30. |
Primair heeft de verwijzende rechter verzocht om de prejudiciële verwijzing overeenkomstig artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgens de spoedprocedure te behandelen, en subsidiair dat de verwijzing wordt behandeld volgens de versnelde procedure als bedoeld in artikel 105 van dit Reglement. Op 18 november 2014 heeft de bevoegde kamer beslist om de zaak volgens de prejudiciële spoedprocedure te behandelen. |
|
31. |
Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Belgische regering en door de Europese Commissie, die terechtzitting van 11 december 2014 zijn vertegenwoordigd en gehoord. |
IV – Bespreking
A – Inleidende overwegingen
|
32. |
Volgens mij is het nuttig om vooraf de draagwijdte van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing te schetsen, teneinde een onderscheid te kunnen maken tussen de vaststaande aspecten ervan en die waarover de verwijzende rechter twijfels heeft. |
|
33. |
Ten opzichte van eerdere zaken die op dit gebied aan het Hof zijn voorgelegd, vertoont de onderhavige zaak als bijzonder kenmerk dat hier sprake is van een bevoegdheidsconflict tussen rechterlijke instanties die niet in verschillende lidstaten maar binnen eenzelfde lidstaat zetelen. ( 14 ) Uit de stukken blijkt immers dat de Poolse gerechten de vaststelling van de Belgische rechterlijke instanties dat uit de ligging van de gewone verblijfplaats van het kind op het tijdstip waarop de zaak bij hen aanhangig is gemaakt, vóórdat de ongeoorloofde overbrenging had plaatsgevonden, overeenkomstig de artikelen 8 en 10 van de Brussel II bis-verordening volgde dat zij internationale bevoegdheid hadden wat de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, niet hebben betwist. ( 15 ) |
|
34. |
Wat dit laatste punt betreft, wijs ik erop dat ook is erkend dat in casu inbreuk is gemaakt op het gezagsrecht van de vader dat hem van rechtswege toekomt, in de zin van artikel 2, punten 9 en 11 ( 16 ), van deze verordening, aangezien op het tijdstip waarop de moeder het kind naar Polen heeft meegenomen, dienaangaande geen enkele rechterlijke of administratieve beslissing was getroffen. ( 17 ) |
|
35. |
Ik voeg hieraan toe dat, in weerwil van die ongeoorloofde overbrenging, de Belgische rechterlijke instanties die tot hiertoe ten gronde uitspraak hebben gedaan, er zich niet wezenlijk tegen hebben verzet dat de hoofdverblijfplaats van het kind in de woonplaats van de moeder werd vastgesteld ( 18 ), waarbij evenwel zij aangetekend dat volgens de vader zich nieuwe feiten hebben voorgedaan sinds die beslissingen, namelijk het feit dat de moeder zich thans verzet tegen elk persoonlijk contact tussen hem en het kind. Daarentegen heeft een Poolse rechterlijke instantie geweigerd om het verzoek van de vader strekkende tot de terugkeer van het kind naar België toe te wijzen, op grond van het Haags Verdrag van 1980 zoals dit door de bepalingen van de Brussel II bis-verordening is vervolledigd. ( 19 ) |
|
36. |
Het is juist in het kader van deze beslissing houdende de niet-terugkeer dat het onderhavige verzoek om uitlegging van artikel 11, leden 7 en 8, van deze verordening is ingediend. De verwijzende rechter legt het Hof in dit verband twee vragen voor waarbij hij – in hoofdzaak – verzoekt om beantwoording van de vraag welk gerecht, van alle rechterlijke instanties in de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had vóórdat het werd overgebracht, op basis van een nationale rechtsregel bevoegd moet worden geacht om zich uit te spreken over de consequenties die aan een dergelijke beslissing moeten worden verbonden. |
|
37. |
De eerste vraag betreft de vraag of deze bepalingen een lidstaat toestaan om te kiezen voor een specialisme van de gerechten die daarvoor bevoegd zijn, ook wanneer reeds bij een andere rechterlijke instantie van deze staat een geding betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het ongeoorloofd overgebrachte kind hangende is. Indien dit het geval is, betreft de tweede vraag de omvang van de bevoegdheid van een dergelijk gespecialiseerd gerecht, en dient inzonderheid te worden uitgemaakt of de wetgeving van een lidstaat kan bepalen dat de aanhangigmaking van de zaak bij dit gerecht leidt tot de opschorting van elke andere procedure die met betrekking tot die zaak in deze staat is ingeleid. |
|
38. |
Terwijl de verwijzende rechter er de voorkeur aan lijkt te geven om de in zijn verzoek aangeduide bepalingen aldus uit te leggen dat noch het ene noch het andere is toegestaan, betoogt zowel de Belgische regering als de Commissie het tegendeel. Ik ben van mening dat deze laatste stelling de juiste is en ik baseer me daarvoor op een teleologische uitlegging van die bepalingen van de Brussel II bis-verordening. |
B – De aan het Hof voorgelegde kwestie
1. De betrokken regeling die eigen is aan het recht van de Unie
|
39. |
Voor een beter begrip van de belangen die in de onderhavige zaak op het spel staan, moeten allereerst de essentiële bestanddelen worden aangegeven van de specifieke regeling die in artikel 11 van de Brussel II bis-verordening is vastgesteld om de onmiddellijke terugkeer te bevorderen van een kind dat is ontvoerd in het land waar het voor zijn ongeoorloofde overbrenging verbleef. De daartoe vastgestelde voorschriften strekken ertoe de doeltreffendheid van de door het Haags Verdrag van 1980 ingevoerde regeling te verhogen, wat de betrekkingen tussen de lidstaten betreft, ook al blijft dit Verdrag als zodanig van toepassing in de Unie. ( 20 ) |
|
40. |
Lid 1 van artikel 11 bepaalt dat wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht naar of wordt vastgehouden in een andere lidstaat, een van de houders van het gezagsrecht de bevoegde autoriteiten van die lidstaat op grond van het Haags Verdrag van 1980 om de terugkeer van dat kind kan verzoeken. Overweging 17 van de Brussel II bis-verordening geeft aan dat de gerechten van de lidstaat waarnaar het kind ongeoorloofd is overgebracht, „in staat [dienen] te zijn zich in welbepaalde, naar behoren gemotiveerde gevallen tegen de terugkeer van het kind te verzetten”. Dat geldt in het bijzonder indien „er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar”, zoals artikel 13, onder b), van dat Verdrag preciseert. Niettemin volgt uit de leden 3 tot en met 5 van artikel 11 dat de onverwijlde terugkeer van het kind de regel dient te zijn en een weigering de uitzondering moet blijven. In de door de Brussel II bis-verordening opgezette regeling impliceert het verzet van die gerechten, anders dan in die van het Verdrag, dan ook niet automatisch dat elke procedurele betwisting betreffende de terugkeer is beëindigd. |
|
41. |
Indien ondanks de in de Brussel II bis-verordening vastgestelde beperkingen toch een vonnis houdende afwijzing van het verzoek om terugkeer wordt gegeven, voegt deze verordening een beperking toe die in overweging 17 is gespecificeerd, namelijk dat „[e]en dergelijke beslissing moet [...] kunnen worden vervangen door een latere beslissing van het gerecht van de lidstaat waar het kind vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had”. Een vonnis waarbij de terugkeer van het kind wordt geweigerd, vormt als het ware een loutere beschermingsmaatregel die slechts voorlopig geldt ( 21 ) en die berust op de overweging dat het kind in gevaar zal zijn wanneer het dient terug te keren naar het land vanwaar het ongeoorloofd is overgebracht. Het zijn niettemin de gerechten van deze lidstaat die volgens artikel 8 van deze verordening in beginsel bevoegd zijn om ten gronde uitspraak te doen over de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind. Om die reden is bepaald dat zij in een dergelijk geval „het laatste woord” hebben ( 22 ), met name wat het gezagsrecht over het kind betreft, in tegenstelling tot wat in het Haags Verdrag van 1980 daarover is bepaald. |
