Zaak C‑357/14 P

Electrabel SA

en

Dunamenti Erőmű Zrt.

tegen

Europese Commissie

„Hogere voorziening — Staatssteun — Steun die door de Hongaarse autoriteiten is toegekend aan bepaalde stroomproducenten — Stroomafnameovereenkomsten tussen een openbaar bedrijf en bepaalde stroomproducenten — Beschikking waarbij deze steun met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar wordt verklaard en de terugvordering ervan wordt gelast — Begrip ‚partij’ die hogere voorziening bij het Hof kan instellen — Toetreding van Hongarije tot de Europese Unie — Relevante datum voor de beoordeling of er sprake is van steun — Begrip ‚staatssteun’ — Voordeel — Criterium van de particuliere investeerder — Methode voor de berekening van het bedrag van die steun”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Derde kamer) van 1 oktober 2015

  1. Hogere voorziening — Partij die in eerste aanleg in het ongelijk is gesteld — Begrip — Onderneming die in eerste aanleg geen conclusies heeft voorgedragen, maar die deel uitmaakt van dezelfde groep van ondernemingen als een onderneming die aan die procedure heeft deelgenomen — Daarvan uitgesloten — Niet-ontvankelijkheid — Afbreuk aan het beginsel van vrije toegang tot de rechter en behoorlijk bestuur — Geen

    (Art. 256 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 56, tweede alinea)

  2. Hogere voorziening — Middelen — Ontoereikende motivering — Impliciete motivering door het Gerecht — Toelaatbaarheid — Voorwaarden — Verplichting van het Gerecht om na te gaan of er sprake is van steun alvorens de kwalificatie van de betrokken maatregel als bestaande steun te onderzoeken — Geen — Omvang van de motiveringsplicht

    (Art. 87, lid 1, EG en 88, leden 1 en 3, EG; art. 256 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 36 en 53; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 81)

  3. Steunmaatregelen van de staten — Verdragsbepalingen — Werkingssfeer ratione temporis — Toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie — Toetredingsakte — Toepassing van de staatssteunbepalingen vanaf de datum van toetreding en uitsluitend op situaties die zich na die datum voordoen

    (Art. 87, lid 1, EG en 88, leden 1 en 3, EG; Toetredingsakte van 2003, art. 2 en bijlage IV, punt 3; verordening nr. 659/1999 van de Raad, art. 1)

  4. Steunmaatregelen van de staten — Begrip — Beoordeling volgens het criterium van de particuliere investeerder — Beoordeling met inachtneming van alle relevante aspecten van de betrokken operatie en de context ervan — Inaanmerkingneming van de beschikbare gegevens en van de te voorziene ontwikkelingen op het moment waarop het besluit betreffende de betrokken maatregel wordt genomen

    (Art. 87, lid 1, EG en 88, leden 1 en 3, EG)

  5. Hogere voorziening — Middelen — Rechtsoverwegingen van een arrest waarin het Unierecht is geschonden — Dictum op andere rechtsgronden gerechtvaardigd — Afwijzing

    (Art. 256, lid 1, VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)

  6. Steunmaatregelen van de staten — Terugvordering van onrechtmatige steun — Verplichting voortvloeiend uit de onrechtmatigheid — Doel — Herstel van de vroegere toestand

    (Art. 88, lid 2, EG)

  7. Steunmaatregelen van de staten — Terugvordering van onrechtmatige steun — Bepaling van de schuldenaar in geval van de overdracht van activa — Verkrijger van het concurrentievoordeel

    (Art. 88, lid 2, EG)

  8. Steunmaatregelen van de staten — Terugvordering van onrechtmatige steun — Berekening van het terug te vorderen bedrag — Berekeningsmethode gebaseerd op de inkomsten in plaats van op de winst, die de Commissie heeft toegepast en die er beter voor kan zorgen dat de begunstigde het door de steun verkregen voordeel verliest

    (Art. 88, lid 2, EG)

  1.  Volgens artikel 56, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie kan bij het Hof hogere voorziening worden ingesteld door iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Het feit dat de onderneming die in eerste aanleg geen conclusies heeft voorgedragen, deel uitmaakt van een groep waarvan één van de ondernemingen zelf wel partij in de procedure in eerste aanleg was, kan niet volstaan om aan eerstgenoemde onderneming de hoedanigheid van partij in de zin van die bepaling te verlenen.

    Deze uitlegging is niet in strijd met het recht van die onderneming op toegang tot de rechter of met het beginsel van behoorlijk bestuur. Integendeel, een beperking van de categorie van personen voor wie hogere voorziening bij het Hof in een bepaalde zaak openstaat, zoals die in artikel 56 van dat Statuut, heeft juist tot doel, waarborgen voor een behoorlijke rechtspleging te bieden, met name door ervoor te zorgen dat enigszins voorzienbaar is welke hogere voorzieningen tegen de beslissingen van het Gerecht kunnen worden ingesteld, en door te voorkomen dat de termijnen en de ontvankelijkheidvoorwaarden die bij andere in het Unierecht voorziene beroepsgangen gelden, worden omzeild.

