Zaak C‑227/14 P

LG Display Co. Ltd

en

LG Display Taiwan Co. Ltd

tegen

Europese Commissie

„Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen — Artikelen 101 VWEU en 53 van de EER-Overeenkomst — Wereldmarkt voor schermen met vloeibare kristallen (lcd’s) — Vaststelling van de prijzen — Geldboeten — Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten (2006) — Punt 13 — Bepaling van de waarde van de verkopen — Gemeenschappelijke onderneming — Inaanmerkingneming van de verkopen aan de moedermaatschappijen — Mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (2002) — Punt 23, onder b), laatste alinea — Gedeeltelijke boete-immuniteit — Bewijs van feiten die de Commissie niet eerder bekend waren”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 23 april 2015

  1. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Totale omzet van de betrokken onderneming – Omzet die is behaald met de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft – Respectieve inaanmerkingneming – Grenzen – Bepaling van de waarde van de verkopen die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk – Criteria

    (Art. 101 VWEU en 102 VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, leden 2 en 3; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie, punten 6 en 13)

  2. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Berekeningsmethode vastgesteld in de richtsnoeren van de Commissie – Berekening van het basisbedrag van de geldboete – Bepaling van de waarde van de verkopen – Criteria – Inaanmerkingneming van de verkopen aan ondernemingen die verticaal geïntegreerd zijn in de beschuldigde onderneming – Toelaatbaarheid

    (Art. 101, lid 1, VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie, punt 13)

  3. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Beoordelingsvrijheid van de Commissie – Verplichting voor de Commissie om zich aan haar vroegere beschikkingspraktijk te houden – Geen

    (Art. 101 VWEU en 102 VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

  4. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Vermindering van de geldboete in ruil voor de medewerking van de beschuldigde onderneming – Voorwaarden – Bewijs van feiten die de Commissie niet eerder bekend waren – Restrictieve uitlegging

    [Artikel 101, lid 1, VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2002/C 45/03, punten 23, b), derde alinea, en 29]

  1.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punten 48‑51, 53‑55, 57)

  2.  Indien bij de vaststelling van het basisbedrag van de geldboeten die wegens inbreuken op de mededingingsregels worden opgelegd, geen rekening zou worden gehouden met de waarde van de verkopen aan onafhankelijke derden omdat de onderneming die aan een kartel heeft deelgenomen, bijzondere structurele banden met hen heeft, zou die onderneming op ongerechtvaardigde wijze worden bevoordeeld, aangezien zij dan zou kunnen ontsnappen aan een sanctie die evenredig is aan haar belang op de markt van de producten waarop de inbreuk betrekking heeft.

    Naast het voordeel dat kan worden verwacht van een kartel waarin de prijzen voor verkopen aan onafhankelijke derden horizontaal worden bepaald, kan een onderneming namelijk ook van een dergelijk kartel profiteren doordat zij meer verkoopt aan ondernemingen waarmee zij bepaalde structurele banden heeft, indien zij voor die verkopen niet de hogere kartelprijzen toepast. De onderneming in kwestie geniet dan immers een concurrentievoordeel ten opzichte van haar concurrenten, die deze hogere prijzen aanrekenen op de relevante markt.

    Bovendien leidt het enkele feit dat een onderneming op de relevante markt tegen deze hogere prijzen aan onafhankelijke derden verkoopt, op zich reeds tot een verstoring van de mededinging die de hele relevante markt negatief beïnvloedt en in het bijzonder de consumenten treft.

    Zelfs wanneer een kartel geen betrekking heeft op de verkopen van het betrokken product aan ondernemingen die verbonden zijn met de leden van dit kartel, wordt de mededinging op de relevante markt dus vervalst, zodat ook deze verkopen in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de geldboete.

    (cf. punten 60‑63)

  3.  Zie de tekst van de beslissing.

    (cf. punt 67)

  4.  Op het gebied van de mededinging vloeit uit punt 23, onder b), laatste alinea, van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken voort dat de daarin bedoelde gedeeltelijke immuniteit slechts wordt toegekend indien aan twee voorwaarden is voldaan: de betrokken onderneming is de eerste die feiten bewijst die de Commissie niet eerder bekend waren, en de Commissie kan dankzij die feiten, die een rechtstreeks gevolg hebben voor de zwaarte of de duur van het vermeende kartel, tot nieuwe conclusies over de inbreuk komen.