|
42. |
Ik wijs er ook op dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) heeft benadrukt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat het in het kader van de Brussel II bis-verordening aan de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats staat om de grondrechten van de betrokken partijen te beschermen. ( 23 ) Dat betekent met name dat zij het belang van het kind in aanmerking moeten nemen, welk belang niet noodzakelijkerwijs samenvalt met dat van zijn ouders, overeenkomstig artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”), waarbij de verplichtingen die dit artikel de staten oplegt, op het gebied van internationale kinderontvoering tegen de achtergrond van de bij het Haags Verdrag van 1980 opgelegde vereisten moeten worden uitgelegd. ( 24 ) |
|
43. |
Opdat de situatie van het kind opnieuw op basis van alle relevante gegevens zou kunnen worden onderzocht, legt artikel 11, lid 6, van de Brussel II bis-verordening het gerecht van de lidstaat van de verblijfplaats van het kind dat op grond van artikel 13 van dit Verdrag een beslissing houdende de niet-terugkeer heeft gegeven, de verplichting op om deze beslissing allereerst mee te delen aan „het bevoegde gerecht of de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind […] zijn gewone verblijfplaats had” ( 25 ), en dit of deze laatste voorts onmiddellijk een afschrift van die beslissing en van alle bijbehorende stukken te doen toekomen, „zulks in overeenstemming met het nationale recht”. |
|
44. |
Gelet op de bewoordingen van bedoeld lid 6, dat niet tot doel heeft, noch in staat stelt te bepalen welk van de op het grondgebied van laatstgenoemde staat zetelende gerechten de in deze bepaling vermelde informatie dient te ontvangen, lijdt het volgens mij geen twijfel dat elke lidstaat via een interne bevoegdheidsregel het gerecht mag aanwijzen waaraan die informatie moet worden overgelegd. |
|
45. |
Lid 7 van artikel 11 bepaalt bovendien dat het gerecht of de centrale autoriteit die de informatie betreffende die beslissing houdende de niet-terugkeer ontvangt, de partijen daarvan op de hoogte stelt en hen uitnodigt om „overeenkomstig het nationale recht” conclusies in te dienen, „opdat de rechterlijke instantie de kwestie van het gezagsrecht kan onderzoeken”. ( 26 ) Uit lid 8 van dat artikel, gelezen in samenhang met overweging 17 van de verordening, vloeit voort dat, niettegenstaande de aanvankelijke beslissing houdende de niet-terugkeer, elke latere beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt en die in deze context door het bevoegde gerecht van de lidstaat van de gewone verblijfplaats is gegeven, op zich uitvoerbaar is ( 27 ), dat wil zeggen zonder dat maatregelen dienen te worden getroffen met het oog op de erkenning en de uitvoering van die beslissing in de lidstaat waar het ontvoerde kind zich bevindt. ( 28 ) |
|
46. |
In limine van lid 7 is evenwel een voorbehoud opgenomen volgens hetwelk de bij deze bepaling vastgestelde procedure van kennisgeving en onderzoek verplicht is „[t]enzij één van de partijen zich reeds heeft gewend tot de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had”. ( 29 ) Een soortgelijke – maar niet identieke – formulering staat in overweging 18 van de Brussel II bis-verordening, waar het volgende is gepreciseerd: „Tenzij de zaak reeds bij hem aanhangig is gemaakt, dient dit gerecht of de centrale autoriteit een oproep te richten aan de partijen.” ( 30 ) Dit voorbehoud, dat de parallel lopende procedures in die lidstaat betreft, vormt volgens mij het kerngegeven van het aan het Hof voorgelegde verzoek om een prejudiciële beslissing. |
2. De twijfels die met betrekking tot de relevante bepalingen van het recht van de Unie zijn gerezen
|
47. |
De verwijzende rechter beklemtoont dat in weerwil van het in artikel 11, lid 7, van de Brussel II bis-verordening geformuleerde voorbehoud waarnaar hierboven is verwezen, de Belgische wet waarmee deze verordening – samen met enkele andere handelingen – in het interne recht is omgezet ( 31 ), voor de bijzondere procedure van artikel 11, leden 6 tot en met 8, in de exclusieve bevoegdheid van gespecialiseerde nationale gerechten voorziet ( 32 ) en bepaalt dat de aanhangigmaking bij deze gerechten leidt tot de opschorting van alle procedures die reeds zijn ingesteld voor de Belgische hoven en rechtbanken waarbij een geschil inzake ouderlijke verantwoordelijkheid voor het betrokken kind aanhangig is gemaakt. ( 33 ) |
|
48. |
Bijgevolg rijst de vraag of een dergelijke procedure als die welke in het hoofdgeding voor het Tribunal de la jeunesse en vervolgens voor de Cour d’appel te Brussel is ingeleid, kan worden gelijkgesteld met een reeds in de lidstaat hangende procedure waaraan het voornoemde voorbehoud refereert, en dus of de bestaande bevoegdheidsregels die in het interne Belgische recht gelden, verenigbaar zijn met die bepaling. |
|
49. |
Op het eerste gezicht kan uit de bewoordingen van het in bedoeld lid 7 gemaakte voorbehoud worden afgeleid dat de wetgever van de Unie, zoals de verwijzende rechter suggereert, de bevoegdheid heeft willen handhaven van een gerecht van deze lidstaat waarbij reeds een geding betreffende het ongeoorloofd overgebrachte kind aanhangig is gemaakt, zelfs ingeval in de lidstaat waar dit kind zich bevindt, een beslissing houdende de niet-terugkeer is gegeven, en dit in overeenstemming met het beginsel van het voortduren van de bevoegdheid („forum perpetuum”). ( 34 ) |
|
50. |
Deze benadering lijkt ook op basis van de wetgevingsprocedure van de Brussel II bis-verordening mogelijk. Daaruit blijkt enerzijds dat de Commissie aanvankelijk voornemens was om te bepalen dat in alle gevallen waarin een dergelijke beslissing houdende de niet-terugkeer is gegeven, automatisch een nieuwe procedure betreffende het gezagsrecht wordt ingeleid in de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had voordat het ongeoorloofd werd overgebracht ( 35 ), maar dat daarvoor uiteindelijk niet is gekozen in de vastgestelde tekst, waaraan de Raad van de Europese Unie het voormelde voorbehoud heeft toegevoegd. ( 36 ) |
|
51. |
Bovendien is een deel van de rechtsleer van mening dat ingeval de zaak reeds bij een gerecht in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind aanhangig is gemaakt, de centrale autoriteit de informatie betreffende de beslissing houdende de niet-terugkeer rechtstreeks aan dit gerecht moet doen toekomen, en dat een specifieke overdracht enkel noodzakelijk is indien dat niet het geval is, opdat een nieuwe procedure kan worden ingeleid nadat die informatie aan de belanghebbenden is meegedeeld. ( 37 ) Deze stelling wordt mogelijkerwijs ook bevestigd door het „Vademecum voor de toepassing van de nieuwe verordening ‚Brussel II’” dat ten behoeve van de gerechten van de lidstaten door de diensten van de Commissie is opgesteld in samenwerking met het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, ook al is hetgeen er in dit verband wordt vermeld niet volkomen eenduidig. ( 38 ) |
|
52. |
Ook al doen die gegevens enige twijfels rijzen, volgens mij moet op basis van andere overwegingen, die voornamelijk doch niet uitsluitend van teleologische aard zijn, en in overeenstemming met vaste rechtspraak van het Hof ( 39 ) worden geoordeeld dat artikel 11, leden 7 en 8, van de Brussel II bis-verordening genuanceerder dient te worden uitgelegd dan de verwijzende rechter voorstelt. |
C – Toelaatbaarheid van nationale regels zoals die welke aan de orde zijn in de onderhavige zaak
1. Het feit dat alle bevoegdheden aan gespecialiseerde gerechten toekomen