    (cf. punten 29, 30)

  2.  De Unierechter is vrij in de wijze waarop hij meent zijn redenering te moeten opbouwen en uiteenzetten om de voor hem aangevoerde middelen te beantwoorden. De door het Gerecht gemaakte keuzes ten aanzien van de opbouw en uiteenzetting van het antwoord kunnen dan ook niet in hogere voorziening worden aangevochten met stellingen die beogen aan te tonen dat het Gerecht zijn redenering had moeten opbouwen op de door een partij verwachte wijze.

    Het staat de Unierechter vrij om pas na te gaan of een maatregel staatssteun vormt, nadat hij, aangenomen dat dit zo was, heeft onderzocht of de steun die uit deze maatregel voortvloeide, als bestaande steun moest worden gekwalificeerd.

    Daarnaast kan het Gerecht niet een ontoereikende motivering op het punt van de kwalificatie van een dergelijke maatregel als nieuwe steun worden verweten op grond van het enkele feit dat het zich voor deze analyse heeft gebaseerd op de veronderstelling dat er sprake was van steun, wanneer het Gerecht daarna uitvoerig de argumenten die betrekking hadden op de vraag of sprake was van steun, heeft onderzocht.

    (cf. punten 36, 38, 41)

  3.  De staatssteunregels van de Unie zijn voor de nieuwe lidstaten verbindend geworden op de datum van hun toetreding. De vraag naar de bepaling van de relevante datum voor de beoordeling, op grond van artikel 87, lid 1, EG, van een steunmaatregel die in een nieuwe lidstaat was vastgesteld vóór de datum van diens toetreding tot de Unie en die nog steeds van toepassing was na die datum, moet worden onderzocht aan de hand van de toetredingsakte van bedoelde lidstaat.

    De staten die vóór die datum lid waren van de Unie, wilden de interne markt immers beschermen tegen maatregelen die staatssteun omvatten, die door de kandidaatlanden waren ingevoerd vóór hun toetreding tot de Unie en die de mededinging konden vervalsen, door die maatregelen vanaf de toetredingsdatum te onderwerpen aan de regeling voor nieuwe steun, indien deze maatregelen niet onder de in bijlage IV, punt 3, bij die toetredingsakte nauwkeurig opgesomde uitzonderingen vielen. Daarnaast volgt uit de bewoordingen van artikel 1, onder b), v), van verordening nr. 659/1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag, en met name uit de eerste volzin van die bepaling, dat een bijstandsmaatregel van de staat die geen staatssteun vormde op het moment waarop hij ten uitvoer wordt gebracht, later staatssteun kan worden.

    Elke andere conclusie zou tot gevolg hebben gehad dat de door de auteurs van het toetredingsverdrag nagestreefde doelstelling zinledig zou worden. Indien als relevante datum immers zou worden uitgegaan van de datum van vaststelling van een maatregel, dan zou dit gevolg hebben dat in het geval van een lidstaat die op 1 mei 2004 tot de Unie is toegetreden, door de Commissie geen toezicht kan worden gehouden op enige maatregel die vóór die toetreding is vastgesteld en die ten tijde van de vaststelling ervan geen staatssteun vormde, maar dat vervolgens na die datum is geworden en gebleven.

    (cf. punten 58, 60‑62, 65)

  4.  Op het gebied van staatssteun geldt, wat de toepassing van het criterium van een particuliere investeerder in een markteconomie betreft, dat wanneer de Commissie onderzoekt of een staat in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft gehandeld, en het criterium van de particuliere investeerder dus in de omstandigheden van de zaak van toepassing is, zij een globale beoordeling dient te verrichten, rekening houdend met niet alleen de door de betrokken lidstaat verstrekte gegevens, maar ook met alle andere relevante gegevens van de zaak op basis waarvan kan worden uitgemaakt of de lidstaat de betrokken maatregel heeft genomen in zijn hoedanigheid van aandeelhouder dan wel als overheid. In dit verband kunnen met name de aard en het voorwerp van deze maatregel, de context waarin hij is genomen, alsmede de daarmee nagestreefde doelstelling en de regels waaraan deze maatregel is onderworpen, relevant zijn.

    Voorts geldt dat wanneer de Commissie nagaat of is voldaan aan de voorwaarden voor toepasselijkheid en toepassing van het criterium van de particuliere investeerder, zij slechts kan weigeren de door betrokken lidstaat verstrekte relevante informatie te onderzoeken, indien de overgelegde bewijsstukken dateren van na het tijdstip waarop de beslissing om de betrokken investering te doen is genomen. Alleen de gegevens die beschikbaar en de evoluties die voorzienbaar zijn op het ogenblik waarop de beslissing om de investering te doen is genomen, zijn immers relevant voor de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder. Dit geldt met name wanneer de Commissie onderzoekt of er sprake is van staatssteun met betrekking tot een investering die niet bij haar is aangemeld en door de betrokken lidstaat al ten uitvoer is gelegd op het tijdstip waarop zij haar onderzoek voert.

    Informatie over gebeurtenissen die tijdens de periode voorafgaand aan de datum van vaststelling van een overheidsmaatregel hebben plaatsgevonden en die op die datum beschikbaar is, kan relevant blijken te zijn omdat die informatie een licht kan werpen op de vraag of die maatregel een voordeel in de zin van artikel 87, lid 1, EG oplevert.

    (cf. punten 102, 103, 105)

  5.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 108, 118)

  6.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 110, 111)

  7.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 112, 113)

  8.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 145, 147, 148, 150)