    Het begrip „feiten die de Commissie niet eerder bekend waren”, waarvan sprake is in de eerste voorwaarde, is immers ondubbelzinnig en punt 23, onder b), laatste alinea, van de mededeling inzake medewerking mag derhalve strikt worden uitgelegd, in die zin dat dit punt alleen van toepassing is op gevallen waarin een bij een kartel betrokken onderneming de Commissie nieuwe inlichtingen verstrekt inzake de zwaarte of de duur van de inbreuk, en niet op gevallen waarin de onderneming slechts informatie verstrekt die het bewijs van het bestaan van de inbreuk kan bevestigen.

    Die uitlegging van punt 23, onder b), laatste alinea, van deze mededeling is overigens geenszins in strijd met de doelstelling van deze mededeling, aangezien het clementieprogramma aan doeltreffendheid zou inboeten indien de ondernemingen niet meer werden gestimuleerd om als eerste inlichtingen over een kartel aan te brengen bij de Commissie.

    Wanneer een onderneming – met het oog op de verkrijging van volledige boete-immuniteit krachtens deze mededeling – als eerste bewijs bij de Commissie aanbrengt dat deze instelling in staat stelt een inbreuk op artikel 101 VWEU vast te stellen, maar nalaat om informatie aan te dragen die aantoont dat de betrokken inbreuk eigenlijk langer heeft geduurd dan uit het aangebrachte bewijs blijkt, vormt dit dus voor elke andere onderneming die aan deze inbreuk heeft deelgenomen, een stimulans om als eerste deze informatie te onthullen, aangezien een dergelijke onthulling kan rechtvaardigen dat hun krachtens punt 23, onder b), laatste alinea, van deze mededeling gedeeltelijke boete-immuniteit wordt toegekend.

    Het is juist dat een onderneming die op grond van de mededeling inzake medewerking informatie verstrekt aan de Commissie niet zeker kan zijn dat zij voldoet aan de voorwaarden van punt 23, onder b), laatste alinea, van deze mededeling om in aanmerking te komen voor gedeeltelijke immuniteit, daar zij normaal gezien niet weet over welke informatie de Commissie reeds beschikt.

    Deze mededeling heeft echter niet tot doel die onzekerheid weg te nemen, maar beoogt integendeel een klimaat van onzekerheid binnen de kartels te creëren teneinde de aangifte ervan bij de Commissie aan te moedigen.

    (cf. punten 77‑79, 84‑87)


Trefwoorden
Samenvatting

Trefwoorden

1. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Totale omzet van de betrokken onderneming – Omzet die is behaald met de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft – Respectieve inaanmerkingneming – Grenzen – Bepaling van de waarde van de verkopen die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk – Criteria

(Art. 101 VWEU en 102 VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, leden 2 en 3; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie, punten 6 en 13)

2. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Berekeningsmethode vastgesteld in de richtsnoeren van de Commissie – Berekening van het basisbedrag van de geldboete – Bepaling van de waarde van de verkopen – Criteria – Inaanmerkingneming van de verkopen aan ondernemingen die verticaal geïntegreerd zijn in de beschuldigde onderneming – Toelaatbaarheid

(Art. 101, lid 1, VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie, punt 13)

3. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Beoordelingsvrijheid van de Commissie – Verplichting voor de Commissie om zich aan haar vroegere beschikkingspraktijk te houden – Geen

(Art. 101 VWEU en 102 VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

4. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Vermindering van de geldboete in ruil voor de medewerking van de beschuldigde onderneming – Voorwaarden – Bewijs van feiten die de Commissie niet eerder bekend waren – Restrictieve uitlegging

[Artikel 101, lid 1, VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2002/C 45/03, punten 23, b), derde alinea, en 29]

Samenvatting

1. Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punten 48‑51, 53‑55, 57)

2. Indien bij de vaststelling van het basisbedrag van de geldboeten die wegens inbreuken op de mededingingsregels worden opgelegd, geen rekening zou worden gehouden met de waarde van de verkopen aan onafhankelijke derden omdat de onderneming die aan een kartel heeft deelgenomen, bijzondere structurele banden met hen heeft, zou die onderneming op ongerechtvaardigde wijze worden bevoordeeld, aangezien zij dan zou kunnen ontsnappen aan een sanctie die evenredig is aan haar belang op de markt van de producten waarop de inbreuk betrekking heeft.