|
53. |
Het eerste aspect van het hier gerezen probleem betreft de vraag in hoeverre de in de prejudiciële vraag genoemde bepalingen van de Brussel II bis-verordening strekken tot de interne verdeling van de bevoegdheden tussen de gerechten van de lidstaat waar het ongeoorloofd overgebrachte kind zijn gewone verblijfplaats had, wanneer in de lidstaat waar het kind zich bevindt, een rechterlijke of administratieve beslissing houdende de niet-terugkeer is vastgesteld. |
|
54. |
Dienaangaande volgt uit de rechtspraak van het Hof dat hoewel de Brussel II bis-verordening niet tot doel heeft de regels van materieel recht en de procedureregels van de verschillende lidstaten eenvormig te maken, het niettemin van belang is dat de toepassing van die nationale regels geen afbreuk doet aan het nuttig effect van deze verordening. ( 40 ) |
|
55. |
Wat de in die verordening neergelegde bevoegdheidsregels op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, waartoe ook artikel 11 van deze verordening behoort, blijkt uit overweging 12 ervan dat deze regels zodanig zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn. Het vereiste om bij de uitlegging van die regels „in de eerste plaats” rekening te houden met die doelstelling, is door het Hof reeds meermaals onderstreept in de rechtspraak betreffende de uitlegging van de bepalingen van die wetgevende handeling. ( 41 ) |
|
56. |
Bovendien blijkt uit overweging 33 van de Brussel II bis-verordening dat deze de grondrechten erkent en in overeenstemming is met de beginselen die zijn erkend bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), waarbij zij in het bijzonder beoogt de grondrechten van het kind, zoals die in artikel 24 van het Handvest zijn erkend, ten volle te eerbiedigen. Luidens de leden 2 en 3 van dat artikel vormen bij alle handelingen in verband met kinderen, inzonderheid wanneer deze worden verricht door overheidsinstanties, de belangen van het kind een essentiële overweging en heeft ieder kind het recht, regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden. ( 42 ) |
|
57. |
Het zijn inzonderheid de bepalingen van deze verordening betreffende het ongeoorloofd overbrengen of vasthouden van een kind die jegens de ouders een afschrikkingseffect beogen te hebben, waarbij deze bepalingen voorkomen dat het eventueel bewerkstelligen van voldongen feiten positieve effecten op de toewijzing van de bevoegdheden kan hebben en zij de spoedige terugkeer van het kind bevorderen naar de lidstaat waar het vóór zijn overbrenging verbleef. ( 43 ) Deze doelstelling van voortvarendheid blijkt onder meer uit de korte proceduretermijnen die uitdrukkelijk zijn vastgesteld in artikel 11 van de Brussel II bis-verordening. ( 44 ) |
|
58. |
Gelet op de bewoordingen van de leden 6 tot en met 8 van artikel 11 staat het de lidstaten mijns inziens vrij om een gespecialiseerd gerecht de bevoegdheid toe te kennen om op verzoek van een van de partijen de kwestie van de terugkeer van en/of het gezagsrecht over het kind te onderzoeken in het kader van de bijzondere procedure van voornoemde leden 7 en 8, zelfs wanneer bij een hof of rechtbank overigens reeds een bodemgeding inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind aanhangig is gemaakt. |
|
59. |
Deze bepalingen verwijzen enerzijds immers uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten ( 45 ), en zijn anderzijds in tegelijk algemene en concrete ( 46 ), doch onnauwkeurige ( 47 ) bewoordingen geformuleerd, die de lidstaten de keuze laten om te bepalen welk op het grondgebied zetelend gerecht specifiek bevoegd is om uitspraak te doen over het gezagsrecht over het kind nadat een beslissing houdende de niet-terugkeer is gegeven. |
|
60. |
Gelet op de bijzondere doelstelling van deze bepalingen is artikel 11 van de Brussel II bis-verordening volgens mij veeleer een technisch voorschrift dan een norm die ertoe strekt het bevoegde gerecht te bepalen ( 48 ), ook al behoort het tot hoofdstuk II van deze verordening, met als opschrift „Bevoegdheid”. Lid 7 van dit artikel heeft naar mijn gevoel in hoofdzaak tot doel, te bepalen op welke wijze kennis dient te worden gegeven van de informatie betreffende de beslissing houdende de niet-terugkeer, teneinde de partijen in staat te stellen een gefundeerd standpunt in te nemen voor het gerecht dat volgens het recht van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind bevoegd is, en teneinde te vermijden dat gevaar dreigt voor een juridische lacune na een dergelijke beslissing, waarvan de draagwijdte opnieuw moet kunnen worden onderzocht. ( 49 ) |
|
61. |
Aan deze vaststelling wordt naar mijn oordeel niet afgedaan door het voorbehoud dat in de eerste zin van lid 7 is geformuleerd. Dienaangaande moet worden gewezen op het specifieke karakter – ten opzichte van het in deze bepaling vastgestelde voorbehoud – van het voorbehoud dat in overweging 18 van deze verordening wordt gemaakt. In deze overweging staat namelijk te lezen dat „[t]enzij de zaak reeds bij hem aanhangig is gemaakt, [...] dit gerecht of de centrale autoriteit een oproep [dient] te richten aan de partijen”. ( 50 ) Daaruit blijkt dat het voorbehoud in bedoelde overweging 18, anders dan volgens de meer algemene bewoordingen van artikel 11, lid 7, niet zonder onderscheid ziet op het geval van een voorafgaande aanhangigmaking van de zaak bij om het even welk gerecht in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind, maar wel bij een specifieke rechterlijke instantie, namelijk het gerecht dat in deze lidstaat bevoegd is om het dossier betreffende de beslissing houdende de niet-terugkeer te ontvangen. |
|
62. |
Ik voeg hieraan toe dat een dergelijke regel van interne verdeling van deze materiële bevoegdheden en van specialisatie van de gerechten op zich geen afbreuk doet aan het nuttig effect van die bepalingen van deze verordening, en evenmin aan de beginselen en de doelstellingen die eraan ten grondslag liggen, en dat die regel met name niet noodzakelijkerwijs tegen het voornoemde doel van voortvarendheid indruist, ook al kan deze regel dienaangaande evenwel negatieve gevolgen hebben naargelang het gebruik dat ervan wordt gemaakt, zoals ik hierna zal uiteenzetten. ( 51 ) |
|
63. |
In dit verband moet worden benadrukt dat de in het verzoek om een prejudiciële beslissing aan de orde zijnde Belgische rechtsregels doelstellingen dienen die overeenstemmen met die welke de Brussel II bis-verordening nastreeft. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, had de Belgische wetgever een specialisatie van de rechters en een bundeling van de bevoegdheden voor ogen wegens de hoge techniciteit van de gerechtelijke procedures betreffende internationale kinderontvoeringen, teneinde de doeltreffendheid en de snelheid van het optreden van de Belgische rechterlijke instanties op dit gebied te verbeteren en de rechtstreekse samenwerking tussen de magistraten van de verschillende lidstaten te versterken. ( 52 ) Ik wijs erop dat in het Belgische recht reeds een eerste aanzet daartoe is gegeven in 1998, bij de uitvoerig van het Haags Verdrag van 1980, maar dat deze in 2007 bij de omzetting van de Brussel II bis-verordening is versterkt ( 53 ), zodat het aantal op dit gebied bevoegde rechtbanken is verminderd van zevenentwintig naar zes, met de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen. ( 54 ) |
|
64. |
Zoals de stukken van de voorbereidende werkzaamheden van de voormelde wet van 10 mei 2007 uitdrukkelijk aangeven ( 55 ), heeft de Belgische wetgever ervoor gekozen „zich aan te passen” aan soortgelijke wettelijke regelingen die eerder in andere lidstaten waren vastgesteld, met name in Frankrijk ( 56 ) en in Duitsland ( 57 ). Een onder bescherming van de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht verrichte studie bevestigt dat in verschillende andere lidstaten voor die oplossing is gekozen. ( 58 ) |
