Zaak C‑520/14

Gemeente Borsele

tegen

Staatssecretaris van Financiën

en

Staatssecretaris van Financiën

tegen

Gemeente Borsele

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden)

„Prejudiciële verwijzing — Belasting over de toegevoegde waarde — Richtlijn 2006/112/EG — artikelen 2, lid 1, onder c), en 9, lid 1 — Belastingplichtigen — Economische activiteiten — Begrip — Leerlingenvervoer”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 mei 2016

Harmonisatie van de belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde – Economische activiteiten in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112 – Leerlingenvervoer verstrekt door een territoriaal overheidslichaam – Verschil tussen de werkingskosten en de als tegenprestatie voor het leerlingenvervoer ontvangen bedragen dat veeleer duidt op het bestaan van een heffing dan op het bestaan van een vergoeding – Ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de verstrekte dienst en de ontvangen tegenprestatie – Daarvan uitgesloten

[Richtlijn 2006/112 van de Raad, art. 2, lid 1, onder c), en 9, lid 1]

Artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112 van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat een territoriaal overheidslichaam dat een leerlingenvervoersdienst verricht, geen economische activiteit uitoefent en derhalve niet de hoedanigheid van belastingplichtige heeft in het geval waarin de gemeente via de bijdragen die zij ontvangt, slechts een gering deel van de gemaakte kosten terugkrijgt. De betrokken bijdragen zijn namelijk niet door elke gebruiker verschuldigd en worden maar door een derde van hen betaald, zodat het bedrag ervan slechts 3 % van de totale vervoerskosten dekt, waarbij het verschil uit de algemene middelen wordt gefinancierd. Een dergelijk verschil tussen de werkingskosten en de als tegenprestatie voor de diensten ontvangen bedragen, geeft aan dat de ouderlijke bijdrage veeleer moet worden gelijkgesteld aan een heffing dan aan een vergoeding.

Een dergelijke asymmetrie heeft tot gevolg dat er geen reëel verband bestaat tussen het betaalde bedrag en de verrichte dienst. Bijgevolg is er geen rechtstreeks verband tussen de door de gemeente verstrekte vervoersdienst en de door de ouders te betalen tegenwaarde, zoals vereist is om deze tegenwaarde te kunnen aanmerken als een tegenprestatie die een vergoeding voor die dienst vormt en om die dienst te kunnen aanmerken als een economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112.

(cf. punten 33, 34, 36 en dictum)