Naast het voordeel dat kan worden verwacht van een kartel waarin de prijzen voor verkopen aan onafhankelijke derden horizontaal worden bepaald, kan een onderneming namelijk ook van een dergelijk kartel profiteren doordat zij meer verkoopt aan ondernemingen waarmee zij bepaalde structurele banden heeft, indien zij voor die verkopen niet de hogere kartelprijzen toepast. De onderneming in kwestie geniet dan immers een concurrentievoordeel ten opzichte van haar concurrenten, die deze hogere prijzen aanrekenen op de relevante markt.

Bovendien leidt het enkele feit dat een onderneming op de relevante markt tegen deze hogere prijzen aan onafhankelijke derden verkoopt, op zich reeds tot een verstoring van de mededinging die de hele relevante markt negatief beïnvloedt en in het bijzonder de consumenten treft.

Zelfs wanneer een kartel geen betrekking heeft op de verkopen van het betrokken product aan ondernemingen die verbonden zijn met de leden van dit kartel, wordt de mededinging op de relevante markt dus vervalst, zodat ook deze verkopen in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de geldboete.

(cf. punten 60‑63)

3. Zie de tekst van de beslissing.

(cf. punt 67)

4. Op het gebied van de mededinging vloeit uit punt 23, onder b), laatste alinea, van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken voort dat de daarin bedoelde gedeeltelijke immuniteit slechts wordt toegekend indien aan twee voorwaarden is voldaan: de betrokken onderneming is de eerste die feiten bewijst die de Commissie niet eerder bekend waren, en de Commissie kan dankzij die feiten, die een rechtstreeks gevolg hebben voor de zwaarte of de duur van het vermeende kartel, tot nieuwe conclusies over de inbreuk komen.

Het begrip „feiten die de Commissie niet eerder bekend waren”, waarvan sprake is in de eerste voorwaarde, is immers ondubbelzinnig en punt 23, onder b), laatste alinea, van de mededeling inzake medewerking mag derhalve strikt worden uitgelegd, in die zin dat dit punt alleen van toepassing is op gevallen waarin een bij een kartel betrokken onderneming de Commissie nieuwe inlichtingen verstrekt inzake de zwaarte of de duur van de inbreuk, en niet op gevallen waarin de onderneming slechts informatie verstrekt die het bewijs van het bestaan van de inbreuk kan bevestigen.

Die uitlegging van punt 23, onder b), laatste alinea, van deze mededeling is overigens geenszins in strijd met de doelstelling van deze mededeling, aangezien het clementieprogramma aan doeltreffendheid zou inboeten indien de ondernemingen niet meer werden gestimuleerd om als eerste inlichtingen over een kartel aan te brengen bij de Commissie.

Wanneer een onderneming – met het oog op de verkrijging van volledige boete-immuniteit krachtens deze mededeling – als eerste bewijs bij de Commissie aanbrengt dat deze instelling in staat stelt een inbreuk op artikel 101 VWEU vast te stellen, maar nalaat om informatie aan te dragen die aantoont dat de betrokken inbreuk eigenlijk langer heeft geduurd dan uit het aangebrachte bewijs blijkt, vormt dit dus voor elke andere onderneming die aan deze inbreuk heeft deelgenomen, een stimulans om als eerste deze informatie te onthullen, aangezien een dergelijke onthulling kan rechtvaardigen dat hun krachtens punt 23, onder b), laatste alinea, van deze mededeling gedeeltelijke boete-immuniteit wordt toegekend.

Het is juist dat een onderneming die op grond van de mededeling inzake medewerking informatie verstrekt aan de Commissie niet zeker kan zijn dat zij voldoet aan de voorwaarden van punt 23, onder b), laatste alinea, van deze mededeling om in aanmerking te komen voor gedeeltelijke immuniteit, daar zij normaal gezien niet weet over welke informatie de Commissie reeds beschikt.

Deze mededeling heeft echter niet tot doel die onzekerheid weg te nemen, maar beoogt integendeel een klimaat van onzekerheid binnen de kartels te creëren teneinde de aangifte ervan bij de Commissie aan te moedigen.

(cf. punten 77‑79, 84‑87)