|
65. |
Zoals de Belgische regering en de Commissie beklemtonen, strookt die aanpak met de methode om zaken betreffende internationale kinderontvoeringen bij een beperkt aantal gerechten samen te brengen, zoals wordt aanbevolen in de richtsnoeren die in de Unie ( 59 ) en door de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht ( 60 ) zijn uitgebracht. Volgens mij is het belangrijk om de aldus in die context als „good governance” erkende methode van specialisatie van de gerechten te behouden, aangezien het Haags Verdrag van 1980 als zodanig van toepassing blijft tussen de lidstaten, ook al vervolledigt de Brussel II bis-verordening dit Verdrag. ( 61 ) |
|
66. |
Ik ben dan ook van oordeel dat de bepalingen van de Brussel II bis-verordening er op zich niet aan in de weg staan dat een lidstaat kiest voor een specialisatie van de gerechten die bevoegd zijn om ten gronde uitspraak te doen in situaties waarin een kind ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden. Een dergelijke specialisatie levert vanzelfsprekend geen enkele moeilijkheid op indien ingevolge de vorderingen van partijen slechts één enkele procedure met betrekking tot het gezagsrecht over het kind is ingeleid. |
|
67. |
Blijft evenwel nog de vraag of de in de wetgevingen van de lidstaten vastgestelde methoden waarmee de gevolgen van parallel lopende procedures worden geregeld, verenigbaar zijn met die bepalingen. Deze vraag rijst inzonderheid met betrekking tot de – in het Belgische recht vastgestelde – regel houdende opschorting van elk geding dat betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind reeds aanhangig is gemaakt bij een ander – niet-gespecialiseerd – gerecht, en met name rekening houdend met de concrete impact die deze regel kan hebben op het verloop van procedures die in beginsel moeten leiden tot de onmiddellijke terugkeer van het kind in de lidstaat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft. ( 62 ) |
2. De opschorting van alle procedures die reeds voor een niet-gespecialiseerd gerecht zijn ingesteld
|
68. |
Artikel 1322 decies, lid 4, van het Belgische Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de aanhangigmaking bij het gespecialiseerde gerecht dat bevoegd is om ten gronde uitspraak te doen na een beslissing houdende de niet-terugkeer van een ongeoorloofd overgebracht kind, namelijk de familierechtbank van de plaats van de vorige gewone verblijfplaats van dit kind, meteen tot de opschorting leidt van alle procedures die reeds zijn ingesteld voor de nationale hoven en rechtbanken waarbij een geschil inzake ouderlijke verantwoordelijkheid of een daarmee samenhangend geschil aanhangig is gemaakt. |
|
69. |
De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of, gelet op de bijzondere vereisten van voortvarendheid en doeltreffendheid ( 63 ) die – ter bevordering van de terugkeer van een ongeoorloofd overgebracht kind – de in artikel 11, leden 6 tot en met 8, van de Brussel II bis-verordening vastgestelde regeling onderbouwen, deze bepalingen er zich tegen verzetten dat de wetgeving van een lidstaat dergelijke procedureregels bevatten. |
|
70. |
Ook al beschikken de lidstaten over een bepaalde autonomie op het gebied van de procedure ( 64 ), het is evenwel een dwingend vereiste dat hun handelingen „de beginselen en de doelstellingen van de [Brussel II bis-verordening] eerbiedigen”, zoals de Commissie in het door haar op de gestelde vraag in overweging gegeven antwoord in herinnering roept. |
|
71. |
Volgens de rechtspraak van het Hof beoogt de in artikel 11 van de Brussel II bis-verordening vastgestelde regeling, en inzonderheid de overlegging van de in lid 6 vermelde informatie, niet alleen te verzekeren dat het kind onmiddellijk terugkeert naar de lidstaat waar het vóór zijn ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, maar ook het in deze lidstaat bevoegde gerecht in de gelegenheid te stellen, de redenen en de bewijsstukken te evalueren op grond waarvan de beslissing houdende de niet-terugkeer is genomen, aangezien deze beoordeling in laatste instantie aan dat gerecht toekomt. ( 65 ) |
|
72. |
De Cour d’appel te Brussel formuleert met name op basis van de gegevens in het hoofdgeding verschillende praktische en juridische overwegingen die er omwille van spoed en doeltreffendheid voor pleiten niet het door de artikelen 633 septies en 1322 decies van het Belgische Gerechtelijk Wetboek aangewezen gespecialiseerde gerecht, maar het gerecht waarbij de zaak reeds ten gronde aanhangig is gemaakt en waarvoor een procedure betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid hangende is, over het gezagsrecht over het kind te laten beslissen. ( 66 ) |
|
73. |
Het is in dit verband juist dat het gerecht waarbij de zaak eerder aanhangig is gemaakt, beter op de hoogte kan zijn van de concrete situatie van het betrokken kind wanneer het de zaak reeds heeft onderzocht, partijen heeft gehoord en in het dossier over het resultaat van de onderzoeksmaatregelen ( 67 ) beschikt, in tegenstelling tot het gespecialiseerde gerecht waarbij nadien een procedure wordt ingeleid. Bovendien kan in het voor het niet-gespecialiseerde gerecht aanhangige geding mogelijkerwijs even snel uitspraak worden gedaan als in de zaak die voor het gespecialiseerde gerecht is ingeleid, wanneer het nationale recht bepaalt – zoals het geval is in het Belgische recht ( 68 ) – dat alle procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid als dringend worden beschouwd en volgens de procesregels van het kortgeding worden behandeld, of in de praktijk zelfs sneller, wanneer dit geding al enige tijd aan de gang is. |
|
74. |
In een dergelijke context lijkt het dan ook in het belang van het kind dat het gerecht waarbij de zaak eerder aanhangig is gemaakt, het reeds aangevatte onderzoek daarvan kan voortzetten en uitspraak kan doen over zowel de hoofdverblijfplaats van het kind als de daarmee verband houdende gevolgen, met name het omgangsrecht van de ouder bij wie het kind niet zal verblijven. |
|
75. |
Blijkens de door de Belgische regering bij het Hof ingediende opmerkingen ontkent deze regering dat overigens niet. Zij benadrukt dat artikel 1322 decies, lid 4, van het Belgische Gerechtelijk Wetboek louter leidt tot de opschorting van de procedure die reeds is ingeleid bij een niet-gespecialiseerd gerecht waarbij een geschil inzake ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is gemaakt, en niet tot de onttrekking van de zaak aan dat gerecht. Ik wijs erop dat dit laatste in de wetgeving van een aantal andere lidstaten wel het geval is. ( 69 ) |
|
76. |
Deze regering stelt – mijns inziens terecht – dat artikel 11, lid 7, van de Brussel II bis-verordening er zich niet tegen verzet dat de wetgeving van een lidstaat een gespecialiseerd gerecht de bevoegdheid verleent om met bekwame spoed uitspraak te doen over de vraag van de terugkeer, zonder dat dit gerecht meteen ook tegelijk de vraag van het gezagsrecht over het kind moet onderzoeken, ook al houden deze vragen in de regel nauw verband met elkaar, gelet op de rechtspraak van het Hof. ( 70 ) |
|
77. |
Zij wijst erop dat het Belgische recht erin voorziet dat zodra de beslissing betreffende de terugkeer is gegeven, de bodemprocedure betreffende het gezagsrecht die hangende was bij het gerecht waarbij de zaak daarvoor eerder aanhangig was gemaakt – in eerste aanleg of in hoger beroep – en die was opgeschort, dient te worden hernomen. |
|
78. |
