Zaak C‑500/14

Ford Motor Company

tegen

Wheeltrims srl

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Tribunale di Torino)

„Prejudiciële verwijzing — Modellen — Richtlijn 98/71/EG — Artikel 14 — Verordening (EG) nr. 6/2002 — Artikel 110 — ‚Reparatieclausule’ — Gebruik door een derde van een merk zonder dat de houder hiertoe toestemming heeft gegeven, voor reserveonderdelen of accessoires voor auto’s, die identiek zijn aan de waren waarvoor het merk is ingeschreven”

Samenvatting – Beschikking van het Hof (Derde kamer) van 6 oktober 2015

  1. Prejudiciële vragen — Antwoord waarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan — Toepassing van artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering

    (Art. 267 VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 99)

  2. Prejudiciële vragen — Bevoegdheid van het Hof — Grenzen — Kennelijk irrelevante vragen, hypothetische vragen gesteld in een context waarin een nuttig antwoord is uitgesloten, en vragen zonder verband met het voorwerp van het hoofdgeding — Geen — Ontvankelijkheid

    (Art. 267 VWEU)

  3. Harmonisatie van de wetgevingen — Modellen — Uitlegging van verordening nr. 6/2002 en van richtlijn 98/71 — Geen afwijking van het bepaalde in verordening nr. 207/2009 en in richtlijn 2008/95 — Aanbrengen, door een fabrikant van reserveonderdelen en accessoires voor auto’s, op zijn waren van een teken dat gelijk is aan een merk dat voor dergelijke waren door een autoconstructeur is ingeschreven, zonder diens toestemming — Ontoelaatbaarheid — Gebruik van dit merk enige mogelijkheid om het betrokken voertuig te repareren en het daarmee, als samengesteld voortbrengsel, zijn oorspronkelijke vorm terug te geven — Geen invloed

    (Verordeningen van de Raad nr. 6/2002, art. 1, 96, lid 1, en 110, en nr. 207/2009; richtlijnen van het Europees Parlement en de Raad 98/71, art. 2, 16 en 14, en 2008/95)

  1.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 32, 33)

  2.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 35‑37)

  3.  Artikel 14 van richtlijn 98/71 inzake de rechtsbescherming van modellen en artikel 110 van verordening nr. 6/2002 betreffende gemeenschapsmodellen moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet toestaan, in afwijking van het bepaalde in richtlijn 2008/95 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten en in verordening nr. 207/2009 inzake het gemeenschapsmerk, dat een fabrikant van reserveonderdelen en accessoires voor auto’s, zoals wieldoppen, op zijn waren een teken dat gelijk is aan een merk dat onder meer voor dergelijke waren door een autoconstructeur is ingeschreven, zonder diens toestemming aanbrengt met de motivering dat het gebruik dat aldus van het merk wordt gemaakt, de enige mogelijkheid is om het betrokken voertuig te repareren en het daarmee, als samengesteld voortbrengsel, zijn oorspronkelijke vorm terug te geven.

    In de eerste plaats blijkt immers uit de bewoordingen van artikel 14 van richtlijn 98/71 en artikel 110 van verordening nr. 6/2002 dat die bepalingen slechts bepaalde beperkingen stellen aan de bescherming van modellen, maar geenszins verwijzen naar de bescherming van merken.

    In de tweede plaats is richtlijn 98/71 volgens artikel 2 ervan slechts van toepassing op bij bepaalde nationale en internationale diensten ingeschreven modellen en op daartoe strekkende aanvragen om inschrijving van modellen. Bovendien blijkt uit artikel 1 van verordening nr. 6/2002, gelezen tegen de achtergrond van overweging 5 van deze verordening, dat die verordening er alleen toe strekt een in elke lidstaat rechtstreeks geldend gemeenschapsmodel in te voeren.

    In de derde plaats ten slotte blijkt uit, enerzijds, overweging 7 en artikel 16 van richtlijn 98/71 en, anderzijds, overweging 31 en artikel 96, lid 1, van verordening nr. 6/2002 dat die Unierechtelijke handelingen de bepalingen van Unierecht en het recht van de betrokken lidstaat inzake met name merken onverlet laten.

    Daaruit volgt dat artikel 14 van richtlijn 98/71 en artikel 110 van verordening nr. 6/2002 niet voorzien in enige afwijking van de bepalingen van richtlijn 2008/95 en van verordening nr. 207/2009.

    (punten 39‑42, 45 en dictum)