De Belgische regering voegt hieraan toe dat het gespecialiseerde gerecht waaraan de beslissing houdende de niet-terugkeer is overgelegd, zich in casu reeds ten gronde over de zaak had uitgesproken in een vonnis waartegen beroep is ingesteld en het dus wegens de in het Belgische recht geldende devolutieve werking van het hoger beroep ( 71 ) heeft geoordeeld dat het verplicht was om de zaak naar de Cour d’appel te verwijzen ( 72 ), aangezien een van partijen de wens te kennen had gegeven dat deze rechterlijke instantie van eerste aanleg zich over het volledige geschil en niet enkel over de kwestie van de terugkeer uitsprak. |
|
79. |
Ik merk op dat dit gespecialiseerde gerecht deze verwijzingsbeslissing in casu heeft gegeven drie maanden nadat de zaak bij hem aanhangig was gemaakt en dat de voor de Cour d’appel te Brussel ingeleide procedure gedurende die periode was opgeschort. |
|
80. |
De lidstaten dienen er bij de toepassing van de Brussel II bis-verordening evenwel voor te zorgen dat de verordening haar nuttig effect niet wordt ontnomen, inzonderheid doordat de onmiddellijke terugkeer van het kind volgens de regels van het recht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had voordat het ongeoorloofd werd overgebracht, zou afhangen van een bij een gespecialiseerd gerecht in te stellen nieuwe procedure, ongeacht het stadium waarin een procedure die eerder is ingeleid bij een rechterlijke instantie die bevoegd is om inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid ten gronde uitspraak te doen, zich bevindt. ( 73 ) |
|
81. |
Het Hof heeft reeds onderstreept dat „[d]it risico [...] temeer voor ogen [moet] worden gehouden nu de biologische tijd bij jonge kinderen [zoals het kind wiens situatie aan de orde is in het hoofdgeding], gezien de intellectuele en psychologische constitutie van deze kinderen en de snelheid waarmee deze zich ontwikkelt, niet volgens algemene criteria kan worden gemeten”. ( 74 ) Bijgevolg is bijzondere spoed vereist teneinde ervoor te zorgen dat het kind eventueel kan terugkeren en het in goede omstandigheden persoonlijke contacten kan hebben met de ouder van wie het gescheiden leeft. ( 75 ) |
|
82. |
Bovendien is het duidelijk in het belang van het kind dat de voor de vaststelling van een beslissing over het gezagsrecht bevoegd verklaarde rechterlijke instantie het gerecht betreft dat „over alle informatie en relevante elementen” daarvoor beschikt, en inzonderheid betreffende „de betrekkingen van het kind met de beide ouders, alsook hun capaciteiten als ouder en hun persoonlijkheid” over „de benodigde tijd om die objectief en sereen te beoordelen”. ( 76 ) |
|
83. |
Deze benadering strookt met de opzet van de Brussel II bis-verordening en wordt bevestigd door de in overweging 33 gepreciseerde vereisten betreffende de eerbiediging van de in artikel 24 van het Handvest vastgelegde rechten van het kind. Ik ben dan ook van oordeel dat artikel 11, leden 7 en 8, van de Brussel II bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat deze bepalingen niet verbieden dat nationale procedureregels zoals de in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing aan de orde zijnde regels worden vastgesteld, op voorwaarde evenwel dat hun toepassing er niet toe leidt dat afbreuk wordt gedaan aan de beginselen en de doelstellingen van deze verordening, met name die betreffende de grondrechten van het betrokken kind volgens welke de redelijke termijn en de wezenlijke doeltreffendheid van de procedures essentiële vereisten zijn. |
V – Conclusie
|
84. |
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Cour d’appel te Brussel te beantwoorden als volgt: „Artikel 11, leden 7 en 8, van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moet aldus worden uitgelegd dat het er zich in beginsel niet tegen verzet dat een lidstaat, mits de beginselen en de doelstellingen van deze verordening daadwerkelijk worden geëerbiedigd, nationale regels vaststelt die ertoe leiden dat:
|
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) De namen in het inleidende deel zijn ten gevolge van een verzoek om anonimisering vervangen door letters.
( 3 ) PB L 338, blz. 1.
( 4 ) Zie: http://www.hcch.net/upload/conventions/txt28en.pdf
( 5 ) Volgens overweging 11 en artikel 2, punt 3, van de Brussel II bis-verordening moet voor de toepassing van deze verordening onder „lidstaat” worden verstaan, alle lidstaten met uitzondering van het Koninkrijk Denemarken.
( 6 ) Zie artikel 11 van de wet van 10 mei 2007 tot tenuitvoerlegging van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, van het Europees Verdrag van Luxemburg van 20 mei 1980 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, en van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Belgisch Staatsblad van 21 juni 2007, blz. 34264). Deze wet is in werking getreden op 1 juli 2007.
( 7 ) Wet betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank (Belgisch Staatsblad van 27 september 2013, blz. 68429). Deze wet is in werking getreden op 1 september 2014.
( 8 ) Deze benaming betreft die welke gold vóór de hierboven vermelde hervorming bij de wet van 30 juli 2013 (zie voetnoot 6 van de onderhavige standpuntbepaling).
( 9 ) Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat boven op de door de vader bij de Belgische rechterlijke instanties ingestelde procedures teneinde een uitspraak over de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind te verkrijgen, de moeder de zaak daartoe ook bij de Poolse rechterlijke instanties aanhangig heeft gemaakt. Aangezien de strekking van deze laatste procedures niet hoeft te worden uiteengezet ter beantwoording van de prejudiciële vraag, wordt er in het kader van de onderhavige standpuntbepaling niet nader op ingegaan. Benadrukt moet evenwel worden dat het Belgische gerecht waarbij de zaak voor het eerst aanhangig is gemaakt, zijn internationale bevoegdheid heeft erkend en dat de Poolse rechterlijke instanties derhalve op basis van die vaststelling hebben geoordeeld dat zij ter zake niet bevoegd waren.
( 10 ) Volgens dit artikel kunnen de gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om ten gronde over een zaak te beslissen, bij wijze van uitzondering en onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden, indien een gerecht van een andere lidstaat beter in staat is de zaak te behandelen, die zaak in het belang van het kind naar dat gerecht verwijzen.
( 11 ) Zie voetnoot 6 van de onderhavige standpuntbepaling en artikel 232 van die wet.
( 12 ) Volgens de verwijzende rechter kan de procedure van artikel 11, leden 6 en 7, van de Brussel II bis-verordening naar Belgisch recht enkel bij haar worden ingeleid via een beroep dat een gedingpartij tegen dit vonnis instelt.
( 13 ) In haar verwijzingsbeslissing preciseert de Cour d’appel te Brussel dat de door haar bij het tussenvonnis van 30 juli 2014 met betrekking tot het omgangsrecht van de vader gelaste voorlopige maatregelen, die in Polen via het overeenkomstig artikel 41 van de Brussel II bis-verordening afgegeven certificaat rechtstreeks uitvoerbaar zijn, in de huidige stand van de procedure niet hoeven te worden gewijzigd.
( 14 ) Het betreft echter geen louter nationale aangelegenheid aangezien het gaat om de uitlegging van de bepalingen van de Brussel II bis-verordening waaruit moet worden afgeleid of de ene of de andere van de betrokken Belgische rechterlijke instanties bevoegd is om een geschil af te doen dat grensoverschrijdend en niet intern van aard is [zie naar analogie de feiten van de zaken die hebben geleid tot de arresten C (C‑435/06, EU:C:2007:714) en A (C‑523/07, EU:C:2009:225)].
( 15 ) Zie voetnoot 8 van de onderhavige standpuntbepaling.
( 16 ) Voor de inhoud van deze bepalingen, zie arrest McB (C‑400/10 PPU, EU:C:2010:582).
( 17 ) Over het begrip „schending van een gezagsrecht”, zie arrest C (C‑376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 60 e.v.).
( 18 ) Ook al had de kortgedingrechter van het Tribunal de première instance te Brussel bij beschikking van 19 december 2013 deze verblijfplaats als voorlopige maatregel bij de vader vastgesteld, het Tribunal de la jeunesse te Brussel heeft deze immers bij vonnis van 26 maart 2014 – waartegen nadien hoger beroep is ingesteld – aan de moeder toevertrouwd, hetgeen de Cour d’appel te Brussel in het kader van de voorlopige maatregelen die zij in het tussenarrest van 30 juli 2014 heeft genomen, niet heeft gewijzigd.
( 19 ) Ik herinner eraan dat de districtsrechtbank van Płońsk bij beslissing van 13 februari 2014 gebruik heeft gemaakt van de door artikel 13 van het Haags Verdrag van 1980 geboden mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van het beginsel van de onmiddellijke terugkeer van het kind waarin artikel 12 van dit Verdrag voorziet.
( 20 ) Zie overweging 17, eerste volzin, van de Brussel II bis-verordening, alsook arrest Rinau (C‑195/08 PPU, EU:C:2008:406, punt 66); mijn standpuntbepaling betreffende advies 1/13 (EU:C:2014:2292, punten 84 e.v.), en advies 1/13 (EU:C:2014:2303, punten 77 e.v.).
( 21 ) In die zin, de „Toelichting” van het op 3 mei 2002 door de Commissie ingediende voorstel dat tot de Brussel II bis-verordening heeft geleid [COM(2002) 222 definitief, PB C 203 E, blz. 155], waar in het deel „Doelstelling” wordt verklaard dat „de lidstaat waarnaar het kind is ontvoerd, bij wege van voorlopige beschermende maatregel zou kunnen besluiten het kind niet terug te zenden, maar dat [dit] besluit terzijde zou kunnen worden gesteld door een beslissing betreffende het gezag, gegeven door een rechterlijke instantie van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind” (cursivering van mij).
( 22 ) Deze significante uitdrukking werd gebruikt in overweging 9 van het door de Commissie op 6 september 2001 ingediende eerste voorstel voor een verordening betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid [COM(2001) 505 definitief, PB C 332 E, blz. 269], waarin stond te lezen dat „[d]e bevoegdheidscriteria [...] niet [mogen] beletten dat in de lidstaat waar het kind zich bevindt maatregelen worden genomen die ten doel hebben het kind in dringende gevallen te beschermen of de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid te organiseren. De rechterlijke instanties van de lidstaat die bevoegd zijn van het bodemgeschil kennis te nemen hebben echter het laatste woord, inclusief de mogelijkheid dergelijke maatregelen te herroepen” (cursivering van mij).
( 23 ) Zie EHRM, Povse/Oostenrijk, verzoekschrift nr. 3890/11, §§ 85 en 86 (beschikbaar op: http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001‑122449), dat verwijst naar het eerdere arrest Povse van het Hof van Justitie (C‑211/10 PPU, EU:C:2010:400). Het EHRM onderstreepte dat verzoekers voor de gerechten in Italië, de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind, de bescherming van hun grondrecht van eerbiediging van het gezinsleven hadden kunnen doen gelden, nadat bij een beslissing de terugkeer van het kind naar Italië was gelast.
( 24 ) Zie met name EHRM, X./Letland, verzoekschrift nr. 27853/09, §§ 93, 96 en 100 (beschikbaar op: http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001‑138939).
( 25 ) Zie ook overweging 18, eerste volzin, van de Brussel II bis-verordening.
( 26 ) Blijkens de tweede alinea van bedoeld lid 7 verklaart het gerecht de zaak gesloten indien het binnen die termijn geen conclusie heeft ontvangen.
( 27 ) Ondanks de algemene strekking van de uitdrukking die in voornoemd lid 8 wordt gebruikt, te weten „een gerecht dat krachtens [de Brussel II bis-verordening] bevoegd is”, wordt daarmee mijns inziens – gelet op de bewoordingen van overweging 17 – niet om het even welk gerecht bedoeld dat krachtens een of ander artikel van deze verordening bevoegd zou zijn, maar ziet die uitdrukking veeleer op het gerecht dat over het gezagsrecht over het kind zal beslissen in het kader van de procedure van artikel 11, leden 6‑8.
( 28 ) Overeenkomstig de regeling van de artikelen 40 e.v. van de Brussel II bis-verordening.
( 29 ) Cursivering van mij. In deze bepaling is het meervoud gebruikt omdat het mogelijk is dat het geschil betreffende het gezagsrecht over het betrokken kind reeds bij meerdere gerechten van deze lidstaat, al dan niet op verschillende niveaus, aanhangig is gemaakt, zoals in het hoofdgeding het geval was.
( 30 ) Cursivering van mij. Ik kom hierop terug in punt 61 van de onderhavige standpuntbepaling.
( 31 ) Zie het ontwerp van wet dat tot de vaststelling van de voornoemde wet van 10 mei 2007 heeft geleid, welk ontwerp op 16 maart 2007 door de Belgische regering bij de Kamer van volksvertegenwoordigers van het Koninkrijk België is ingediend, stuk nr. 51‑3002/001, 2006‑2007, blz. 3 (http://www.dekamer.be/FLWB/pdf/51/3002/51K3002001.pdf).
( 32 ) Overeenkomstig de in de punten 14 en 15 van de onderhavige standpuntbepaling aangehaalde artikelen 633 septies en 1322 decies van het Belgische Gerechtelijk Wetboek wordt die procedure voorbehouden aan de rechtbank van eerste aanleg (thans de familierechtbank) die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kind onmiddellijk voor zijn ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had.
( 33 ) Zie artikel 1322 decies, lid 4, van het Belgische Gerechtelijk Wetboek.
( 34 ) Net als de Commissie merk ik op dat deze situatie, waarin de zaak tezelfdertijd bij gerechten van eenzelfde lidstaat aanhangig is, verschilt van de situatie waarop artikel 19 van de Brussel II bis-verordening betrekking heeft, welk artikel de gevallen van litispendentie regelt die zich voordoen „[w]anneer bij gerechten van verschillende lidstaten procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten” (cursivering van mij). Anders dan deze instelling ter terechtzitting heeft verklaard, ben ik daarentegen van oordeel dat de hier bedoelde parallel lopende procedures hetzelfde voorwerp kunnen hebben wanneer uitspraak over het gezagsrecht zal worden gedaan op de plaats waar het kind verblijft en daardoor eventuele repercussies op de terugkeer ervan kunnen hebben.
( 35 ) Zie de artikelen 22‑24 van het voorstel van de Commissie [COM(2002) 222 definitief], thans artikel 11 van de Brussel II bis-verordening, alsook de „Toelichting” bij dit voorstel, waarin met betrekking tot artikel 24, lid 2, wordt gepreciseerd dat „aan de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voordat het werd meegenomen of niet teruggezonden, zijn of haar gewone verblijfplaats had, de verplichting [wordt] opgelegd zich te dien einde tot de rechterlijke instanties te wenden. Elke persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt, beschikt over dezelfde mogelijkheid” (cursivering van mij).
( 36 ) Zie de notitie van het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie van 26 november 2002 (nr. 14733/02, blz. 5 en 6 alsook blz. 14 e.v.), waaruit niet duidelijk blijkt wat de leden van de Raad in dit verband voornemens waren. Punt 17 van deze notitie vermeldt enkel dat een dergelijke beslissing houdende de niet-terugkeer „een simpele conservatoire maatregel en geen beslissing ten gronde is. In de meeste gevallen dient de zaak achteraf dus aanhangig te worden gemaakt bij de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ontvoering zijn gewone verblijfplaats had en behouden deze gerechten hun bevoegdheid om het geschil ten gronde te beslechten” (cursivering van mij).
( 37 ) Zie onder meer McEleavy, P., „The New Child Abduction Regime in the European Union: Symbiotic Relationship or Forced Partnership?”, Journal of Private International Law, 2005, nr. 1, blz. 30 en voetnoot 132; Fulchiron, H., „La lutte contre les enlèvements d’enfants”, in Fulchiron, H., en Nourissat, C. (o.l.v.), Le nouveau droit communautaire du divorce et de la responsabilité parentale, Dalloz, Parijs, 2005, blz. 249; Pataut, E., „Commentaire de l’article 11”, in Magnus, U., en Mankowski, P. (red.), Brussels II bis Regulation, Sellier European Law Publishers, München, 2012, blz. 142 e.v., punt 63.
( 38 ) In dit Vademecum, zoals het op 1 juni 2005 is bijgewerkt (http://ec.europa.eu/civiljustice/publications/docs/guide_new_brussels_ii_nl.pdf) heet het dat „[a]ls een gerecht in de lidstaat reeds eerder een beslissing met betrekking tot het kind heeft gegeven, [...] de documenten in beginsel aan dat gerecht [worden] toegezonden. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de informatie toegezonden aan het gerecht dat volgens het recht van die lidstaat bevoegd is, d.w.z. in de meeste gevallen daar waar het kind vóór de ontvoering zijn gewone verblijfplaats had” (zie blz. 36, cursivering van mij). Volgens de Commissie kan uit de woorden „in beginsel” worden afgeleid dat ook andere oplossingen, zoals de zending aan een gespecialiseerd gerecht, mogelijk zijn. De – door de Commissie niet vermelde – alternatieve mogelijkheid waarvan sprake aan het begin van de volgende volzin staat mogelijkerwijs echter in de weg aan die aanpak.
( 39 ) Het Hof herinnert er immers regelmatig aan dat voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt, nastreeft (zie met name arrest L, C‑656/13, EU:C:2014:2364, punt 38).
( 40 ) Zie met name arresten Rinau (EU:C:2008:406, punt 82) en Povse (EU:C:2010:400, punt 78).
( 41 ) Zie met name arresten E. (C‑436/13, EU:C:2014:2246, punten 44 en 45), C (EU:C:2014:2268, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en L (EU:C:2014:2364, punt 48).
( 42 ) Zie in dit verband arresten Detiček (C‑403/09 PPU, EU:C:2009:810, punten 53 en 54), Aguirre Zarraga (C‑491/10 PPU, EU:C:2010:828, punten 59 e.v.), Povse (EU:C:2010:400, punt 64) en McB. (EU:C:2010:582, punten 60 e.v.).
( 43 ) Zie met name arresten Rinau (EU:C:2008:406, punt 52), Povse (EU:C:2010:400, punt 43) en C (EU:C:2014:2268, punt 67), alsook de punten 15 en 16 van de reeds aangehaalde notitie van het voorzitterschap van de Raad van 26 november 2002.
( 44 ) Aldus bepaalt lid 3 van dat artikel dat het gerecht waarbij een verzoek om terugkeer van het kind is ingediend, in beginsel dient te beslissen „uiterlijk zes weken nadat het verzoek aanhangig is gemaakt”. Lid 6 verlangt dat de vermelde informatie wordt overgelegd „binnen een maand te rekenen vanaf de datum waarop de beslissing houdende de niet-terugkeer is gegeven”. Lid 7 voegt hieraan toe dat de partijen hun conclusies moeten indienen „binnen drie maanden na de oproeping [waarmee zij van die informatie op de hoogte zijn gebracht]”. In de praktijk zijn de gerechten van de lidstaten niet altijd in staat om de eerstgenoemde termijn te eerbiedigen, zoals blijkt uit het op 15 april 2014 gedateerde verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van verordening nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening nr. 1347/2000 [COM(2014) 225 final].
( 45 ) In deze bepalingen wordt zowel in lid 6 (met betrekking tot de mededeling van de informatie betreffende de beslissing tot niet-terugkeer aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind) als in lid 7 (met betrekking tot de wijze waarop die informatie aan de partijen moet worden overgelegd en hun dient te worden verzocht om conclusies bij het bevoegde gerecht in te dienen) naar „het nationale recht” verwezen.
( 46 ) Lid 7 is in algemene termen geformuleerd voor zover daarin sprake is van „de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor een ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had”, in hun geheel beschouwd, en het is meer specifiek voor zover daarin driemaal wordt gerefereerd aan „het gerecht” dat de in lid 6 bedoelde informatie ontvangt en tot het onderzoek ervan overgaat en daarbij ofwel de zaak ten gronde beslecht, ofwel deze beëindigt (cursivering van mij).
( 47 ) Dat is niet het geval voor een bepaling waarin de territoriale bevoegdheid van een rechterlijke instantie aldus wordt gedefinieerd dat precies kan worden vastgesteld welk gerecht van een lidstaat bevoegd is, zoals de bepaling die aan de orde was in mijn conclusie betreffende de – nog hangende – zaken Sanders en Huber (C‑400/13 en C‑408/13, EU:C:2014:2171, punt 36), die „het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft” aangaf (cursivering van mij).
( 48 ) Voor een auteur volgens wie de voorschriften van artikel 11 van procedurele aard zijn, zie Devers, A., „Les enlèvements d’enfants et le règlement ‚Bruxelles II bis’”, in Fulchiron, H. (o.l.v.), Les enlèvements d’enfants à travers les frontières, Bruylant, Brussel, 2004, blz. 40.
( 49 ) In dit verband heeft de Belgische regering ter terechtzitting – mijns inziens terecht – verklaard dat „artikel 11, punt 7, van de verordening er in wezen toe strekt de procedure aan te geven die moet worden gevolgd wanneer in de staat [van de gewone verblijfplaats van het kind] nog geen zaak betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid bij een gerecht aanhangig is gemaakt [...], opdat de zaak kan worden voortgezet zonder dat de snelle behandeling ervan in gevaar komt. Indien echter met betrekking tot het geheel of een gedeelte van de zaak reeds een bodemprocedure bij een gerecht is ingeleid, [...] laat de verordening het aan de lidstaten over om te bepalen welke procedure op nationaal niveau moet worden gevolgd”. De Commissie heeft zich achter dit standpunt geschaard en daarbij gepreciseerd dat „de verplichting om de partijen op de hoogte te brengen niet door de verordening zelf wordt opgelegd, maar het aan het nationale procesrecht staat om deze kwestie te beslechten”.
( 50 ) Cursivering van mij.
( 51 ) Zie punten 68 e.v. van de onderhavige standpuntbepaling.
( 52 ) Zie de toelichting betreffende artikel 3 van het in voetnoot 30 van de onderhavige standpuntbepaling genoemde wetsontwerp (blz. 44 van dat ontwerp).
( 53 ) Verschillende lidstaten hebben hun interne wetgeving aangepast om rekening te houden met de vereisten van deze verordening. Zie Boele‑Woelki, K., en González Beilfuss, C., (red.), Brussels II bis – Its Impact and Application in the Members States, Intersentia, Antwerpen, 2007.
( 54 ) Zie dienaangaande de bijdrage betreffende het Belgische recht in „Dossier spécial – Concentration des compétences en relation avec la Convention de La Haye [de 1980] et d’autres instruments internationaux en matière de protection de l’enfance”, La Lettre des Juges sur la protection internationale de l’enfant, gepubliceerd door de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht, deel XX, zomer-herfst 2013, blz. 5 en 6 (http://www.hcch.net/upload/newsletter/nl2013tome20fr.pdf).
( 55 ) Zie de toelichting betreffende artikel 3 van het reeds aangehaalde wetsontwerp (blz. 44 van dat ontwerp).
( 56 ) Zie in dit verband artikel 1210‑4 van de Franse Code de procédure civile (wetboek burgerlijk procesrecht) en artikel L. 211‑12 van de Franse Code de l’organisation judiciaire (wetboek gerechtelijke organisatie), alsook Nourissat, C., en Devers, A., „Étude 245 – Règles de compétence en matière matrimoniale et de responsabilité parentale”, in Canivet, G., e.a. (o.l.v.), Lamy Procédures communautaires, Parijs, 2008, punten 245‑205 e.v.
( 57 ) Zie de bijdragen betreffende het Franse en het Duitse recht, in „Dossier spécial – Concentration des compétences en relation avec la Convention de La Haye [de 1980] et d’autres instruments internationaux en matière de protection de l’enfance”, reeds aangehaald, respectievelijk blz. 16 en blz. 17 e.v.
( 58 ) Zie het volledige „Dossier spécial – Concentration des compétences en relation avec la Convention de La Haye [de 1980] et d’autres instruments internationaux en matière de protection de l’enfance”, reeds aangehaald, en inzonderheid de samenvatting van Lortie, P., blz. 2 e.v., die erop wijst dat een concentratie van de bevoegdheden in overeenstemming met de Brussel II bis-verordening heeft plaatsgevonden in sommige lidstaten waarop deze studie betrekking heeft, te weten volgens hem in Duitsland, in België, in Bulgarije, in Cyprus, in Finland, in Frankrijk, in Hongarije, in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk, en dat de bevoegdheid soms aan één enkel gespecialiseerd gerecht is voorbehouden, met name in Nederland en in Zweden.
( 59 ) Zie het reeds aangehaalde Vademecum voor de toepassing van de nieuwe Brussel II-verordening, blz. 28, alsook het rapport „Article 11 working group – Information on national procedures”, 2013 (beschikbaar op: https://e-justice.europa.eu/content_parental_child_abduction-309-fr.do?clang=fr), blz. 12 e.v., waar wordt gepreciseerd dat „[t]he following Member States appear not to have implemented concentration: Estonia, Latvia, Lithuania, Poland, Slovenia and Spain”.
( 60 ) „Guide de bonnes pratiques en vertu de la convention de La Haye [de 1980] – Deuxième Partie – Mise en œuvre, 2003” [Guide to good practice under the Hague Convention of 25 October 1980 on the Civil Aspects of International Child Abduction – Part II – Implementing measures], blz. xii e.v. en blz. 29 e.v. (beschikbaar op: http://www.hcch.net/index_fr.php?act=publications.details&pid=2781), waarin de voordelen van die praktijk worden opgesomd. Over het belang van dit stuk, ook al is het niet bindend, zie EHRM, X./Letland, reeds aangehaald, § 36.
( 61 ) Zie punt 39 van de onderhavige standpuntbepaling.
( 62 ) Behoudens indien die terugkeer niet in het belang van het kind is.
( 63 ) Zie dienaangaande met name punt 57 van de onderhavige standpuntbepaling.
( 64 ) Zie punten 54 e.v. van de onderhavige standpuntbepaling.
( 65 ) Arrest Rinau (EU:C:2008:406, punten 78‑80).
( 66 ) In het hoofdgeding lijkt het bevoegde gespecialiseerde gerecht het daarmee overigens eens te zijn, aangezien het Tribunal de la famille te Brussel waarbij na de beslissing houdende de niet-terugkeer een procedure is ingeleid, de zaak heeft terugverwezen naar de Cour d’appel te Brussel die aanvankelijk uitspraak ten gronde diende te doen.
( 67 ) In casu heeft de Cour d’appel te Brussel in haar verwijzingsbeslissing een sociale onderzoeksmaatregel met betrekking tot de gezinssituatie van de vader gelast, teneinde inlichtingen in te winnen over onder meer de omstandigheden waarin de vader het kind eventueel bij hem kon laten verblijven, alsook over zijn geschiktheid als ouder.
( 68 ) Zie artikel 198, lid 2, van de in voetnoot 6 van de onderhavige standpuntbepaling vermelde wet van 30 juli 2013.
( 69 ) Zo bepaalt het Duitse recht voor een dergelijk geval dat „afdeling 13 van de [federale wet van 5 april 1990 zoals gewijzigd] de lokale rechtbank de verplichting oplegt de zaak door te verwijzen naar het gespecialiseerde gerecht” (zie „Dossier spécial – Concentration des compétences en relation avec la Convention de La Haye [de 1980] et d’autres instruments internationaux en matière de protection de l’enfance”, reeds aangehaald, blz. 18). Evenzo staat het volgens het Franse recht aan de andere rechters waarbij dezelfde zaak of samenhangende geschillen aanhangig zijn gemaakt om vast te stellen dat de zaak aan hen is onttrokken ten behoeve van het gerecht dat specifiek bevoegd is nadat een beslissing houdende de niet-terugkeer is gegeven (zie artikel 1210‑9 van de Code de procédure civile).
( 70 ) Onder verwijzing naar de arresten Rinau (EU:C:2008:406, punten 63 en 64) en Povse (EU:C:2010:400, punt 53) herinnert deze regering eraan dat het Hof enerzijds heeft geoordeeld dat „[d]e uitvoerbaarheid van een beslissing waarbij de terugkeer van een kind wordt gelast, die is gegeven na een beslissing waarbij is geweigerd de terugkeer te gelasten, [...] ofschoon zij intrinsiek samenhangt met de overige door de verordening geregelde materies, met name het gezagsrecht, procedurele autonomie [geniet], teneinde de terugkeer van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht [...] of wordt vastgehouden [...], niet te vertragen”, en anderzijds dat „[uit artikel 11, lid 7,] niet [kan] worden afgeleid dat een beslissing over het gezag over het kind een voorafgaande voorwaarde is voor de vaststelling van een beslissing die de terugkeer van het kind met zich brengt”, aangezien „[d]eze bepaling [...] enkel de einddoelstelling van de [...] rechterlijke procedures aan[wijst], namelijk de situatie van het kind te regulariseren” (cursivering van mij).
( 71 ) Deze devolutieve werking impliceert dat het hof waarbij hoger beroep is ingesteld, over alle aspecten van het geschil moet kunnen beslissen, en met name over nieuwe feiten die zich sinds de uitspraak van het bestreden vonnis hebben voorgedaan, bijvoorbeeld latere manoeuvres van een van de ouders.
( 72 ) Ter terechtzitting heeft de Belgische regering dit standpunt genuanceerd en erop gewezen dat het gespecialiseerde gerecht in werkelijkheid autonoom kon beoordelen of het passend was om – met name gelet op het belang van het kind – de vordering van een partij tot terugverwijzing van zowel de vraag betreffende de terugkeer van het kind als die betreffende het gezagsrecht naar het hof van beroep toe te wijzen overeenkomstig de regel volgens welke de bijzaak de hoofdzaak volgt („accessorium sequitur principale”).
( 73 ) Zie naar analogie arrest Rinau (EU:C:2008:406, punt 81).
( 74 ) Idem.
( 75 ) Het EHRM benadrukt ook de op de rechterlijke autoriteiten van een lidstaat rustende verplichting om „alles in het werk te stellen” opdat de onder de Brussel II bis-verordening vallende gedingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een ontvoerd kind en de terugkeer van dit kind „met bekwame spoed worden behandeld” en beklemtoont daarbij dat „tijdverlies onherstelbare gevolgen kan hebben voor de betrekkingen tussen de kinderen en de ouder die niet bij hen woont” (zie met name EHRM, Karoussiotis/Portugal, nr. 23205/08, §§ 85 e.v., beschikbaar op: http://hudoc.echr.coe.int/sites/fra/pages/search.aspx?i=001‑103165).
( 76 ) Zie arrest Povse (EU:C:2010:400, punten 62 en 66).